<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<?xml-stylesheet type="text/xsl" media="screen" href="/~d/styles/rss2full.xsl"?><?xml-stylesheet type="text/css" media="screen" href="http://feeds.feedburner.com/~d/styles/itemcontent.css"?><rss xmlns:geo="http://www.w3.org/2003/01/geo/wgs84_pos#" xmlns:content="http://purl.org/rss/1.0/modules/content/" xmlns:media="http://search.yahoo.com/mrss/" xmlns:yt="http://gdata.youtube.com/schemas/2007" xmlns:atom="http://www.w3.org/2005/Atom" xmlns:feedburner="http://rssnamespace.org/feedburner/ext/1.0" version="2.0">
   <channel>
      <title>Dirkzwager algemene kennis feed</title>
      <description>Pipes Output</description>
      <link>http://pipes.yahoo.com/pipes/pipe.info?_id=10c7a7f9ec8b997337b04e9830759041</link>
      <atom:link rel="next" href="http://pipes.yahoo.com/pipes/pipe.run?_id=10c7a7f9ec8b997337b04e9830759041&amp;_render=rss" />
      <pubDate>Mon, 27 Feb 2012 10:14:52 +0000</pubDate>
      <generator>http://pipes.yahoo.com/pipes/</generator>
      <atom10:link xmlns:atom10="http://www.w3.org/2005/Atom" rel="self" type="application/rss+xml" href="http://feeds.feedburner.com/dirkzwager_nl" /><feedburner:info uri="dirkzwager_nl" /><atom10:link xmlns:atom10="http://www.w3.org/2005/Atom" rel="hub" href="http://pubsubhubbub.appspot.com/" /><item>
         <title>Minister: cookiewet ook van toepassing op device fingerprinting</title>
         <link>http://feedproxy.google.com/~r/dirkzwager_nl/~3/QtL8_hSm4pk/</link>
         <description>De Minister van Economische Zaken heeft in antwoord op kamervragen gesteld [1] dat de nieuwe cookiewet ook van toepassing is op het volgen van internetters aan de hand van technische kenmerken van hun apparatuur (het zogenaamde device fingerprinting). Een kritische beschouwing. 

Het wetsvoorstel met betrekking tot de nieuwe regels over gebruik van cookies is nog steeds aanhangig. Over dit wetsvoorstel hebben we al eerder geschreven, ik verwijs graag naar [intlink id="7585" type="post"]die eerdere berichtgeving[/intlink].

Device fingerprinting: volgen internetter aan de hand van technische kenmerken computer

Cookies zijn niet de enige manier om internetters op eenvoudige wijze te kunnen volgen. Uit onderzoek is gebleken dat internetters in de regel ook te identificeren zijn aan de hand van de combinatie van allerlei (technische) eigenschappen van de apparatuur en software die door een internetter worden gebruikt. Dit wordt device fingerprinting genoemd en hierover [intlink id="4943" type="post"]schreef ik al eerder[/intlink] in het kader van de nieuwe cookiewet.

Kamervragen over device fingerprinting

Leden van de CDA-fractie in de Eerste Kamer hebben aan de Minister vragen gesteld over het gebruik van deze techniek. In de Nadere Memorie van Antwoord van 17 februari 2012 [2] heeft de Minister van Economische Zaken het volgende antwoord gegeven:
De leden van de CDA-fractie vragen hoe ten aanzien van device fingerprinting met de cookiebepaling moet worden omgegaan.
Device fingerprinting kan worden gebruikt om het surfgedrag van individuele internetgebruikers te volgen. Als met een computer of mobiele telefoon een website wordt bezocht, geeft de browser bepaalde instellingen en kenmerken van het apparaat (computer, mobiele telefoon) door aan die website. Te denken valt aan het type besturingssysteem, de browserinstellingen, geïnstalleerde plug-ins, tijdzone en beeldschermgrootte en dergelijke. Deze combinatie van instellingen en kenmerken (de «device fingerprint») is zo specifiek, dat een adverteerder die via verschillende sites dezelfde fingerprint aantreft, er met redelijke mate van zekerheid vanuit kan gaan dat het gaat om dezelfde computer, en dus dezelfde internetgebruiker. Als deze adverteerder bijvoorbeeld op verschillende sites advertentiebanners plaatst, kan hij de fingerprints van de computers waarmee die sites zijn bezocht verzamelen. Door die gegevens te analyseren kan hij afleiden welke sites de (verder ongeïdentificeerde) bezoeker achter een bepaalde fingerprint heeft bezocht. Hierbij wordt dus surfgedrag gevolgd aan de hand van informatie die wordt gelezen van de computer van een gebruiker. Artikel 11.7a is niet alleen van toepassing op het plaatsen van gegevens op de randapparatuur van een gebruiker, maar ook op het verkrijgen van toegang tot gegevens die zijn opgeslagen in de randapparatuur van een gebruiker. Ook het gebruik van device fingerprinting valt daarom onder artikel 11.7a. Deze conclusie wordt overigens gedeeld door de Artikel 29-werkgroep in Opinion 16/20116. Het lezen van de combinatie van instellingen en kenmerken van het apparaat met als uitsluitend doel de met dat apparaat opgevraagde dienst te leveren (bijvoorbeeld om de bezochte website goed te kunnen weergeven) valt onder de uitzondering in het derde lid. Het lezen van deze informatie om het surfgedrag van de gebruiker van het apparaat te volgen valt niet onder de uitzondering. Hiervoor is dan ook geïnformeerde toestemming van de gebruiker vereist.
Erg ruime interpretatie wetttekst

In het antwoord gaat de minister uit van een wel erg ruime interpretatie van de wettekst. De kernoverweging van de Minister is de volgende:
Artikel 11.7a is niet alleen van toepassing op het plaatsen van gegevens op de randapparatuur van een gebruiker, maar ook op het verkrijgen van toegang tot gegevens die zijn opgeslagen in de randapparatuur van een gebruiker.
Deze overweging lijkt me op zichzelf juist. Vergelijk immers de voorgestelde wettekst [3]:
Artikel 11.7a 1. Onverminderd de Wet bescherming persoonsgegevens dient een ieder die door middel van elektronische communicatienetwerken toegang wenst te verkrijgen tot gegevens die zijn opgeslagen in de randapparatuur van een gebruiker dan wel gegevens wenst op te slaan in de randapparatuur van de gebruiker (....)
Om hier de conclusie aan te verbinden dat device fingerprinting onder de nieuwe cookiewet valt, begrijp ik echter niet. Bij device fingerprinting wordt namelijk niet toegang gezocht tot gegevens op de computer van de internetter. In tegendeel: het is juist de computer van de internetter die actief de betreffende (technische) informatie doorgeeft aan de server van de website die wordt bezocht. Dat staat zelfs letterlijk in de inleiding van het antwoord van de minister. Van toegang tot informatie opgeslagen op de apparatuur van de eindgebruiker is dan ook helemaal geen sprake. De apparatuur zendt die informatie zelf uit.

Opmerkelijke verwijzing naar opinie artikel 29 werkgroep

Ook de verwijzing naar de opinie [4] van de artikel 29 werkgroep vind ik opvallend. In de betreffende opinie staat het volgende over device fingerprinting:
The Article 29 WP refers to its Opinion 2/2010 which outlines that behavioural advertising involves the processing of unique identifiers be that achieved through the use of cookies, or any
kind of device fingerprinting. The use of such unique identifiers allows for the tracking of users of a specific computer even when IP addresses are deleted or anonymised. In other words, such unique identifiers enable data subjects to be “singled out” for the purpose of tracking user behaviour while browsing on different websites and thus qualify as personal data.

Moreover, the Article 29 WP would like to note that the Article 5(3) of the revised e-Privacy Directive is applicable independently of whether the information stored or accessed in the user’s terminal equipment consists personal data or not.
De werkgroep lijkt hier twee zaken te willen opmerken:

	het volgen van internetters op zondanige wijze dat deze te identificeren zijn, impliceert een verwerking van persoonsgegevens (en dient dus te voldoen aan de WBP);
	het plaatsen of uitlezen van gegevens op eindapparatuur van internetters dient te voldoen aan de cookiewetgeving, ongeacht of de betreffende gegevens persoonsgegevens zijn of niet.

Beide stellingen lijken mij juist. Om hier echter de conclusie aan te verbinden dat de werkgroep zou hebben gezegd dat device fingerprinting onder de cookiewet valt, lijkt mij niet helemaal juist.

Consequenties

Het antwoord van de minister roept bovendien een heleboel andere vragen op. De cookiewet is al omstreden, met deze ruime uitleg van de minister zou de wet nog wel eens veel meer omstreden kunnen raken. Zo wordt de informatie die voor device fingerprinting wordt gebruikt, ook gebruikt voor bijvoorbeeld het bijhouden van statistieken over het websitebezoek. Een websitehouder wil immers graag weten met welke browserversie of op welke schermresolutie zijn website wordt bezocht, zodat hij daar in het ontwerp rekening mee kan houden. Het gebruiken van die informatie zou, in de visie van de Minister, straks vallen onder de nieuwe cookiewet. Een uitzondering gaat niet op. De uitzondering waar de minister op wijst van artikel 11.7a lid 3 Tw is namelijk alleen van toepassing wanneer het uitsluitend doel van het gebruik van de informatie is om (a) de communicatie uit te voeren of (b) de door de gebruiker gevraagde dienst te leveren. Dat is bij het bijhouden van statistieken niet het geval; het bijhouden van statistieken is immers niet vereist om de communicatie uit te voeren en om die dienst heeft de gebruiker ook niet gevraagd.

Laat ik nog een voorbeeld geven. Het is mogelijk uit te lezen welke taalversie van een browser door een internetter wordt gebruikt. Die informatie kan, al dan niet in combinatie met bijvoorbeeld het land van herkomst van het gebruikte IP-adres, worden gebruikt om een website automatisch in de (waarschijnlijke) taal van de bezoeker weer te geven. Het gebruik van die gegevens is niet "strikt noodzakelijk" om de website weer te kunnen geven. Het is gewoon handig en gebruikersvriendelijk. Aan de uitzondering van het derde lid van artikel 11.7a Tw wordt dus - in ieder geval naar de tekst van de wet - niet voldaan. Het lijkt mij echter sterk dat alle websites die deze informatie automatisch gebruiken, hiermee zullen stoppen.

Het is de vraag of de uitzondering van artikel 11.7a lid 3 Tw dan wellicht ruimer zou moeten worden gelezen. Die ruime uitzondering geldt dan echter ook voor cookiegebruik. Het lijkt mij zuiverder om verkeersgegevens en andere technische gegevens die bij device fingerprinting worden gebruikt buiten het bereik van de cookiewet te laten.

[1] https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-32549-G.html
[2] https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-32549-G.html
[3] https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-32549-A.html
[4] http://ec.europa.eu/justice/data-protection/article-29/documentation/opinion-recommendation/files/2011/wp188_en.pdf&lt;img src="http://feeds.feedburner.com/~r/DirkzwagerAdvocatenIntellectueleEigendomenIT-recht/~4/YecsiDARSMM" height="1" width="1"/&gt;&lt;img src="http://feeds.feedburner.com/~r/dirkzwager_nl/~4/QtL8_hSm4pk" height="1" width="1"/&gt;</description>
         <guid isPermaLink="false">http://dirkzwagerieit.nl/?p=9001</guid>
         <pubDate>Mon, 27 Feb 2012 09:13:33 +0000</pubDate>
      <feedburner:origLink>http://feedproxy.google.com/~r/DirkzwagerAdvocatenIntellectueleEigendomenIT-recht/~3/YecsiDARSMM/</feedburner:origLink></item>
      <item>
         <title>Paardenwagen bezit niet de eigenschappen die koper mocht verwachten</title>
         <link>http://feedproxy.google.com/~r/dirkzwager_nl/~3/3iFz89x4ueI/</link>
         <description>Een koper heeft een paardenwagen gekocht. Op basis van advertentie en de mededelingen van verkoper mocht koper erop vertrouwen dat de paardenwagen geschikt was voor het vervoeren van twee paarden.
Advertentie
Verkoper heeft op Marktplaats een paardenwagen te koop aangeboden. In de advertentie staat onder meer vermeld dat verkoper altijd twee hengsten heeft vervoerd in paardenwagen, dat [...]</description>
         <guid isPermaLink="false">http://dirkzwagerondernemingsrecht.nl/?p=2514</guid>
         <pubDate>Mon, 27 Feb 2012 09:05:55 +0000</pubDate>
         <content:encoded><![CDATA[<p>Een koper heeft een paardenwagen gekocht. Op basis van advertentie en de mededelingen van verkoper mocht koper erop vertrouwen dat de paardenwagen geschikt was voor het vervoeren van twee paarden.<span id="more-2514"></span></p>
<p><strong>Advertentie</strong><br />
Verkoper heeft op Marktplaats een paardenwagen te koop aangeboden. In de advertentie staat onder meer vermeld dat verkoper altijd twee hengsten heeft vervoerd in paardenwagen, dat de paardenwagen is ingericht voor twee paarden maar dat er met gemak drie dravers op kunnen. Koper heeft de paardenwagen gekocht. Na de koop laat de verzekeringsmaatschappij aan koper weten dat de paardenwagen niet geschikt is voor twee paarden omdat de paardenwagen een maximaal laadvermogen heeft van 520 kg, terwijl twee paarden tezamen meer dan 1000 kg wegen. Als er meer dan 520 kg aan paarden op staan, is koper niet verzekerd als zij een ongeval zou krijgen.</p>
<p><strong>Ontbinding koopovereenkomst</strong><br />
Koper vordert ontbinding van de koopovereenkomst en schadevergoeding. Volgens koper beantwoordt de paardenwagen niet aan de koopovereenkomst omdat het laadvermogen slechts 520 kg bedraagt. Koper stelt dat zij op basis van de tekst van de advertentie en de mededelingen van verkoper erop mocht vertrouwen dat de paardenwagen geschikt was voor het vervoeren van twee paarden. Verkoper betwist de vordering en voert aan dat uit de advertentie de technische gegevens van de paardenwagen blijken en dat het laadvermogen ook op het kentekenbewijs staat.</p>
<p><strong>Rechter</strong><br />
De kantonrechter van de rechtbank Haarlem (<a rel="nofollow" target="_blank" href="http://www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=BV5928"><em>LJN</em>: BV5928</a>) oordeelt dat koper gelet op de inhoud van de advertentie en de mededelingen die verkoper heeft gedaan, erop mocht vertrouwen zij twee paarden die meer dan 520 kg wegen tegelijkertijd met de paardenwagen kon vervoeren. Verkoper wist dat koper op zoek was naar een paardenwagen die geschikt was voor het tegelijkertijd vervoeren van twee paarden. Verkoper had koper moeten voorhouden dat dit wettelijk niet is toegestaan omdat paardenwagen een laadvermogen heeft van 520 kg. Dat de paardenwagen groot genoeg is voor het vervoeren van twee of drie paarden, doet hier niet aan af. Koper mocht vertrouwen op de door verkoper gedane mededelingen en de inhoud van de advertentie.</p>
<p><strong>Onderzoeksplicht versus mededelingsplicht</strong><br />
Bij de beantwoording van de vraag of een gekochte zaak aan de koopovereenkomst beantwoordt, spelen de op koper rustende onderzoeksplicht en de op de verkoper rustende mededelingsplicht een belangrijke rol. Het is lastig om aan te geven hoever de onderzoeksplicht van de koper en de mededelingsplicht van de verkoper reiken. Dit hangt af van de omstandigheden van het geval. Van belang is onder meer of koper een consument is of bedrijfsmatig handelt. Bij een consumentenkoop (d.w.z. een koop tussen een natuurlijke persoon die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf en een persoon die wel handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf) prevaleert de mededelingsplicht van de verkoper boven de onderzoeksplicht van de koper.</p><img src="http://feeds.feedburner.com/~r/dirkzwager_nl/~4/3iFz89x4ueI" height="1" width="1"/>]]></content:encoded>
      <feedburner:origLink>http://dirkzwagerondernemingsrecht.nl/2012/02/27/paardenwagen-bezit-niet-de-eigenschappen-die-koper-mocht-verwachten/</feedburner:origLink></item>
      <item>
         <title>Beweerde volmacht, hoe zit het ook al weer?</title>
         <link>http://feedproxy.google.com/~r/dirkzwager_nl/~3/qKWSnzjLeTU/</link>
         <description>Volmacht is de bevoegdheid die iemand, de volmachtgever, aan een ander, de gevolmachtigde, verleent om in zijn naam rechtshandelingen te verrichten. Een volmacht kan uitdrukkelijk of stilzwijgend worden verleend. De wettelijke bepalingen met betrekking tot volmacht zijn opgenomen in artikelen 60 tot en met 78 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek. 
Het is gebruikelijk [...]</description>
         <guid isPermaLink="false">http://dirkzwagerondernemingsrecht.nl/?p=2508</guid>
         <pubDate>Mon, 27 Feb 2012 09:00:56 +0000</pubDate>
         <content:encoded><![CDATA[<p>Volmacht is de bevoegdheid die iemand, de volmachtgever, aan een ander, de gevolmachtigde, verleent om in zijn naam rechtshandelingen te verrichten. Een volmacht kan uitdrukkelijk of stilzwijgend worden verleend. De wettelijke bepalingen met betrekking tot volmacht zijn opgenomen in artikelen 60 tot en met 78 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek. <span id="more-2508"></span></p>
<p>Het is gebruikelijk dat in de bedrijfsvoering gebruik wordt gemaakt van volmachten. Bijvoorbeeld voor personeel dat verschillende rechtshandelingen moet verrichten, bijvoorbeeld het in- of verkopen van producten ofwel het verrichten en/of in ontvangst nemen van betalingen. Het overdragen van een bevoegdheid tot het verrichten van een rechtshandeling wordt ook wel vertegenwoordiging genoemd. Het geven van een volmacht is in feite een specifieke vorm van vertegenwoordiging.</p>
<p>In beginsel is de volmachtgever, ook wel achterman genoemd, enkel gebonden aan de rechtshandeling die de gevolmachtigde namens hem heeft verricht indien de gevolmachtigde binnen de grenzen van de hem toegekende bevoegdheid is gebleven. De gevolmachtigde wordt zelf geen partij bij de rechtshandeling, dat wordt de volmachtgever.</p>
<p>Op die hoofdregel bestaan wel uitzonderingen, namelijk wanneer er sprake is van schijn van volmachtverlening. Ook wanneer de gevolmachtigde buiten zijn bevoegdheid is getreden kan de volmachtgever gebonden zijn aan de rechtshandeling. Van gebondenheid is sprake indien de wederpartij bij die rechtshandeling op grond van een verklaring of gedraging van de volmachtgever heeft aangenomen dat een toereikende volmacht was verleend &#8211; en dat onder de gegeven omstandigheden ook redelijkerwijze mocht aannemen. In dat geval kan de volmachtgever geen beroep doen op de onjuistheid van de veronderstelling van de wederpartij, hij heeft immers zelf de schijn van de aanwezigheid van een toereikende volmacht gewekt.</p>
<p>In jurisprudentie (Hoge Raad 19 februari 2010, <a rel="nofollow" target="_blank" href="http://www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=BK7671">LJN: BK7671</a>, NJ 2010/115, onlangs bevestigd in Hoge Raad 3 februari 2012 <a rel="nofollow" target="_blank" href="http://www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=BU4909">BU4909</a>, 10/02724) is bepaald dat voor het opwekken van de schijn van volmachtverlening een verklaring of gedraging van de volmachtgever, ook wel ‘toedoen’ genoemd, niet noodzakelijk is. De schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kan bijvoorbeeld ook worden gewekt omdat de volmachtgever nalaat deze weg te nemen. Ondanks dat de veronderstelde vertegenwoordiger niet bevoegd is de volmachtgever te vertegenwoordigen komt dan toch een rechtshandeling tot stand tussen de achterman en de wederpartij.</p>
<p>Handelen met een (veronderstelde) gevolmachtigde levert voor een wederpartij ook risico’s op. Als er een gebrek in de vertegenwoordigingsbevoegdheid is van de gevolmachtigde dan heeft de wederpartij wellicht een vordering uit onrechtmatige. Het is dan wel de vraag of de onbevoegde vertegenwoordiger verhaal biedt. Er is echter een mogelijkheid om voormeld risico te beperkten. Een wederpartij heeft op basis van <a rel="nofollow" target="_blank" href="http://wetten.overheid.nl/BWBR0005291/Boek3/Titel3/Artikel71">artikel 3:71 BW </a>namelijk de mogelijkheid om vast te stellen of iemand van wie hij meent – op grond van wat hij of de veronderstelde achterman zegt of juist verzwijgt, doet of nalaat – dat hij handelt voor die achterman, die bevoegdheid ook inderdaad heeft. In lid 1 van artikel 3:71 BW is vastgelegd dat de wederpartij van de gevolmachtigde bewijs mag verlangen van de hem verleende volmacht. Indien de gevolmachtigde dat bewijst niet direct (‘terstond’) overlegt mag de wederpartij de verklaring van de gevolmachtigde van de hand wijzen. Kortom, artikel 3:71 BW biedt een wederpartij de mogelijkheid de beweerde bevoegdheid van een gevolmachtigde te controleren.</p><img src="http://feeds.feedburner.com/~r/dirkzwager_nl/~4/qKWSnzjLeTU" height="1" width="1"/>]]></content:encoded>
      <feedburner:origLink>http://dirkzwagerondernemingsrecht.nl/2012/02/27/beweerde-volmacht-hoe-zit-het-ook-al-weer/</feedburner:origLink></item>
      <item>
         <title>Rechtsopvolging en dringend eigen gebruik</title>
         <link>http://feedproxy.google.com/~r/dirkzwager_nl/~3/Kvzlt6IogO8/</link>
         <description>Wanneer iemand door rechtsopvolging verhuurder is geworden van een bepaald pand, kan hij pas na drie jaar nadat de rechtsopvolging schriftelijk aan de huurder is meegedeeld, aanspraak maken op beëindiging van de huurovereenkomst wegens dringend eigen gebruik (artikel 7:274 lid 5 sub b BW). Dat betekent dat de nieuwe verhuurder erop bedacht moet zijn om [...]</description>
         <guid isPermaLink="false">http://dirkzwagervastgoed.nl/?p=1961</guid>
         <pubDate>Mon, 27 Feb 2012 09:00:18 +0000</pubDate>
         <content:encoded><![CDATA[<p>Wanneer iemand door rechtsopvolging verhuurder is geworden van een bepaald pand, kan hij pas na drie jaar nadat de rechtsopvolging schriftelijk aan de huurder is meegedeeld, aanspraak maken op beëindiging van de huurovereenkomst wegens dringend eigen gebruik (artikel 7:274 lid 5 sub b BW). Dat betekent dat de nieuwe verhuurder erop bedacht moet zijn om de huurder door middel van een schriftelijke kennisgeving van de rechtsopvolging op de hoogte te stellen om de zogenaamde ‘wachttijd’ van drie jaar ingang te doen vinden.<img title="Meer..." src="http://dirkzwageroverheid.nl/wp-includes/js/tinymce/plugins/wordpress/img/trans.gif" alt=""/><span id="more-1961"></span><br />
Overigens is niet (langer) vereist dat de kennisgeving schriftelijk geschiedt. Door de Hoge Raad is in zijn arrest van 25 januari 1991 opgemerkt dat het kennelijke doel van de eis van een schriftelijke kennisgeving van de rechtsopvolging is de huurder te beschermen tegen “onaangename verrassingen” veroorzaakt doordat (destijds) sommige verhuurders de eigendomsoverdracht laat of helemaal niet aan de huurders doorgaven. De Hoge Raad meent dat van een dergelijke verrassing niet kan worden gesproken wanneer de huurder mondeling van de rechtsopvolging op de hoogte is gebracht. Zodoende moet het ervoor worden gehouden dat ook een mondelinge kennisgeving van rechtsopvolging voldoende is. Gelet op de bewijsbaarheid van deze mondelinge mededeling verdient een schriftelijke mededeling echter wel de voorkeur (zie over de inhoud van zulk een mededeling onder meer het <a rel="nofollow" target="_blank" href="http://dirkzwagervastgoed.nl/2011/11/09/duidelijke-schriftelijke-mededeling-van-een-overdracht-van-een-verhuurde-woning-essentieel-voor-een-huuropzegging-na-drie-jaar/">artikel</a> van mijn collega, mr. Ronny Saedt).</p>
<p>In de zaak die aanleiding gaf tot het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (<a rel="nofollow" target="_blank" href="http://www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=BV5476"><em>LJN: </em>BV5476</a>) van 14 februari 2012 was eveneens sprake van een rechtsopvolging van de verhuurder door nieuwe verhuurders. De nieuwe verhuurders gingen vervolgens over tot opzegging van de huurovereenkomst wegens dringend eigen gebruik. In eerste aanleg werd door de kantonrechter deze vordering afgewezen en, overeenkomstig het bepaalde in artikel 7:273 lid 2 BW, de overeenkomst verlengd.</p>
<p>Het gerechtshof heeft in zijn uitspraak duidelijk aangegeven wat het toetsingskader is voor een (kanton)rechter aan wie een vordering tot beëindiging van de huurovereenkomst is voorgelegd door een rechtsopvolger van de oorspronkelijke verhuurder.</p>
<p>De rechter dient zich in eerste instantie uit te laten over de vraag of voldaan is aan de driejaarstermijn van artikel 7:274 lid 5 sub b BW.</p>
<p>Wanneer de kantonrechter vaststelt dat deze termijn is voltooid, komt de kantonrechter aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep op dringend eigen gebruik toe en dient hij, wanneer hij dit beroep afwijst, een beslissing te nemen over de duur van de verlenging van de huurovereenkomst als bedoeld in artikel 7:273 lid 2 BW.<br />
Indien de kantonrechter vaststelt dat de driejaarstermijn van artikel 7:274 lid 5 sub b BW nog niet is voltooid, komt hij niet toe aan een inhoudelijke toetsing van het gestelde dringend eigen gebruik en komt hij dus ook niet toe aan een vaststelling van de duur van de verlenging van de huurovereenkomst als bedoeld in artikel 7:273 lid 2 BW.</p>
<p>Gelet op het bepaalde in artikel 7:277 lid 2 BW, is het onderscheid tussen de toetsingscriteria van groot belang omdat de verhuurder, indien de rechter de overeenkomst voor onbepaalde tijd heeft verlengd, de huurovereenkomst pas na drie jaar nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, opnieuw kan opzeggen. Indien de rechter de overeenkomst voor bepaalde tijd heeft verlengd, kan de verhuurder de overeenkomst niet eerder opzeggen dan drie maanden voor het einde van de tijd tot waartoe is verlengd.</p>
<p>De uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch is exemplarisch voor het belang van een strikte toepassing van de structuur van toetsing door de kantonrechter. Ook laat deze uitspraak goed zien hoe belangrijk het is dat de kennisgeving van rechtsopvolging aan de huurders kan worden bewezen.</p><img src="http://feeds.feedburner.com/~r/dirkzwager_nl/~4/Kvzlt6IogO8" height="1" width="1"/>]]></content:encoded>
      <feedburner:origLink>http://dirkzwagervastgoed.nl/2012/02/27/rechtsopvolging-en-dringend-eigen-gebruik/</feedburner:origLink></item>
      <item>
         <title>Rechtsopvolging en dringend eigen gebruik</title>
         <link>http://feedproxy.google.com/~r/dirkzwager_nl/~3/rDNI8dGRIyk/</link>
         <description>Wanneer iemand door rechtsopvolging verhuurder is geworden van een bepaald pand, kan hij pas na drie jaar nadat de rechtsopvolging schriftelijk aan de huurder is meegedeeld, aanspraak maken op beëindiging van de huurovereenkomst wegens dringend eigen gebruik (artikel 7:274 lid 5 sub b BW). Dat betekent dat de nieuwe verhuurder erop bedacht moet zijn om [...]</description>
         <guid isPermaLink="false">http://dirkzwageroverheid.nl/?p=2922</guid>
         <pubDate>Mon, 27 Feb 2012 07:00:11 +0000</pubDate>
         <content:encoded><![CDATA[<p>Wanneer iemand door rechtsopvolging verhuurder is geworden van een bepaald pand, kan hij pas na drie jaar nadat de rechtsopvolging schriftelijk aan de huurder is meegedeeld, aanspraak maken op beëindiging van de huurovereenkomst wegens dringend eigen gebruik (artikel 7:274 lid 5 sub b BW). Dat betekent dat de nieuwe verhuurder erop bedacht moet zijn om de huurder door middel van een schriftelijke kennisgeving van de rechtsopvolging op de hoogte te stellen om de zogenaamde ‘wachttijd’ van drie jaar ingang te doen vinden.<span id="more-2922"></span><br />
Overigens is niet (langer) vereist dat de kennisgeving schriftelijk geschiedt. Door de Hoge Raad is in zijn arrest van 25 januari 1991 opgemerkt dat het kennelijke doel van de eis van een schriftelijke kennisgeving van de rechtsopvolging is de huurder te beschermen tegen “onaangename verrassingen” veroorzaakt doordat (destijds) sommige verhuurders de eigendomsoverdracht laat of helemaal niet aan de huurders doorgaven. De Hoge Raad meent dat van een dergelijke verrassing niet kan worden gesproken wanneer de huurder mondeling van de rechtsopvolging op de hoogte is gebracht. Zodoende moet het ervoor worden gehouden dat ook een mondelinge kennisgeving van rechtsopvolging voldoende is. Gelet op de bewijsbaarheid van deze mondelinge mededeling verdient een schriftelijke mededeling echter wel de voorkeur (zie over de inhoud van zulk een mededeling onder meer het <a rel="nofollow" target="_blank" href="http://dirkzwageroverheid.nl/2011/11/09/duidelijke-schriftelijke-mededeling-van-een-overdracht-van-een-verhuurde-woning-essentieel-voor-een-huuropzegging-na-drie-jaar/">artikel</a> van mijn collega, mr. Ronny Saedt).</p>
<p>In de zaak die aanleiding gaf tot het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (<a rel="nofollow" target="_blank" href="http://www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=BV5476"><em>LJN: </em>BV5476</a>) van 14 februari 2012 was eveneens sprake van een rechtsopvolging van de verhuurder door nieuwe verhuurders. De nieuwe verhuurders gingen vervolgens over tot opzegging van de huurovereenkomst wegens dringend eigen gebruik. In eerste aanleg werd door de kantonrechter deze vordering afgewezen en, overeenkomstig het bepaalde in artikel 7:273 lid 2 BW, de overeenkomst verlengd.</p>
<p>Het gerechtshof heeft in zijn uitspraak duidelijk aangegeven wat het toetsingskader is voor een (kanton)rechter aan wie een vordering tot beëindiging van de huurovereenkomst is voorgelegd door een rechtsopvolger van de oorspronkelijke verhuurder.</p>
<p>De rechter dient zich in eerste instantie uit te laten over de vraag of voldaan is aan de driejaarstermijn van artikel 7:274 lid 5 sub b BW.</p>
<p>Wanneer de kantonrechter vaststelt dat deze termijn is voltooid, komt de kantonrechter aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep op dringend eigen gebruik toe en dient hij, wanneer hij dit beroep afwijst, een beslissing te nemen over de duur van de verlenging van de huurovereenkomst als bedoeld in artikel 7:273 lid 2 BW.<br />
Indien de kantonrechter vaststelt dat de driejaarstermijn van artikel 7:274 lid 5 sub b BW nog niet is voltooid, komt hij niet toe aan een inhoudelijke toetsing van het gestelde dringend eigen gebruik en komt hij dus ook niet toe aan een vaststelling van de duur van de verlenging van de huurovereenkomst als bedoeld in artikel 7:273 lid 2 BW.</p>
<p>Gelet op het bepaalde in artikel 7:277 lid 2 BW, is het onderscheid tussen de toetsingscriteria van groot belang omdat de verhuurder, indien de rechter de overeenkomst voor onbepaalde tijd heeft verlengd, de huurovereenkomst pas na drie jaar nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, opnieuw kan opzeggen. Indien de rechter de overeenkomst voor bepaalde tijd heeft verlengd, kan de verhuurder de overeenkomst niet eerder opzeggen dan drie maanden voor het einde van de tijd tot waartoe is verlengd.</p>
<p>De uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch is exemplarisch voor het belang van een strikte toepassing van de structuur van toetsing door de kantonrechter. Ook laat deze uitspraak goed zien hoe belangrijk het is dat de kennisgeving van rechtsopvolging aan de huurders kan worden bewezen.</p><img src="http://feeds.feedburner.com/~r/dirkzwager_nl/~4/rDNI8dGRIyk" height="1" width="1"/>]]></content:encoded>
      <feedburner:origLink>http://dirkzwageroverheid.nl/2012/02/27/rechtsopvolging-en-dringend-eigen-gebruik-2/</feedburner:origLink></item>
      <item>
         <title>Huisrecht kraker 3</title>
         <link>http://feedproxy.google.com/~r/dirkzwager_nl/~3/IjcQS3wFOZ4/</link>
         <description>In navolging van de uitspraken van de Hoge Raad van 28 oktober 2011 en de uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 oktober 2011, is door de rechtbank Amsterdam op 26 januari 2012 in kort geding een vonnis gewezen aangaande de kraak van het gebouw dat bekend staat als het Groot Laboratorium van Shell.
Zoals volgt uit [...]</description>
         <guid isPermaLink="false">http://dirkzwagervastgoed.nl/?p=1958</guid>
         <pubDate>Fri, 24 Feb 2012 12:24:21 +0000</pubDate>
         <content:encoded><![CDATA[<p>In navolging van de uitspraken van de Hoge Raad van 28 oktober 2011 en de uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 oktober 2011, is door de rechtbank Amsterdam op 26 januari 2012 in kort geding een vonnis gewezen aangaande de kraak van het gebouw dat bekend staat als het Groot Laboratorium van Shell.<img title="Meer..." src="http://dirkzwageroverheid.nl/wp-includes/js/tinymce/plugins/wordpress/img/trans.gif" alt=""/><span id="more-1958"></span></p>
<p>Zoals volgt uit de hiervoor aangehaalde uitspraken (zie ook mijn artikelen <a rel="nofollow" target="_blank" href="http://dirkzwageroverheid.nl/2011/11/22/huisrecht-kraker/">Huisrecht kraker</a> en <a rel="nofollow" target="_blank" href="http://dirkzwageroverheid.nl/2011/12/02/huisrecht-kraker-2/">Huisrecht kraker 2</a>) wordt het juridisch kader van de strafrechtelijke ontruiming mede bepaald door het huisrecht van de kraker(s) (zie artikel 8 EVRM). Het College van Procureurs-Generaal (OM) heeft over de toepassing van de bevoegdheid om tot strafrechtelijke ontruiming als bedoeld in artikel 551a van het Wetboek van Strafvordering, over te gaan dan ook (inmiddels) beleidsregels geformuleerd.</p>
<p>De bescherming van het huisrecht van de kraker brengt met zich mee dat een strafrechtelijke ontruiming op een zodanige termijn dient te worden aangekondigd dat er voldoende gelegenheid voor de krakers bestaat om een kort geding aanhangig te maken om de proportionaliteit van de ontruiming door een rechter te laten beoordelen. Indien er een kort geding aanhangig wordt gemaakt, mag in beginsel nog niet tot ontruiming worden overgegaan voordat de voorzieningenrechter in eerste aanleg uitspraak heeft gedaan. Slechts bij hoge uitzondering kan worden ontruimd voordat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan, zoals wanneer de openbare veiligheid zodanig onverwijlde ontruiming eist dat zelfs de uitspraak van de voorzieningenrechter niet kan worden afgewacht. In de beleidsregels van het OM wordt ook voorzien in deze mogelijkheid.</p>
<p>De voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam acht in de uitspraak van 26 januari 2012 (<a rel="nofollow" target="_blank" href="http://www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=BV6165"><em>LJN</em>: BV6165</a>) bijzondere omstandigheden aanwezig om een uitzondering te maken op de hoofdregel van de beleidsregels dat strafrechtelijke ontruimingen tussen één en acht weken van tevoren aan de kraker(s) zullen worden aangekondigd.</p>
<p>Uit de feiten van deze zaak volgt dat er vernielingen hadden plaatsgevonden aan de (glas in lood) ramen van het pand, dat er koper werd gestolen, dat er bedreigingen plaatsvonden van bezoekers aan het Shell-gebouw en ook overigens veel vernielingen in het pand plaatsvonden. Ook is door de politie Amsterdam-Amstelland opgetekend dat het pand alles in zich heeft om een vrijplaats te worden en als slaapplaats dient voor sujetten van allerlei allooi.</p>
<p>Gelet daarop is in afwijking van de hoofdregel in de beleidsregel de strafrechtelijke ontruiming niet op een termijn van tussen de één en acht weken, maar op een termijn van twee dagen aan de krakers aangekondigd.<br />
De krakers stellen daarom dat de ontruiming in strijd is met artikel 8 EVRM en het ontruimingsbeleid omdat de aangekondigde ontruiming hen onvoldoende tijd geeft om de voorgenomen strafrechtelijke ontruiming effectief en deugdelijk te laten toetsen door een rechter.</p>
<p>De voorzieningenrechter acht aannemelijk dat er in het Groot Laboratorium aanzienlijke vernielingen zijn aangericht bestaande uit diefstal van het in het pand aanwezige koper en vernieling van onderdelen van de in dat pand aanwezige (glas in lood) ramen. Ook stelt de voorzieningenrechter vast dat de Staat zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat er in het Groot Laboratorium ook andere strafbare feiten plaatsvinden, ten gevolge waarvan de rechthebbende op het pand (de gemeente) ernstig wordt getroffen. De voorzieningrechter is zodoende van oordeel dat zich in het onderhavige geval bijzondere omstandigheden voordoen die een afwijking van de hoofdregel rechtvaardigen, welke afwijking door diezelfde beleidsregels ook wordt mogelijk gemaakt. Nu de beleidsregels deze afwijking dus mogelijk maken is volgens de voorzieningenrechter <em>“[…] in het onderhavige geval ook met de aankondiging van de ontruiming op een termijn van twee dagen sprake [is] van een “bij wet voorzien (e)” wijze van inmenging in het woonrecht van de krakers.”</em></p>
<p>De korte termijn waarop de ontruiming is aangekondigd is daarmee op voorhand niet in strijd met artikel 8 EVRM.</p><img src="http://feeds.feedburner.com/~r/dirkzwager_nl/~4/IjcQS3wFOZ4" height="1" width="1"/>]]></content:encoded>
      <feedburner:origLink>http://dirkzwagervastgoed.nl/2012/02/24/huisrecht-kraker-3/</feedburner:origLink></item>
      <item>
         <title>Huisrecht kraker 3</title>
         <link>http://feedproxy.google.com/~r/dirkzwager_nl/~3/uW3nb09znBI/</link>
         <description>In navolging van de uitspraken van de Hoge Raad van 28 oktober 2011 en de uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 oktober 2011, is door de rechtbank Amsterdam op 26 januari 2012 in kort geding een vonnis gewezen aangaande de kraak van het gebouw dat bekend staat als het Groot Laboratorium van Shell.
Zoals volgt uit [...]</description>
         <guid isPermaLink="false">http://dirkzwageroverheid.nl/?p=2915</guid>
         <pubDate>Fri, 24 Feb 2012 09:20:11 +0000</pubDate>
         <content:encoded><![CDATA[<p>In navolging van de uitspraken van de Hoge Raad van 28 oktober 2011 en de uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 oktober 2011, is door de rechtbank Amsterdam op 26 januari 2012 in kort geding een vonnis gewezen aangaande de kraak van het gebouw dat bekend staat als het Groot Laboratorium van Shell.<span id="more-2915"></span></p>
<p>Zoals volgt uit de hiervoor aangehaalde uitspraken (zie ook mijn artikelen <a rel="nofollow" target="_blank" href="http://dirkzwageroverheid.nl/2011/11/22/huisrecht-kraker/">Huisrecht kraker</a> en <a rel="nofollow" target="_blank" href="http://dirkzwageroverheid.nl/2011/12/02/huisrecht-kraker-2/">Huisrecht kraker 2</a>) wordt het juridisch kader van de strafrechtelijke ontruiming mede bepaald door het huisrecht van de kraker(s) (zie artikel 8 EVRM). Het College van Procureurs-Generaal (OM) heeft over de toepassing van de bevoegdheid om tot strafrechtelijke ontruiming als bedoeld in artikel 551a van het Wetboek van Strafvordering, over te gaan dan ook (inmiddels) beleidsregels geformuleerd.</p>
<p>De bescherming van het huisrecht van de kraker brengt met zich mee dat een strafrechtelijke ontruiming op een zodanige termijn dient te worden aangekondigd dat er voldoende gelegenheid voor de krakers bestaat om een kort geding aanhangig te maken om de proportionaliteit van de ontruiming door een rechter te laten beoordelen. Indien er een kort geding aanhangig wordt gemaakt, mag in beginsel nog niet tot ontruiming worden overgegaan voordat de voorzieningenrechter in eerste aanleg uitspraak heeft gedaan. Slechts bij hoge uitzondering kan worden ontruimd voordat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan, zoals wanneer de openbare veiligheid zodanig onverwijlde ontruiming eist dat zelfs de uitspraak van de voorzieningenrechter niet kan worden afgewacht. In de beleidsregels van het OM wordt ook voorzien in deze mogelijkheid.</p>
<p>De voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam acht in de uitspraak van 26 januari 2012 (<a rel="nofollow" target="_blank" href="http://www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=BV6165"><em>LJN</em>: BV6165</a>) bijzondere omstandigheden aanwezig om een uitzondering te maken op de hoofdregel van de beleidsregels dat strafrechtelijke ontruimingen tussen één en acht weken van tevoren aan de kraker(s) zullen worden aangekondigd.</p>
<p>Uit de feiten van deze zaak volgt dat er vernielingen hadden plaatsgevonden aan de (glas in lood) ramen van het pand, dat er koper werd gestolen, dat er bedreigingen plaatsvonden van bezoekers aan het Shell-gebouw en ook overigens veel vernielingen in het pand plaatsvonden. Ook is door de politie Amsterdam-Amstelland opgetekend dat het pand alles in zich heeft om een vrijplaats te worden en als slaapplaats dient voor sujetten van allerlei allooi.</p>
<p>Gelet daarop is in afwijking van de hoofdregel in de beleidsregel de strafrechtelijke ontruiming niet op een termijn van tussen de één en acht weken, maar op een termijn van twee dagen aan de krakers aangekondigd.<br />
De krakers stellen daarom dat de ontruiming in strijd is met artikel 8 EVRM en het ontruimingsbeleid omdat de aangekondigde ontruiming hen onvoldoende tijd geeft om de voorgenomen strafrechtelijke ontruiming effectief en deugdelijk te laten toetsen door een rechter.</p>
<p>De voorzieningenrechter acht aannemelijk dat er in het Groot Laboratorium aanzienlijke vernielingen zijn aangericht bestaande uit diefstal van het in het pand aanwezige koper en vernieling van onderdelen van de in dat pand aanwezige (glas in lood) ramen. Ook stelt de voorzieningenrechter vast dat de Staat zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat er in het Groot Laboratorium ook andere strafbare feiten plaatsvinden, ten gevolge waarvan de rechthebbende op het pand (de gemeente) ernstig wordt getroffen. De voorzieningrechter is zodoende van oordeel dat zich in het onderhavige geval bijzondere omstandigheden voordoen die een afwijking van de hoofdregel rechtvaardigen, welke afwijking door diezelfde beleidsregels ook wordt mogelijk gemaakt. Nu de beleidsregels deze afwijking dus mogelijk maken is volgens de voorzieningenrechter <em>“[…] in het onderhavige geval ook met de aankondiging van de ontruiming op een termijn van twee dagen sprake [is] van een “bij wet voorzien (e)” wijze van inmenging in het woonrecht van de krakers.”</em></p>
<p>De korte termijn waarop de ontruiming is aangekondigd is daarmee op voorhand niet in strijd met artikel 8 EVRM.</p><img src="http://feeds.feedburner.com/~r/dirkzwager_nl/~4/uW3nb09znBI" height="1" width="1"/>]]></content:encoded>
      <feedburner:origLink>http://dirkzwageroverheid.nl/2012/02/24/huisrecht-kraker-3/</feedburner:origLink></item>
      <item>
         <title>Nieuwe regels collectief ontslag per 1 maart a.s. in werking</title>
         <link>http://feedproxy.google.com/~r/dirkzwager_nl/~3/vR0-F4yIbaY/</link>
         <description>Per 1 maart 2012 wijzigt de Wet melding collectief ontslag (WMCO). De wijzigingen van de WMCO zijn bij wet van 17 november 2011 aangenomen en zullen per 1 maart 2012 in werking treden.  De belangrijkste wijziging is dat beëindigingen met wederzijds goedvinden (middels een vaststellingsovereenkomst) ook onder de WMCO gaan vallen, als gevolg waarvan de [...]</description>
         <guid isPermaLink="false">http://dirkzwagerarbeidsrecht.nl/?p=1440</guid>
         <pubDate>Thu, 23 Feb 2012 12:56:25 +0000</pubDate>
         <content:encoded><![CDATA[<p>Per 1 maart 2012 wijzigt de Wet melding collectief ontslag (WMCO). De wijzigingen van de WMCO zijn bij <a rel="nofollow" target="_blank" href="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-2011-597.html">wet van 17 november 2011</a> aangenomen en zullen per 1 maart 2012 in werking treden.  De belangrijkste wijziging is dat beëindigingen met wederzijds goedvinden (middels een vaststellingsovereenkomst) ook onder de WMCO gaan vallen, als gevolg waarvan de werkgever eerder toekomt aan de meldingsplicht en tijdige raadpleging van de vakbonden. <span id="more-1440"></span></p>
<p>Tot 1 maart 2012 geldt de meldingsplicht alleen voor opzeggingen na toestemming van het UWV WERKbedrijf of ontbinding door de kantonrechter. Vanaf 1 maart a.s. worden dus ook beëindigingsovereenkomsten worden meegenomen ter bepaling of binnen drie maanden 20 of meer arbeidsovereenkomsten wegens bedrijfseconomische redenen worden beëindigd. Echter, de nieuwe wet bevat meer wijzigingen. Graag verwijs ik hiervoor naar mijn <a rel="nofollow" target="_blank" href="http://dirkzwagerarbeidsrecht.nl/2011/12/02/wetsvoorstel-wijziging-van-de-wet-melding-collectief-ontslag/">artikel van 2 december 2011</a>.</p><img src="http://feeds.feedburner.com/~r/dirkzwager_nl/~4/vR0-F4yIbaY" height="1" width="1"/>]]></content:encoded>
      <feedburner:origLink>http://dirkzwagerarbeidsrecht.nl/2012/02/23/nieuwe-regels-collectief-ontslag-per-1-maart-as-in-werking/</feedburner:origLink></item>
      <item>
         <title>De dringende reden in het ambtenarenrecht</title>
         <link>http://feedproxy.google.com/~r/dirkzwager_nl/~3/DY9snwsX288/</link>
         <description>Artikel 24 van de Werkloosheidswet (WW) is per 1 oktober 2006 ingrijpend gewijzigd. Kort gezegd heeft iemand in beginsel aanspraak op een WW-uitkering, tenzij (a) sprake is van een dringende reden waarvan de werknemer een verwijt valt te maken, of (b) indien het initiatief voor de beëindiging bij de werknemer lag terwijl aan de voortzetting [...]</description>
         <guid isPermaLink="false">http://dirkzwagerarbeidsrecht.nl/?p=1437</guid>
         <pubDate>Thu, 23 Feb 2012 11:08:34 +0000</pubDate>
         <content:encoded><![CDATA[<p>Artikel 24 van de Werkloosheidswet (WW) is per 1 oktober 2006 ingrijpend gewijzigd. Kort gezegd heeft iemand in beginsel aanspraak op een WW-uitkering, tenzij (a) sprake is van een dringende reden waarvan de werknemer een verwijt valt te maken, of (b) indien het initiatief voor de beëindiging bij de werknemer lag terwijl aan de voortzetting ervan niet zodanige bezwaren waren verbonden dat de voortzetting redelijkerwijs niet van de werknemer kon worden gevergd. In onderstaande bijdrage gaan wij nader in op deze eerstgenoemde grond, de zogenaamde a-grond.<span id="more-1437"></span></p>
<p>Het ambtenarenrecht kent het begrip ‘dringende reden’ niet. Vergelijkbaar aan het civielrechtelijke ontslag op staande voet, kan een ambtenaar weliswaar strafontslag worden verleend, maar dit ontslag kent zo zijn eigen ‘spelregels’. Zo is vereist dat sprake is van zeer ernstig plichtsverzuim en dus niet van een dringende reden, al zal de invulling van beide begrippen in de praktijk vaak overeenstemmen. </p>
<p>Dus hoe moet nu een verleend (straf)ontslag worden ‘gewogen’ in het kader van een WW-aanvraag door de betrokken ambtenaar? Hierbij is het goed te realiseren dat de overheidswerkgever eigenrisicodrager is voor de WW, in die zin dat het UWV verhaal pleegt op de overheidswerkgever tot wie de dienstbetrekking stond uit hoofde waarvan de overheidswerknemer de werkloosheidsuitkering ontvangt (artikel 79 WW).</p>
<p>De Centrale Raad van Beroep heeft begin 2009 (zie onder andere LJN: <a rel="nofollow" target="_blank" href="http://www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=BH2387">BH2387</a>) bepaald dat ook in het ambtenarenrecht gewerkt moet worden met het civielrechtelijke begrip dringende reden. Daarnaast oordeelt de Raad dat voor de beoordeling van de a-grond de inhoudelijke ontslaggrond bepalend is en niet de gekozen ontslagroute. Kort en goed: met het verlenen van een strafontslag ben je er niet. Het verweten plichtsverzuim dient ook een dringende reden op te leveren. Van een dringende reden is sprake als het  verweten feit kwalificeert als een dringende reden (vergelijk artikel 7:678 BW): de zogenaamde objectiviteit van de dringende reden. Daarnaast moet voldaan zijn aan de overige relevante maatstaven, te weten de zogenaamde subjectiviteit van de dringende reden. Schoolvoorbeelden hiervan zijn de persoonlijke omstandigheden van de betrokkene, de wijze waarop invulling wordt gegeven aan het dienstverband,  in hoeverre de verweten gedraging hiermee verband houdt en de gevolgen van een ontslag (op staande voet).</p>
<p>Recentelijk speelde een tweetal zaken bij de Raad waarin nader ingegaan wordt op de inhoudelijke ontslaggrond c.q. de dringende reden. In beide situaties werd de ambtenaar een verwijt gemaakt van de ontstane situatie. In de uitspraak van 15 juni 2011 (LJN: <a rel="nofollow" target="_blank" href="http://www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=BQ8713">BQ8713</a>) overweegt de Raad dat niet perse een strafontslag hoeft te worden verleend, wil sprake zijn van verwijtbare werkloosheid. Ook in de situatie dat geen strafontslag wordt verleend, kan dus wel sprake zijn van verwijtbare werkloosheid. In de uitspraak van 22 juni 2011 (LJN: <a rel="nofollow" target="_blank" href="http://www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=BQ9528">BQ9528</a>) was ook geen strafontslag verleend, maar hield het ontslag wel rechtstreeks verband met het feit dat een politieambtenaar zijn partner langere tijd stelselmatig had mishandeld. Toen dit feit aan het licht kwam eind 2008 is de ambtenaar geschorst. Begin 2009 volgde een strafrechtelijke veroordeling, waarna de ambtenaar bij besluit van 25 juni 2009 werd ontslagen per 1 oktober 2009. Omdat tussen het moment dat de verweten gedraging(en) aan het licht kwam(en) en het ontslag bijna een jaar ligt, komt de Raad (evenals in de eerdere hiervoor kort aangehaalde uitspraak) tot het oordeel dat niet voldaan wordt aan de subjectieve dringendheid. De werkgever had ‘onverwijld’ actie moeten ondernemen om de ambtenaar op de kortst mogelijke termijn te ontslaan. Weliswaar wordt de werkgever enige tijd gegund voor zorgvuldig onderzoek alvorens definitieve rechtspositionele maatregelen moeten worden genomen, maar een talmen / stilzitten als in onderhavige zaak is gebeurd, wordt niet geaccepteerd.</p>
<p>Zoals in de literatuur ook al aangehaald, wordt uit de twee uitspraken duidelijk dat een overheidswerkgever, wil hij voorkomen dat de ambtenaar een aanspraak kan maken op een WW-uitkering (die voor zijn rekening komt), voortvarend te werk moet gaan, zodat eveneens wordt voldaan aan de subjectiviteit van de dringende reden.</p><img src="http://feeds.feedburner.com/~r/dirkzwager_nl/~4/DY9snwsX288" height="1" width="1"/>]]></content:encoded>
      <feedburner:origLink>http://dirkzwagerarbeidsrecht.nl/2012/02/23/de-dringende-reden-in-het-ambtenarenrecht/</feedburner:origLink></item>
      <item>
         <title>Aanbestedingswet aangenomen door Tweede Kamer</title>
         <link>http://feedproxy.google.com/~r/dirkzwager_nl/~3/OkPDd4j8Mac/</link>
         <description>De Tweede Kamer heeft op dinsdag 14 februari het wetsvoorstel Aanbestedingswet aangenomen.
Het wetsvoorstel is op 14 februari tevens aangeboden aan de Eerste Kamer. Nadat ook de Eerste Kamer het wetsvoorstel heeft aangenomen, kan de wet ingevoerd worden. Het vorige wetsvoorstel strandde echter in de Eerste Kamer, vanwege onder meer de onoverzichtelijke structuur door de vele [...]</description>
         <guid isPermaLink="false">http://dirkzwageroverheid.nl/?p=2910</guid>
         <pubDate>Thu, 23 Feb 2012 09:19:08 +0000</pubDate>
         <content:encoded><![CDATA[<p>De Tweede Kamer heeft op dinsdag 14 februari het wetsvoorstel Aanbestedingswet aangenomen.<span id="more-2910"></span></p>
<p>Het wetsvoorstel is op 14 februari tevens aangeboden aan de Eerste Kamer. Nadat ook de Eerste Kamer het wetsvoorstel heeft aangenomen, kan de wet ingevoerd worden. Het vorige wetsvoorstel strandde echter in de Eerste Kamer, vanwege onder meer de onoverzichtelijke structuur door de vele onderliggende AMvB’s.</p>
<p>De op handen zijnde wijziging van de Europese aanbestedingsrichtlijnen is (nog) niet in het wetvoorstel opgenomen. Dit gebeurt (wellicht) op een later tijdstip via een wijziging van de Aanbestedingswet. In mijn artikel <a rel="nofollow" target="_blank" href="http://dirkzwageroverheid.nl/2012/01/20/herziening-aanbestedingsrichtlijnen-zet-invoering-aanbestedingswet-onder-druk/">“Herziening aanbestedingsrichtlijnen zet invoering aanbestedingswet onder druk”</a> heb ik hier reeds aandacht aan besteed.</p>
<p>Mr. Tom Oudenhoven aanbestedingsadvocaat, vakgroep aanbestedingsrecht</p><img src="http://feeds.feedburner.com/~r/dirkzwager_nl/~4/OkPDd4j8Mac" height="1" width="1"/>]]></content:encoded>
      <feedburner:origLink>http://dirkzwageroverheid.nl/2012/02/23/aanbestedingswet-aangenomen-door-tweede-kamer/</feedburner:origLink></item>
      <item>
         <title>Hoge Raad: wanprestatie bij IT-overeenkomst leidt ook tot ontbinding samenhangende financieringsovereenkomst</title>
         <link>http://feedproxy.google.com/~r/dirkzwager_nl/~3/Uf1LXSxjNIE/</link>
         <description>Investeren in IT (software of hardware) kan een dure aangelegenheid zijn. Het is dan ook niet verwonderlijk dat ter financiering van dergelijke investeringen vaak financieringsovereenkomsten worden gesloten. Vaak worden die contracten gesloten met een aparte vennootschap (dochter-, of zustervennootschap) van de IT-dienstverlener. Wat nu als de dienstverlener zijn verplichtingen niet nakomt, kun je dan ook de financieringsovereenkomst ontbinden? In een recente uitspraak van de Hoge Raad (20 januari 2012, LJN: BU3162 [1]) wordt nogmaals onderstreept dat dit inderdaad kan, mits er maar voldoende samenhang bestaat tussen de financieringsovereenkomst en de dienstverleningsovereenkomst.  Dit wil echter niet zeggen dat de financier dan ook opdraait voor de schade uit de wanprestatie.

Wat was er aan de hand?
Foto Noort heeft met Agfa Europe (hierna: “Agfa”) een huurkoopovereenkomst gesloten met betrekking tot een minilab (een apparaat). Op grond van die overeenkomst had Foto Noort recht op vijf jaar garantie en service. Tegelijk met het afsluiten van deze overeenkomst sluit Foto Noort met Agfa Finance (een zuster- of dochtervennootschap van Agfa, hierna “Finance”) een financial leaseovereenkomst voor de financiering van dat minilab. Zoals zo vaak gebeurt in dit soort gevallen komt die overeenkomst tot stand via Agfa. Foto Noort en Agfa Finance hebben elkaar nooit gesproken.

Op enig moment gaat (de rechtsopvolger van) Agfa failliet, maar Finance niet. De curator van Agfa laat aan Foto Noort weten dat Agfa haar activiteiten staakt en dat de service en andere werkzaamheden niet zullen worden gecontinueerd. Kort daarop bericht Foto Noort aan Finance dat zij de betaling van de leasetermijnen aan Finance staakt.

Een kleine anderhalf jaar later beëindigt Finance de financieringsovereenkomst en vordert zij in deze procedure betaling van de onbetaald gebleven leasetermijnen ter hoogte van ruim 130.000 euro, alsmede afgifte van het minilab op straffe van een dwangsom. Foto Noort vordert op haar beurt een vaststelling door de rechter van het feit dat de financieringsovereenkomst is ontbonden, althans dat deze overeenkomst alsnog wordt ontbonden door de rechter en veroordeling van Finance tot betaling van de door Foto Noort geleden schade als gevolg van de tekortkoming door Agfa. Opvallend hierbij is dat Foto Noort niet de ontbinding heeft gevorderd van de huurkoopovereenkomst, maar alleen de ontbinding van de financieringsovereenkomst.

Centrale vraag
Rechtvaardigt de tekortkoming uit de huurkoopovereenkomst (niet continueren van onderhoud en servicediensten) ook de ontbinding van de financieringsovereenkomst? Ja, zegt de Hoge Raad. Dit mag: “gelet op de nauwe feitelijk economische samenhang tussen de huurkoopovereenkomst en de financieringsovereenkomst, [waardoor, EJP] de tekortkoming in de huurkoopovereenkomst naar redelijkheid en billijkheid de door Foto Noort c.s. gevorderde ontbinding van de financieringsovereenkomst rechtvaardigt, ook al is de ontbinding van de huurkoopovereenkomst niet nadrukkelijk mede gevorderd.”

Dit is op zich niet geheel nieuw. De Hoge Raad heeft in 1998 ook al soortgelijk geoordeeld (HR 23 januari 1998, LJN ZC2555), maar die lijn wordt hier dus nogmaals bevestigd, zei het dat de Hoge Raad hier ook oordelen dat het niet uitmaakt dat er geen vordering was ingesteld om de huurkoopovereenkomst te ontbinden. Dit was weliswaar niet uitdrukkelijk gevorderd, maar lag wel besloten in de stellingen van Foto Noort “zodat de door hen ingevolge deze overeenkomst ontvangen prestatie ongedaan moet worden gemaakt.” De Hoge Raad lijkt er dus vanuit te gaan dat de huurovereenkomst is ontbonden.

Draait Finance dan ook op voor de geleden schade?
Nee. Dat dan weer niet. De Hoge Raad oordeelt namelijk met betrekking tot de schadevergoedingsclaim dat het niet zo is (waar het gerechtshof eerder wel vanuit was gegaan) dat de nauwe verbondenheid tussen de huurkoopovereenkomst en de financieringsovereenkomst ook meebrengt dat Finance aansprakelijk is voor de schade die het gevolg is van de wanprestatie van Agfa onder de huurkoopovereenkomst.

Dit laatste gaat volgens de Hoge Raad te ver en dat is naar mijn oordeel ook wel goed te begrijpen. Aan de ene kant zou het wel erg onredelijk zijn als de afnemer moet blijven betalen voor een apparaat waar hij geen gebruik meer van kan maken door een tekortkoming van zijn leverancier. Aan de andere kant gaat het ook wel weer erg ver om de financier op te laten draaien voor de schade die de afnemer lijdt als gevolg van de tekortkomingen van de ander. Desalniettemin is het verstandig om in dit soort constructies goede afspraken te maken over de relatie tussen de verschillende overeenkomsten.

[1] http://zoeken.rechtspraak.nl/detailpage.aspx?ljn=BU3162&lt;img src="http://feeds.feedburner.com/~r/DirkzwagerAdvocatenIntellectueleEigendomenIT-recht/~4/zCCCRhHkXOs" height="1" width="1"/&gt;&lt;img src="http://feeds.feedburner.com/~r/dirkzwager_nl/~4/Uf1LXSxjNIE" height="1" width="1"/&gt;</description>
         <guid isPermaLink="false">http://dirkzwagerieit.nl/?p=8994</guid>
         <pubDate>Thu, 23 Feb 2012 07:18:59 +0000</pubDate>
      <feedburner:origLink>http://feedproxy.google.com/~r/DirkzwagerAdvocatenIntellectueleEigendomenIT-recht/~3/zCCCRhHkXOs/</feedburner:origLink></item>
      <item>
         <title>Hoefbevangenheid dressuurpaard niet te wijten aan op veiling verkopende bank</title>
         <link>http://feedproxy.google.com/~r/dirkzwager_nl/~3/xQCS4okwA1A/</link>
         <description>Eind augustus 2005 heeft de ING bank een paard, Poëtin, dat aan haar verpand was ter zekerheid van een verleend krediet, in beslaggenomen om vervolgens enkele dagen later op een veiling te verkopen. Ruim drie maanden later, op 13 december 2005, is het paard wegens een ernstige hoefbevangenheid afgemaakt. 
De vordering
Voor de Rechtbank Amsterdam vorderde [...]</description>
         <guid isPermaLink="false">http://dirkzwagerondernemingsrecht.nl/?p=2504</guid>
         <pubDate>Wed, 22 Feb 2012 14:05:12 +0000</pubDate>
         <content:encoded><![CDATA[<p>Eind augustus 2005 heeft de ING bank een paard, Poëtin, dat aan haar verpand was ter zekerheid van een verleend krediet, in beslaggenomen om vervolgens enkele dagen later op een veiling te verkopen. Ruim drie maanden later, op 13 december 2005, is het paard wegens een ernstige hoefbevangenheid afgemaakt. <span id="more-2504"></span></p>
<p><strong>De vordering</strong><br />
Voor de <a rel="nofollow" target="_blank" href="http://www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=BB4552">Rechtbank Amsterdam </a>vorderde de koper een bedrag van in totaal € 1.181.797,- terzake de vervangende waarde van het paard, kosten samenhangende met de veilingkoopovereenkomst en overige kosten en daarboven nog aanvullende schadevergoeding, nader op te maken bij staat en de wettelijke rente.</p>
<p>Als grondslag voor de vordering stelt de koper dat de ING bank het paard als gezond topdressuurpaard op de veiling heeft aangeboden, terwijl zij er van op de hoogte was dat het paard langdurig in een paardenkliniek was behandeld en zware medicijnen toegediend kreeg. De relevante veterinaire gegevens zijn volgens de koper door de ING bank opzettelijk verzwegen en het paard had niet intensief onder het zadel bereden mogen worden, zoals is gebeurd tijdens de veiling. De koper stelt zich op het standpunt dat de ING bank toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van haar verplichtingen uit de veilingkoopovereenkomst, dan wel heeft zij koper bedrogen of in dwaling gebracht, dan wel heeft zij onrechtmatig gehandeld.</p>
<p><strong>Rechtbank Amsterdam</strong><br />
In eerste aanleg heeft de rechtbank bij vonnis van 8 augustus 2007 de vordering afgewezen omdat niet overeenkomstig artikel <a rel="nofollow" target="_blank" href="http://wetten.overheid.nl/BWBR0005290/Boek7/Titel1/Afdeling3/Artikel23/geldigheidsdatum_22-02-2012/">7:23 BW </a>binnen bekwame tijd, dat wil zeggen binnen twee maanden na het ontstaan van het gebrek geklaagd is. Weliswaar heeft koper op 8 september 2005 een brief gestuurd aan het veilinghuis waarin de koop werd ontbonden wegens een gebrek aan het paard, echter deze brief is nooit ter kennis gekomen van ING bank. Pas op 13 maart 2006 heeft de advocaat van de koper de ING bank in kennis gesteld van het gebrek. Omdat niet binnen bekwame tijd geklaagd is, komt koper geen beroep op non-conformiteit toe. De rechtbank wijst de vorderingen van de koper dan ook af.</p>
<p><strong>Hoger beroep</strong><br />
Koper heeft hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis van de rechtbank bij het <a rel="nofollow" target="_blank" href="http://www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=BU7787">Gerechtshof Amsterdam</a>, dat op 6 december 2011 hierover uitspraak heeft gedaan. Nadat er vele getuigen zijn gehoord, krijgt de koper opdracht te bewijzen dat het paard ten tijde van de veiling leed aan ernstige artrose, ontstekingen in het kogelgewricht en peesontsteking in het rechter voorbeen, waardoor het paard ernstig kreupel werd en reeds geruime tijd hiervoor werd behandeld. Ook moest de koper bewijzen dat de symptomen van deze aandoeningen werden gemaskeerd door medicatie, dat de ING Bank van dit alles op de hoogte was, dat de wijze waarop het paard tijdens de veiling werd gepresenteerd, hoefbevangenheid heeft veroorzaakt en dat de ING bank dit had moeten voorzien of dit had behoren te voorzien.</p>
<p>Het gerechtshof oordeelt dat de koper niet geslaagd is in dit bewijs. De ING bank kon volgens het gerechtshof enkel op de hoogte zijn van een ontstoken peesschede en een daardoor ontstaan kogeltunnelsyndroom en was niet bekend met een ontsteking in of bij het kogelgewricht waardoor ernstige, maar door medicatie of therapeutisch beslag gemaskeerde kreupelheid was ontstaan. Ook de door de ING bank ingehuurde dierenarts had geen reden om andere gebreken te vermoeden, zoals ook blijkt uit het door hem opgestelde innamerapport. Eens te meer omdat de behandelende dierenarts weigerde om het medisch dossier van het paard Poëtin te overleggen. Ook haalt het gerechtshof een door de ING bank in het geding gebrachte uitspraak van het Veterinair Tuchtcollege aan, waarin is vastgesteld dat ernstige hoefbevangenheid een aandoening is die in zeer korte tijd kan ontstaan. Op 3 september 2005, daags na de aankoop van Poëtin, is het paard in Parijs onderworpen aan een medische keuring. Daaruit bleek dat er op dat moment geen aanwijzing voor hoefbevangenheid was.</p>
<p><strong>Niet toe te rekenen</strong><br />
Het gerechtshof oordeelt dat de ING Bank in redelijkheid niet behoefde te voorzien dat de aandoening waarvoor het paard in de paardenkliniek werd behandeld, van zodanige aard was dat de gekozen wijze van presenteren aan het veilingpubliek en het daaropvolgende transport door de koper een gerede kans op het intreden van hoefbevangenheid meebracht.</p>
<p>De aansprakelijkheid van een verkoper als in dit geval de ING bank gaat blijkbaar niet dusdanig ver dat zij op de hoogte dient te zijn van alle mogelijke problemen bij een paard. De ING bank was in dit geval mede afhankelijk van de informatie van de behandelend veearts en het onderzoek door de ingehuurde veearts. Hierbij moet worden aangetekend dat als de ingehuurde dierenarts van gebreken op de hoogte is, dit aan de ING bank zou worden toegerekend. Echter, als eigenaar wordt je geacht op de hoogte te (kunnen) zijn van mogelijke gebreken, waardoor de uitkomst heel anders had kunnen zijn als het de eigenaar was geweest die het paard in een kliniek had laten behandelen en het vervolgens had verkocht. Daarbij moet opgemerkt worden dat op de nieuwe eigenaar een onderzoeksplicht rust, die meebrengt dat hij bij de vorige eigenaar navraag dient te doen naar de gezondheidstoestand van het paard.</p>
<p>Door mr. Christien Beernink, advocaat hippisch recht</p><img src="http://feeds.feedburner.com/~r/dirkzwager_nl/~4/xQCS4okwA1A" height="1" width="1"/>]]></content:encoded>
      <feedburner:origLink>http://dirkzwagerondernemingsrecht.nl/2012/02/22/hoefbevangenheid-dressuurpaard-niet-te-wijten-aan-op-veiling-verkopende-bank/</feedburner:origLink></item>
      <item>
         <title>Duurovereenkomst met staat(sonderneming) kan verboden staatssteun opleveren</title>
         <link>http://feedproxy.google.com/~r/dirkzwager_nl/~3/AznO0iq3aF0/</link>
         <description>Het Gerecht van de Europese Unie (het Gerecht) heeft (in een nog niet gepubliceerd arrest) geoordeeld dat een duurovereenkomst die een Hongaarse staatsonderneming verplicht om tegen een vaste prijs een bepaalde hoeveelheid energie af te nemen staatssteun oplevert. De Europese staatssteunregels zijn van toepassing op de overeenkomst ondanks het feit dat Hongarije ten tijde van [...]</description>
         <guid isPermaLink="false">http://dirkzwagerondernemingsrecht.nl/?p=2500</guid>
         <pubDate>Wed, 22 Feb 2012 13:17:46 +0000</pubDate>
         <content:encoded><![CDATA[<p>Het Gerecht van de Europese Unie (het Gerecht) heeft (in een nog niet gepubliceerd arrest) <a rel="nofollow" target="_blank" href="http://curia.europa.eu/jcms/upload/docs/application/pdf/2012-02/cp120005en.pdf">geoordeeld</a> dat een duurovereenkomst die een Hongaarse staatsonderneming verplicht om tegen een vaste prijs een bepaalde hoeveelheid energie af te nemen staatssteun oplevert. De Europese staatssteunregels zijn van toepassing op de overeenkomst ondanks het feit dat Hongarije ten tijde van het aangaan ervan nog geen lid was van de Europese Unie (en dus toentertijd nog niet was gebonden door de Europese staatssteunregels). <span id="more-2500"></span></p>
<p><strong>De casus</strong><br />
Medio jaren negentig was Hongarije voornemens om haar energie-infrastructuur te verbeteren. De gewenste verbetering kon echter uitsluitend tot stand worden gebracht door middel van substantiële investeringen van buitenlandse ondernemingen in energiecentrales. In dit kader heeft Hongarije in 1996 via een publieke onderneming (MVM) een duurovereenkomst gesloten met Budapesti Erőmű Zrt (BEZ) een Hongaarse dochteronderneming van Electricité de France (EdF). Op grond van deze overeenkomst heeft MVM de verplichting op zich genomen om tot 2024 tegen een vaste prijs een bepaalde hoeveelheid energie af te nemen van centrales die door BEZ werden geëxploiteerd. Op deze manier wordt BEZ (EdF) voorzien van een voorspelbare stroom van inkomsten op grond waarvan investeringen harerzijds kunnen worden terugverdiend.</p>
<p>Op <a rel="nofollow" target="_blank" href="http://ec.europa.eu/competition/state_aid/cases/201965/201965_827719_388_1.pdf">4 juni 2008</a> oordeelde de Europese Commissie dat de duurovereenkomst verboden staatssteun opleverde voor BEZ, waardoor BEZ tot terugbetaling van het verkregen voordeel moet overgaan. BEZ ging in beroep bij het Gerecht.</p>
<p><strong>Staatssteun</strong><br />
Er is sprake van staatssteun in de zin van artikel 107 lid 1 VWEU indien door de staat een selectief voordeel wordt verschaft aan een of meer ondernemingen waardoor de mededinging alsmede de interstatelijke handel worden beïnvloed. Wanneer onrechtmatig staatssteun wordt verstrekt, dient het aldus verkregen voordeel door de begunstigde worden terugbetaald.</p>
<p><strong>Oordeel Gerecht  </strong><br />
Alvorens een inhoudelijk oordeel te vellen over de duurovereenkomst tussen BEZ en MVM, heeft het Gerecht onderzocht of de staatssteunregels wel op de overeenkomst van toepassing waren. De duurovereenkomst dateert immers van 1996 terwijl Hongarije pas op 1 mei 2004 is toegetreden tot de Europese Unie (en dus ook pas sindsdien is onderworpen aan de staatssteunregels). Het Gerecht concludeert dat de duurovereenkomst niet is opgenomen in een bijlage bij het <a rel="nofollow" target="_blank" href="http://www.minbuza.nl/ecer/eu-essentieel/verdragsteksten/toetredingsverdrag-2003.html">toetredingsverdrag met Hongarije</a>, waarin verenigbare steunmaatregelen zijn vermeld die ook in werking (mogen) blijven na toetreding. Dit betekent dat de overeenkomst vanaf 1 mei 2004 als nieuwe maatregel op grond van het (thans) VWEU moet worden beoordeeld.</p>
<p>Vervolgens verdient vermelding dat het voor de staatssteunrechtelijke beoordeling niet relevant is dat de overeenkomst niet door BEZ met de Staat is gesloten, maar met een publieke onderneming (zijnde MVM). De vergoeding aan BEZ wordt immers uit staatsmiddelen voldaan.</p>
<p>Aangezien ervan kan worden uitgegaan dat de mededinging en de interstatelijke handel door de duurovereenkomst worden beïnvloed, rest uitsluitend de vraag of met behulp van de duurovereenkomst een selectief voordeel wordt verschaft aan BEZ. In dit kader onderzoekt het Gerecht of BEZ dezelfde voorwaarden zou kunnen hebben bedingen van een inkoper die energie op puur commerciële basis afneemt. Ofwel, zou een commerciële partij bereid zijn om een vaste hoeveelheid energie, tegen een vaste prijs af te nemen.</p>
<p>Dit is volgens het Gerecht niet het geval. De Europese markt voor energie kenmerkt zich door het feit dat de hoeveelheid energie die centrales kunnen verkopen afhankelijk is van de vraag, die juist sterk fluctueert. Doordat MVM een vaste hoeveelheid energie tegen een vaste prijs inkoopt, loopt MVM (en niet BEZ) het risico van fluctuaties in de vraag. Een risico dat een commerciële inkoper niet bereid zou zijn te dragen. Kortom, de duurovereenkomst heeft BEZ in staat gesteld om een selectief voordeel te genieten dat zij niet had verkregen als MVM als marktpartij had gehandeld. De Commissie heeft volgens het Gerecht terecht geoordeeld dat BEZ het aldus verkregen voordeel moet terugbetalen.  </p>
<p><strong>Conclusie</strong><br />
<a rel="nofollow" target="_blank" href="http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=CELEX:61996A0014:NL:HTML">Eerder</a> (in 1999) oordeelde het Gerecht reeds dat er sprake kan zijn van staatssteun wanneer de overheid meer inkoopt bij een onderneming dan zij nodig heeft. Wanneer een onderneming met de staat een duurovereenkomt voor lange (of onbetaalde) tijd sluit op grond waarvan vaste hoeveelheden tegen een vaste prijs worden afgenomen, kan dit ook staatssteun opleveren.</p>
<p>Zoals uit de voornoemde Hongaarse casus blijkt moet voordeel dat in strijd met de staatssteunregels is verstrekt vermeerderd met rente (!) door de begunstigde worden terugbetaald. Daarnaast blijkt uit het <a rel="nofollow" target="_blank" href="http://dirkzwagerondernemingsrecht.nl/2012/01/04/onrechtmatige-overheidsgarantie-kan-nietig-zijn/">Residex arrest</a> dat een overeenkomst waarmee staatssteun wordt verstrekt nietig kan zijn. Gelet op deze risico’s, is het voor ondernemingen raadzaam om ogenschijnlijk normale overeenkomsten met de overheid te toetsen op staatssteunaspecten.</p><img src="http://feeds.feedburner.com/~r/dirkzwager_nl/~4/AznO0iq3aF0" height="1" width="1"/>]]></content:encoded>
      <feedburner:origLink>http://dirkzwagerondernemingsrecht.nl/2012/02/22/duurovereenkomst-met-staatsonderneming-kan-verboden-staatssteun-opleveren/</feedburner:origLink></item>
      <item>
         <title>Verhaal door het UWV van WW op de overheidswerkgever</title>
         <link>http://feedproxy.google.com/~r/dirkzwager_nl/~3/0S44FJzO5nI/</link>
         <description>Het eigenrisicodragerschap voor overheidswerkgevers voor uitkeringen op grond van de werkloosheidswet (WW) blijft een bijzonder iets. Want wanneer is sprake van eigenrisicodragerschap?
Volgens de Centrale Raad van Beroep (LJN: BN9713) eind 2010 is, nadat een persoon 5 maanden gewerkt heeft voor een overheidswerkgever, reeds sprake van eigenrisicodragerschap. Immers, zo overweegt de Raad, in artikel 79 WW [...]</description>
         <guid isPermaLink="false">http://dirkzwagerarbeidsrecht.nl/?p=1431</guid>
         <pubDate>Wed, 22 Feb 2012 10:15:38 +0000</pubDate>
         <content:encoded><![CDATA[<p>Het eigenrisicodragerschap voor overheidswerkgevers voor uitkeringen op grond van de werkloosheidswet (WW) blijft een bijzonder iets. Want wanneer is sprake van eigenrisicodragerschap?<span id="more-1431"></span></p>
<p>Volgens de Centrale Raad van Beroep (LJN: <a rel="nofollow" target="_blank" href="http://www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=BN9713">BN9713</a>) eind 2010 is, nadat een persoon 5 maanden gewerkt heeft voor een overheidswerkgever, reeds sprake van eigenrisicodragerschap. Immers, zo overweegt de Raad, in artikel 79 WW staat dat verhaal voor de uitkeringen door het UWV plaatsvindt op de overheidswerkgever tot wie de dienstbetrekking stond uit hoofde waarvan de overheidswerknemer de werkloosheidsuitkering ontvangt. De wel vaker verdedigde opvatting dat eerst sprake moet zijn van een ‘nieuw’ c.q. zelfstandig bij de overheidswerkgever opgebouwd WW-recht, werd eenvoudigweg van tafel geveegd door de Raad. Een dergelijke verwijzing (naar hoofdstuk II van de WW) is niet opgenomen in artikel 79 WW. Voor de situatie bestaat dus duidelijkheid. Maar is dit wel echt zo? Zou de Raad hetzelfde hebben geoordeeld indien sprake was van een herleefd recht op WW (vergelijk artikel 21 WW)? En wat betreft de omgekeerde situatie? Tot wanneer klopt het UWV aan bij de overheidswerkgever voor de WW-uitkeringen? Onderstaand werken we zes situaties uit, waarbij we proberen antwoord te geven op de vraag of al dan niet verhaal plaatsvindt. Daarbij willen we wel onderstrepen dat het uiteindelijk het UWV is die (in eerste instantie) beoordeelt of verhaal plaatsvindt en mogelijk andere conclusies aan het bepaalde in artikel 79 WW en/of de uitspraak van de Raad verbindt.</p>
<p><em>Situatie 1</em></p>
<p>Iemand heeft 10 jaar bij een private werkgever gewerkt en gaat aansluitend aan dit dienstverband bij een overheidswerkgever werken voor een bepaalde duur van (opnieuw) 5 maanden. Alhoewel in de hierboven aangehaalde uitspraak slechts summierlijk wordt stilgestaan bij de feiten en hieruit ook niet blijkt van het ‘arbeidsverleden’ van de betreffende werknemer, lijkt de uitspraak van de Raad op deze situatie te zien. Kort en goed zal het UWV, indachtig de uitspraak van de Raad, dus verhaal plegen voor de WW-uitkeringen op de overheidswerkgever.</p>
<p><em>Situatie 2</em></p>
<p>Stel nu dat de werknemer nadat de arbeidsovereenkomst met de private werkgever eindigde, aanspraak maakte op een WW-uitkering voor een periode van 2 maanden, waarna hij voor een periode van 5 maanden aan de slag kon bij de overheidswerkgever. Deze aanstelling eindigt van rechtswege en de werknemer doet opnieuw een beroep op de WW. In deze situatie ontstaat geen nieuw recht op WW (ten laste van de overheidswerkgever), maar is sprake van een herleving, vergelijk artikel 21 WW. Artikel 79 WW spreekt van verhaal op de overheidswerkgever tot wie de dienstbetrekking bestond uit hoofde waarvan de overheidswerknemer de werkloosheidsuitkering ontvangt. Wij achten het verdedigbaar dat artikel 79 WW niet ziet op een herleving van een eerder recht op WW. Weliswaar zou geen sprake zijn van herleving indien de aanstelling niet zou zijn geëindigd, maar de uitkering wordt niet ontvangen uit hoofde van de overheidsdienstbetrekking, maar uit hoofde van de eerdere – private – dienstbetrekking. Geen verhaal derhalve. </p>
<p><em>Situatie 3</em></p>
<p>Stel vervolgens dat tussen het moment dat het dienstverband bij de private werkgever eindigde en de aanstelling bij de overheidswerkgever aanving, een periode van 4 weken zit, waarover de werknemer geen aanspraak heeft gemaakt op een werkloosheidsuitkering. Maakt dit de uitkomst zoals hierboven beschreven een andere? Naar onze overtuiging niet. Omdat de medewerker 4 weken geen werk heeft gehad, is formeel sprake van een periode van werkloosheid en dus ook van herleving, zou de medewerker na ommekomst van zijn aanstelling alsnog aanspraak maken op een WW-uitkering.</p>
<p><em>Situatie 4</em></p>
<p>Dan de omgekeerde situatie. Iemand heeft een arbeidsverleden van 20 jaar, waarvan de voorlaatste 5 jaar bij een gemeente. Bij deze gemeente heeft de medewerker een regeling getroffen, waarbij hij zelf ontslag nam. Omdat de medewerker zelf ontslag nam en dus geen aanspraak zou kunnen maken op een WW-uitkering (of een bovenwettelijke uitkering op grond van hoofdstuk 10d van de CAR-UWO), heeft hij nog een bedrag ineens meegekregen. De medewerker heeft geluk en vindt aansluitend aan zijn aanstelling nieuw werk in de private sector. Daar wordt hij echter na vijf maanden (niet verwijtbaar) werkloos. De medewerker verzoekt om een WW-uitkering en deze wordt hem toegekend. Pleegt het UWV nog verhaal? Naar opnieuw de letter van de wet, is een dergelijk verhaal niet mogelijk. Het UWV zal overigens voor de beoordeling of de werknemer verwijtbaat werkloos is geworden, óók onderzoeken hoe de dienstbetrekking met de overheidswerkgever is geëindigd. Er is immers nog geen zelfstandig recht op WW opgebouwd bij de nieuwe werkgever (LJN: <a rel="nofollow" target="_blank" href="http://www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=BJ2443">BJ2443</a>). <strong></strong></p>
<p><em>Situatie 5</em></p>
<p>En stel nu dat de medewerker niet zelf ontslag had genomen bij de gemeente maar ontslagen was en eerst gedurende een periode van drie maanden WW had ontvangen en toen voor een periode van vijf maanden in de private sector had gewerkt, waarna hij opnieuw een aanspraak deed op een WW-uitkering. Maakt dit uit voor het UWV?  Vooropgesteld zij (opnieuw) dat artikel 79 WW niet spreekt over de aard van het WW-recht. In deze situatie is echter sprake van een herleefd recht op WW. Een WW-recht dat gekoppeld is aan het ambtelijke dienstverband. In zoverre zou deze situatie ook passen in de bewoordingen van artikel 79 WW. Wij gaan er dan ook vanuit dat verhaal zal plaatsvinden. Overigens zal in deze situatie ook een eventuele aanspraak op een bovenwettelijke uitkering op grond van hoofdstuk 10d CAR-UWO herleven. Deze aanspraak is immers gekoppeld aan de WW-aanspraak die voortvloeit uit de aanstelling / arbeidsovereenkomst met een gemeente.</p>
<p><em>Situatie 6</em></p>
<p>Tot slot nog de situatie waarbij de medewerker een tijdelijke aanstelling heeft die van rechtswege afloopt, waarna hij pas per de 15<sup>e</sup> van de daarop volgende maand een nieuwe tijdelijke betrekking vindt bij een civiele werkgever. Na drie maanden eindigt de nieuwe betrekking en maakt de medewerker (voor het eerst) aanspraak op WW. Verschilt deze situatie van de vorige? In beginsel niet. Ook in deze situatie is sprake van een herleving van het WW-recht en zal dus verhaal plaatsvinden.</p><img src="http://feeds.feedburner.com/~r/dirkzwager_nl/~4/0S44FJzO5nI" height="1" width="1"/>]]></content:encoded>
      <feedburner:origLink>http://dirkzwagerarbeidsrecht.nl/2012/02/22/verhaal-door-het-uwv-van-ww-op-de-overheidswerkgever/</feedburner:origLink></item>
      <item>
         <title>Proeftijdontslag gegeven en toch geen einde van de arbeidsovereenkomst. Hoe kan dat?</title>
         <link>http://feedproxy.google.com/~r/dirkzwager_nl/~3/Ex4oaOx2vsA/</link>
         <description>Op grond van artikel 7:676 BW zijn zowel de werkgever als de werknemer bevoegd om gedurende de proeftijd de arbeidsovereenkomst op te zeggen, zonder dat sprake kan zijn van een kennelijk onredelijk of onregelmatig ontslag. Wordt een proeftijdontslag rechtsgeldig gegeven, dan eindigt de arbeidsovereenkomst binnen de proeftijd op de datum waartegen is opgezegd, zonder dat [...]</description>
         <guid isPermaLink="false">http://dirkzwagerarbeidsrecht.nl/?p=1429</guid>
         <pubDate>Tue, 21 Feb 2012 16:07:37 +0000</pubDate>
         <content:encoded><![CDATA[<p>Op grond van artikel 7:676 BW zijn zowel de werkgever als de werknemer bevoegd om gedurende de proeftijd de arbeidsovereenkomst op te zeggen, zonder dat sprake kan zijn van een kennelijk onredelijk of onregelmatig ontslag. Wordt een proeftijdontslag rechtsgeldig gegeven, dan eindigt de arbeidsovereenkomst binnen de proeftijd op de datum waartegen is opgezegd, zonder dat toestemming van het UWV Werkbedrijf vereist is.<span id="more-1429"></span></p>
<p>Volgens twee arresten van de Hoge Raad (13 januari 1995, LJN: <a rel="nofollow" target="_blank" href="http://jure.nl/zc1607">ZC1607</a>) en 12 december 2008, LJN: <a rel="nofollow" target="_blank" href="http://zoeken.rechtspraak.nl/detailpage.aspx?ljn=BG1213">BG1213</a>) is het juridisch niet relevant dat de arbeidsovereenkomst wordt opgezegd om een reden die geen verband houdt met het doel van de proeftijd. De rechter mag dus niet onderzoeken of de opzegbevoegdheid is gebruikt voor een ander doel dan waarvoor zij is verleend, waardoor zelfs een opzegging die geen verband houdt met het doel van de proeftijd rechtsgeldig moet worden geacht. Op grond van artikel 7:670b BW zijn de opzegverboden van artikel 7:670 en 670a BW niet van toepassing bij een proeftijdontslag. Artikel 7:670 BW omvat onder andere het opzegverbod tijdens ziekte. Dit betekent dat ziekte niet in de weg kan staan aan een proeftijdontslag. </p>
<p>De meest voorkomende gronden die worden genoemd om een proeftijdontslag ‘aan te tasten’ zijn (1) misbruik van recht (bevoegdheid) in de zin van artikel 3:13 lid 2 BW, (2) handelen in strijd met het goed werkgeverschap in de zin van artikel 7:611 BW en (3) handelen in strijd met een discriminatieverbod.</p>
<p>Van een misbruik van bevoegdheid is sprake indien een bevoegdheid wordt uitgeoefend (a) met geen ander doel dan de ander te schaden of (b) met een ander doel dan waarvoor de bevoegdheid bedoeld is of (c) terwijl degene die de bevoegdheid heeft, gezien de afweging van de belangen, naar redelijkheid niet tot de uitoefening van de bevoegdheid had kunnen komen. Artikel 3:13 lid 3 BW bepaalt dat uit de aard van de bevoegdheid kan voortvloeien dat zij niet kan worden misbruikt.</p>
<p>Of sprake is van een handelen in strijd met het goed werkgeverschap hangt af van alle feiten en omstandigheden omdat artikel 7:611 BW een open norm bevat. Hiervoor is geen vuistregel.</p>
<p>De discriminatieverboden zijn opgenomen in verschillende artikelen (zoals <a rel="nofollow" target="_blank" href="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/bwbid=BWBR0005290/article=646">artikel 7:646-7:649</a> BW, <a rel="nofollow" target="_blank" href="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/bwbid=BWBR0006502/article=5">artikel 5</a> AWGB, <a rel="nofollow" target="_blank" href="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/bwbid=BWBR0014915/article=9">artikel 9</a> WGBH/CZ, <a rel="nofollow" target="_blank" href="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/bwbid=BWBR0016185/article=11">artikel 11</a> WGBL of <a rel="nofollow" target="_blank" href="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/bwbid=BWBR0011173/article=3">artikel 3</a> WAA) en behelzen een verbod tegen discriminatie op grond van bijvoorbeeld arbeidsduur, geslacht, chronische ziekten en ras.</p>
<p>Uit de jurisprudentie blijkt dat niet vaak wordt aangenomen dat sprake is van misbruik van recht dan wel het in strijd handelen met het goedwerkgeverschap, omdat de Hoge Raad al meerdere malen heeft bevestigd dat het juridisch niet relevant is dat de arbeidsovereenkomst wordt opgezegd om een reden die geen verband houdt met het doel van de proeftijd. Indien een proeftijdontslag wordt gegeven in strijd met een discriminatieverbod, wordt in de jurisprudentie de vernietigbaarheid van het proeftijdontslag vrij snel aangenomen.   </p>
<p>Recentelijk heeft de rechtbank Utrecht in kort geding (27 januari 2012, LJN: <a rel="nofollow" target="_blank" href="http://zoeken.rechtspraak.nl/detailpage.aspx?ljn=BV2109">BV2109</a>) aangenomen dat sprake was van misbruik van bevoegdheid bij het geven van een proeftijdontslag. De feiten waren als volgt. De werkgever en werknemer waren een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd overeengekomen met ingang van 1 september 2011 met een proeftijd van twee maanden. Op 24 oktober 2011 werd de proeftijd geëvalueerd er werd op een daarvoor bestemd formulier ingevuld dat er geen reden was om tijdens de proeftijd tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst over te gaan en er werd verwacht dat de werknemer in dienst zou blijven. Vier dagen daarna, kreeg de werknemer te horen dat toch gebruik zou worden gemaakt van een proeftijdontslag waardoor de arbeidsovereenkomst op 31 oktober 2011 zou eindigen. De reden daarvoor was dat gebleken zou zijn dat de werknemer toch niet voldeed. De werkgever had de werknemer aansluitend een nieuwe arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd aangeboden, te weten voor de duur van één maand, zodat hij nog tijd zou hebben om op zoek te gaan naar een andere baan. De werknemer heeft de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd onder protest aanvaard en in kort geding primair gesteld dat het proeftijdontslag nietig was, subsidiair gesteld dat sprake was van misbruik van bevoegdheid en meer subsidiair gesteld dat sprake was van het handelen in strijd met het goed werkgeverschap.</p>
<p>De voorzieningenrechter heeft aangenomen dat sprake was van misbruik van bevoegdheid omdat partijen uitdrukkelijk een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd waren overeengekomen, terwijl de werkgever door het geven van de proeftijdontslag de arbeidsovereenkomst heeft ‘omgezet’ naar een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd <strong>en</strong> de werkgever de werknemer de indruk had gegeven dat de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd zou worden voortgezet, terwijl de werkgever enkele dagen daarna alsnog gebruik had gemaakt van het proeftijdontslag. Volgens de voorzieningenrechter had een terecht beroep op misbruik van bevoegdheid tot gevolg dat de (tweede) arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet van rechtswege kon eindigen, maar alleen door opzegging na verkregen toestemming van het UWV Werkbedrijf op grond van de zogenaamde Ragetlie-regel, conform artikel 7:667 lid 4 BW. Deze regel bepaalt dat een voor onbepaalde tijd aangegane arbeidsovereenkomst, die anders dan door rechtsgeldige opzegging of door ontbinding door de rechter is geëindigd, eenmaal of meermalen is voortgezet door een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd met tussenpozen van niet meer dan drie maanden, alleen eindigt na voorafgaande opzegging van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd.</p>
<p>Gezien de jurisprudentie van de Hoge Raad, acht ik het oordeel van de voorzieningenrechter niet voor de hand liggend en het gevolg dat hij daarin verbindt ook niet juist. Indien de werkgever op grond van misbruik van bevoegdheid het gegeven proeftijdontslag niet had mogen geven, zou het logischer zijn geweest om te oordelen dat de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijde niet is geëindigd.  </p>
<p>Uit de voorgaande uitspraak blijkt evenwel dat de werkgever altijd zorgvuldig om moet gaan met een proeftijdontslag, zeker indien daarbij een verlenging voor beperkte duur wordt aangeboden.</p><img src="http://feeds.feedburner.com/~r/dirkzwager_nl/~4/Ex4oaOx2vsA" height="1" width="1"/>]]></content:encoded>
      <feedburner:origLink>http://dirkzwagerarbeidsrecht.nl/2012/02/21/proeftijdontslag-gegeven-en-toch-geen-einde-van-de-arbeidsovereenkomst-hoe-kan-dat/</feedburner:origLink></item>
      <item>
         <title>NMa vult klachtbeleid aan</title>
         <link>http://feedproxy.google.com/~r/dirkzwager_nl/~3/Gvj1eEYlqRc/</link>
         <description>Op 14 februari 2012 heeft de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) in de staatscourant nieuw beleid gepubliceerd over haar handelwijze ten aanzien van bij haar binnengekomen klachten. De herziening was noodzakelijk nadat de NMa van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven medio 2010 het deksel op de neus had gekregen omdat zij een klacht te lichtzinnig [...]</description>
         <guid isPermaLink="false">http://dirkzwagerondernemingsrecht.nl/?p=2494</guid>
         <pubDate>Tue, 21 Feb 2012 15:03:20 +0000</pubDate>
         <content:encoded><![CDATA[<p>Op <a rel="nofollow" target="_blank" href="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2012-2151.html">14 februari 2012 </a>heeft de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) in de staatscourant nieuw beleid gepubliceerd over haar handelwijze ten aanzien van bij haar binnengekomen klachten. De herziening was noodzakelijk nadat de NMa van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven medio 2010<a rel="nofollow" target="_blank" href="http://dirkzwagerondernemingsrecht.nl/2010/08/24/uitspraak-cbb-vergemakkelijkt-klagen-bij-de-nma/"> het deksel op de neus </a>had gekregen omdat zij een klacht te lichtzinnig terzijde had geschoven. <span id="more-2494"></span></p>
<p><strong>Klagen bij de NMa</strong><br />
Iedereen kan bij de NMa een klacht indienen vanwege een (vermeende) inbreuk op de Mededingingswet. De NMa beschikt echter over beperkte capaciteit, waardoor zij niet in staat is om alle binnenkomende klachten uitputtend te onderzoeken. De NMa is daarom bevoegd om sommige klachten met meer prioriteit te onderzoeken dan andere (het zogenaamde prioriteringsbeleid), maar deze vrijheid gaat niet zover dat zij klachten zonder nadere motivering terzijde mag schuiven.</p>
<p><strong>De prioriteiten van de NMa</strong><br />
De prioriteit van het onderzoek wordt door de NMa bepaald aan de hand van een afweging van de navolgende criteria:<br />
i. het economische belang;<br />
ii. het consumentenbelang;<br />
iii. de ernst van de mogelijke overtreding;<br />
iv. de vraag of efficiënt en effectief kan worden opgetreden tegen de mogelijke overtreding.</p>
<p>De genoemde criteria zijn niet nieuw, aangezien de NMa deze al sinds 2004 hanteert. Wel dient de NMa een besluit om geen prioriteit te geven aan een klacht op grond van het nieuwe beleid uitgebreider dan voorheen te motiveren.</p>
<p>ad (i) Economische belang<br />
Ten eerste wordt het mogelijke effect van de vermeende overtreding op de Nederlandse economie beoordeeld. Als de beweerdelijke overtreding betrekking heeft op veel verschillende en/of omvangrijke markten, zal dat voor de NMa een aanwijzing zijn om tot nader onderzoek te gaan.</p>
<p>ad (ii) consumentenbelang<br />
De NMa zal een klacht eerder onderzoeken als het consumentenbelang door de potentiële overtreding direct wordt getroffen, bijvoorbeeld in geval van prijsafspraken op consumentenniveau.</p>
<p>ad (iiii) ernst van de overtreding<br />
Vanzelfsprekend zullen zware overtredingen eerder aanleiding geven tot onderzoek dan minder zware overtredingen. De NMa zal op grond van de beleidsregels voor het opleggen van boetes de zwaarte van de beweerdelijke overtreding vaststellen. Dit heeft bijvoorbeeld tot gevolg dat de NMa eerder prioriteit zal geven aan het onderzoeken van een mededingingsbeperkende afspraak tussen concurrenten dan aan een mogelijk mededingingsbeperkende afspraak tussen niet-concurrenten. Zo heeft de NMa recent een klacht over het distributiesysteem van Ford<a rel="nofollow" target="_blank" href="http://www.nma.nl/images/7280BMA22-196313.pdf"> terzijde geschoven</a>, onder meer omdat het een vermeende afspraak tussen niet-concurrenten betrof.</p>
<p>ad (iv) efficiënt en effectief<br />
Tot slot onderzoekt de NMa of zij doelmatig en doeltreffend onderzoek kan doen. Dit houdt vooreerst in of de NMa de meest aangewezen (overheids)partij is om in te grijpen naar aanleiding van de klacht. Het kan best zijn dat een andere toezichthouder meer effectievere middelen heeft om op de klacht te reageren. Daarnaast doet de NMa een verkennend onderzoek naar de kosten die waarschijnlijk nodig zijn om een eventuele inbreuk vast te stellen, alsmede de mogelijke baten van eventueel handhavend optreden (zoals precedentwerking).</p>
<p><strong>Hoe gaat de NMa nu te werk</strong><br />
Op basis van de bovengenoemde criteria zal de NMa richting klagers motiveren of zij een klacht uitgebreider zal onderzoeken. Indien de NMa hiertoe niet over gaat met een beroep op het prioriteringsbeleid, neemt zij een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Klagers kunnen tegen een dergelijk besluit bezwaar maken. Als de NMa haar besluit om het onderzoek geen prioriteit te geven voldoende motiveert, zal bezwaar echter geen zin hebben.</p><img src="http://feeds.feedburner.com/~r/dirkzwager_nl/~4/Gvj1eEYlqRc" height="1" width="1"/>]]></content:encoded>
      <feedburner:origLink>http://dirkzwagerondernemingsrecht.nl/2012/02/21/nma-vult-klachtbeleid-aan/</feedburner:origLink></item>
      <item>
         <title>Raad van State: geen schending vertrouwensbeginsel bij besluit tot het niet vaststellen van bestemmingsplan</title>
         <link>http://feedproxy.google.com/~r/dirkzwager_nl/~3/dU-iVuusA6E/</link>
         <description>In haar uitspraak van 15 februari 2012 (LJN: BV5098) heeft de Raad van State geoordeeld over de weigering van de raad van Nijkerk om een door het college opgesteld ontwerpbestemmingsplan voor een landgoed vast te stellen. De uitspraak laat zien dat niet snel sprake is van een schending van het vertrouwensbeginsel.
College wilde wel meewerken aan [...]</description>
         <guid isPermaLink="false">http://dirkzwageroverheid.nl/?p=2906</guid>
         <pubDate>Tue, 21 Feb 2012 15:00:23 +0000</pubDate>
         <content:encoded><![CDATA[<p>In haar uitspraak van 15 februari 2012 (<a rel="nofollow" target="_blank" href="http://www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=BV5098"><em>LJN</em>: BV5098</a>) heeft de Raad van State geoordeeld over de weigering van de raad van Nijkerk om een door het college opgesteld ontwerpbestemmingsplan voor een landgoed vast te stellen. De uitspraak laat zien dat niet snel sprake is van een schending van het vertrouwensbeginsel.<span id="more-2906"></span></p>
<p><strong>College wilde wel meewerken aan landgoed, raad vond dat onwenselijk</strong><br />
Het college was wel bereid om mee te werken aan de vestiging van een landgoed met dagrecreatieve functie, en had een ontwerpbestemmingsplan in procedure gebracht. De raad vond de vestiging van een landgoed ter plaatse onwenselijk, en heeft het bestemmingsplan dan ook niet vastgesteld. Het beroep van de initiatiefnemer op een schending van het vertrouwensbeginsel, in het licht van de met het college van burgemeester en wethouders gemaakte afspraken, was, gezien de duidelijke bevoegdheidsverdeling (niet het college, maar de raad besluit over de vaststelling van bestemmingsplannen) gedoemd te mislukken.</p>
<p><strong>Overweging Raad van State</strong><br />
De Afdeling motiveert haar oordeel, dat van een schending van het vertrouwensbeginsel geen sprake was, aldus:<br />
<em>“In het algemeen kunnen geen rechten worden ontleend aan toezeggingen die zijn gedaan door niet ter zake beslissingsbevoegden. De bevoegdheid omtrent het vaststellen van een bestemmingsplan berust niet bij het college, maar bij de raad. Verwachtingen die door het college mogelijk zijn gewekt door mee te werken met de ontwikkeling van het ontwerpbestemmingsplan en dit aan de raad voor te leggen, kunnen er derhalve niet toe leiden dat de raad gehouden is het bestemmingsplan vast te stellen. Voorts binden eventuele afspraken tussen De 4 Winden en het college niet de raad. De 4 Winden heeft niet aannemelijk gemaakt dat door of namens de raad verwachtingen zijn gewekt dat het plan vastgesteld zou worden. De raad heeft het besluit derhalve niet in strijd met het vertrouwensbeginsel genomen. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de raad bij het nemen van het bestreden besluit rekening heeft gehouden met de afwegingen van het college en de verwachtingen die het college mogelijk heeft gewekt, maar desondanks heeft besloten het plan niet vast te stellen.”</em></p>
<p><strong>Commentaar</strong><br />
Kortom, alle gesprekken en mogelijke toezeggingen van het college ten spijt, de raad blijft vrij om een bestemmingsplan al dan niet vast te stellen. Overigens is het niet uitgesloten dat het college zodanig concrete toezeggingen aan een burger of ondernemer doet dat de gemeente bij de niet nakoming daarvan wel schadeplichtig is. Dit ondanks de bevoegdheid van de raad om, in afwijking van deze toezeggingen, een bestemmingsplan toch niet vast te stellen.</p><img src="http://feeds.feedburner.com/~r/dirkzwager_nl/~4/dU-iVuusA6E" height="1" width="1"/>]]></content:encoded>
      <feedburner:origLink>http://dirkzwageroverheid.nl/2012/02/21/raad-van-state-geen-schending-vertrouwensbeginsel-bij-besluit-tot-het-niet-vaststellen-van-bestemmingsplan/</feedburner:origLink></item>
      <item>
         <title>Onderhandelingen nieuwe cao Gemeenten opnieuw vastgelopen</title>
         <link>http://feedproxy.google.com/~r/dirkzwager_nl/~3/YftR7C779dE/</link>
         <description>De onderhandelingen voor een nieuwe cao Gemeenten (nader uit te werken in de CAR-UWO) zijn begin februari opnieuw vastgelopen. De struikelblokken vormen nu de door de vakbonden geëiste loonsverhoging / -indexatie en de werkgarantie. De vakbonden willen dat de begeleiding van gemeenteambtenaren die hun functie kwijtraken (vanwege reorganisatie), voor onbepaalde tijd geschied. Het College voor [...]</description>
         <guid isPermaLink="false">http://dirkzwagerarbeidsrecht.nl/?p=1422</guid>
         <pubDate>Tue, 21 Feb 2012 11:25:05 +0000</pubDate>
         <content:encoded><![CDATA[<p>De onderhandelingen voor een nieuwe cao Gemeenten (nader uit te werken in de CAR-UWO) zijn begin februari opnieuw vastgelopen. De struikelblokken vormen nu de door de vakbonden geëiste loonsverhoging / -indexatie en de werkgarantie. De vakbonden willen dat de begeleiding van gemeenteambtenaren die hun functie kwijtraken (vanwege reorganisatie), voor onbepaalde tijd geschied. Het College voor Arbeidszaken (CvA) vindt een dergelijke werkgarantie onverantwoord en acht het bovendien ook niet wenselijk dat een zodanige afspraak al van ‘bovenaf’ bindend wordt opgelegd aan de gemeenten. Voor zover immers een gemeente het wenselijk zou vinden om andere – ruimere &#8211; afspraken te maken, hebben zij hiertoe lokaal de mogelijkheid.<span id="more-1422"></span></p>
<p>In zoverre verwondert de huidige opstelling van de vakbonden dan ook wel. Immers, eerder hebben de vakbonden wel ingestemd met versoberingen (vergelijk de vanaf 1 juli 2008 geldende bovenwettelijke regeling in hoofdstuk 10d van de CAR-UWO). In de praktijk blijkt bovendien dat in gesprekken die men lokaal heeft in het Georganiseerd Overleg (waaraan de vakbonden ook deelnemen) over aanpassing van of een op te stellen Sociaal Statuut en/of Sociaal Plan wordt geprobeerd tot maatwerk te komen, eventueel met ruimere afspraken voor wat betreft bijvoorbeeld de re-integratieduur.</p>
<p>De vakbonden hebben acties aangekondigd.</p><img src="http://feeds.feedburner.com/~r/dirkzwager_nl/~4/YftR7C779dE" height="1" width="1"/>]]></content:encoded>
      <feedburner:origLink>http://dirkzwagerarbeidsrecht.nl/2012/02/21/onderhandelingen-nieuwe-cao-gemeenten-opnieuw-vastgelopen/</feedburner:origLink></item>
      <item>
         <title>Aanpassing CAR-UWO aan de AOW-gerechtigde leeftijd</title>
         <link>http://feedproxy.google.com/~r/dirkzwager_nl/~3/izYKVVb71P8/</link>
         <description>De rechtspositieregeling voor gemeenteambtenaren (de CAR-UWO) wordt per 1 april 2012 dusdanig aangepast dat ontslag verleend kan worden wegens het bereiken van de AOW gerechtigde leeftijd. Thans is dit nog een ontslag wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd (artikel 8:2 CAR). Het ontslag wordt verleend met ingang van de maand waarin de ambtenaar de [...]</description>
         <guid isPermaLink="false">http://dirkzwagerarbeidsrecht.nl/?p=1420</guid>
         <pubDate>Tue, 21 Feb 2012 11:22:13 +0000</pubDate>
         <content:encoded><![CDATA[<p>De rechtspositieregeling voor gemeenteambtenaren (de CAR-UWO) wordt per 1 april 2012 dusdanig aangepast dat ontslag verleend kan worden wegens het bereiken van de AOW gerechtigde leeftijd. Thans is dit nog een ontslag wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd (artikel 8:2 CAR). Het ontslag wordt verleend met ingang van de maand waarin de ambtenaar de pensioengerechtigde leeftijd bereikt.<span id="more-1420"></span></p>
<p>Volgens het Landelijk Overleg Gemeentelijke Arbeidsvoorwaarden (LOGA) zou het handhaven van deze pensioengerechtigde datum tot gevolg hebben dat deze bepaling in strijd is met de wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij arbeid. Deze wet verbiedt immers om onderscheid naar leeftijd te maken, tenzij dit onderscheid objectief te rechtvaardigen is. Volgens LOGA zou een onderscheid anders dan die naar de AOW-gerechtigde leeftijd in een cao de toets niet kunnen doorstaan.</p>
<p>Vanaf 1 april 2012 wijzigt de ingangsdatum voor AOW van de eerste dag van de maand waarin iemand 65 jaar wordt, naar de dag waarop hij 65 jaar wordt. Deze wijziging heeft geen gevolg voor de pensioeningangsdatum van het ABP. Deze blijft (voorlopig) nog 65.</p><img src="http://feeds.feedburner.com/~r/dirkzwager_nl/~4/izYKVVb71P8" height="1" width="1"/>]]></content:encoded>
      <feedburner:origLink>http://dirkzwagerarbeidsrecht.nl/2012/02/21/aanpassing-caruwo-aan-de-aowgerechtigde-leeftijd/</feedburner:origLink></item>
      <item>
         <title>Voorlichting aan (gewezen) deelnemers: kwestie van vertrouwen</title>
         <link>http://feedproxy.google.com/~r/dirkzwager_nl/~3/ycA9jAiwcPs/</link>
         <description>Werkgevers en/of pensioenuitvoerders zullen op veel momenten de (gewezen) deelnemers moeten informeren over hun pensioen, zoals bij indiensttreding, de (vijf)jaarlijkse verstrekking van overzichten, ontslag en (vroeg)pensioen. Zij zullen er voor moeten zorg dragen dat deze voorlichting volledig in overeenstemming is met wat in de verhouding tussen werkgever en werknemer is afgesproken. Wordt een (gewezen) deelnemer [...]</description>
         <guid isPermaLink="false">http://dirkzwagerarbeidsrecht.nl/?p=1418</guid>
         <pubDate>Tue, 21 Feb 2012 09:10:30 +0000</pubDate>
         <content:encoded><![CDATA[<p>Werkgevers en/of pensioenuitvoerders zullen op veel momenten de (gewezen) deelnemers moeten informeren over hun pensioen, zoals bij indiensttreding, de (vijf)jaarlijkse verstrekking van overzichten, ontslag en (vroeg)pensioen. Zij zullen er voor moeten zorg dragen dat deze voorlichting volledig in overeenstemming is met wat in de verhouding tussen werkgever en werknemer is afgesproken. Wordt een (gewezen) deelnemer desalniettemin verkeerd geïnformeerd, dan kan dat vervelende consequenties tot gevolg hebben. Zo zou een deelnemer onder omstandigheden bindende rechten kunnen ontlenen aan de verkeerde voorlichting. Het is dan wel zaak dat een deelnemer kan aantonen dat hij op grond van die verkeerde voorlichting onomkeerbare financiële verplichtingen is aangegaan, althans dat stelt het Gerechtshof Amsterdam in een recente uitspraak (LJN: <a rel="nofollow" target="_blank" href="http://zoeken.rechtspraak.nl/detailpage.aspx?ljn=BU9333">BU9333</a>).<span id="more-1418"></span></p>
<p>In de kwestie die bij het Gerechtshof speelde, heeft het bedrijfstakpensioenfonds Metalelektro aan een deelnemer die aan de vooravond van de ingang van zijn ouderdomspensioen stond een pensioenoverzicht verstrekt. Op een vraag van de betreffende deelnemer over dit pensioenoverzicht, heeft het pensioenfonds laten weten dat het eerder verstrekte overzicht correct is. Vervolgens heeft het pensioenfonds ruim één jaar uitkeringen verstrekt aan de deelnemer ter hoogte van de bedragen die op het pensioenoverzicht vermeld stonden. Hierna zijn de toekomstige uitkeringen door het pensioenfonds naar beneden bijgesteld, omdat de eerdere berekeningen niet juist bleken te zijn. De deelnemer is het met deze verlaging niet eens en stapt naar de rechter. Kort gezegd stelt de deelnemer zich op het standpunt dat hij erop mocht vertrouwen dat het aan hem toegekende en reeds ingegane ouderdomspensioen juist was berekend en niet zou worden verlaagd. Hij heeft, zo stelt hij in zijn algemeenheid, zijn financiële huishouding ingericht op grond van de informatie die het pensioenfonds aan hem verstrekt had.</p>
<p>Zowel bij de kantonrechter als het Gerechtshof wordt de deelnemer in het ongelijk gesteld. Als uitgangspunt geldt een pensioenuitkering tot het volgens het pensioenreglement vastgestelde bedrag. Van dit uitgangspunt kan slechts worden afgeweken, indien betaling van de lager vastgestelde uitkering naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Het in dit kader gedane beroep op het gerechtvaardigd vertrouwen gaat volgens de kantonrechter en het Gerechtshof niet op. Hoewel erkend wordt dat de gedane mededelingen onjuist waren, wordt hieraan tegelijkertijd toegevoegd dat de deelnemer hierop niet mocht vertrouwen, omdat in eerdere correspondentie van het pensioenfonds verwoord stond dat de pensioenuitkeringen worden vastgesteld op grond van de pensioenreglementen. De foutieve mededelingen worden hierdoor niet aangemerkt als een omstandigheid waardoor het onaanvaardbaar zou zijn om de pensioenuitkering te verlagen.</p>
<p>Opmerkelijk &#8211; en niet steeds in lijn met eerdere rechtspraak &#8211; is de toevoeging van het Gerechtshof Amsterdam op laatstgenoemde overweging. Het Gerechtshof noemt namelijk dat indien de deelnemer op grond van de onjuiste mededelingen onomkeerbare financiële verplichtingen zou zijn aangegaan, een verlaging van de pensioenuitkering mogelijk wel onaanvaardbaar zou zijn geweest. In feite wordt hiermee een aanvullende voorwaarde geformuleerd, namelijk een actief handelen als vervolg op de gedane (onjuiste) mededeling. Eerder heeft ook de rechtbank Amsterdam in een andere zaak een vergelijkbare aanvullende voorwaarde gesteld (LJN: <a rel="nofollow" target="_blank" href="http://zoeken.rechtspraak.nl/detailpage.aspx?ljn=BR6170">BR6170</a>). Discutabel is of hiermee een juiste uitleg wordt gegeven aan het leerstuk van het gerechtvaardigd vertrouwen. De rechtspraktijk zal dit moeten uitwijzen; naar verwachting zal dit zeker niet de laatste zaak zijn waarin het leerstuk van het gerechtvaardigd vertrouwen in relatie tot onjuiste pensioenvoorlichting een cruciale rol speelt.</p><img src="http://feeds.feedburner.com/~r/dirkzwager_nl/~4/ycA9jAiwcPs" height="1" width="1"/>]]></content:encoded>
      <feedburner:origLink>http://dirkzwagerarbeidsrecht.nl/2012/02/21/voorlichting-aan-gewezen-deelnemers-kwestie-van-vertrouwen/</feedburner:origLink></item>
      <item>
         <title>Fiscale pensioenrichtleeftijd 67 jaar in 2014</title>
         <link>http://feedproxy.google.com/~r/dirkzwager_nl/~3/MS3UJgzOOlA/</link>
         <description>Het kabinet heeft op 31 januari 2012 ingestemd met het verzoek van de gezamenlijke pensioenuitvoerders om de verhoging van de fiscale pensioenrichtleeftijd van 65 naar 66 en vervolgens naar 67 jaar niet in twee stappen (2013 en 2015), maar in één stap (2014) te doen. Reden is vermindering van de uitvoeringslasten voor de pensioenuitvoerder. Door [...]</description>
         <guid isPermaLink="false">http://dirkzwagerarbeidsrecht.nl/?p=1416</guid>
         <pubDate>Tue, 21 Feb 2012 09:03:38 +0000</pubDate>
         <content:encoded><![CDATA[<p>Het kabinet heeft op 31 januari 2012 ingestemd met het verzoek van de gezamenlijke pensioenuitvoerders om de verhoging van de fiscale pensioenrichtleeftijd van 65 naar 66 en vervolgens naar 67 jaar niet in twee stappen (2013 en 2015), maar in één stap (2014) te doen. Reden is vermindering van de uitvoeringslasten voor de pensioenuitvoerder. Door deze voorgenomen vereenvoudiging gaat ook de aanpassing van de AOW-inbouw een jaar later in.<span id="more-1416"></span></p>
<p>Het betreffende wetsvoorstel (<a rel="nofollow" target="_blank" href="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-33046-2.html?zoekcriteria=%3fzkt%3dUitgebreid%26pst%3dParlementaireDocumenten%26dpr%3dAlle%26dosnr%3d33046%26kmr%3d%26sdt%3dKenmerkendeDatum%26isp%3dtrue%26pnr%3d1%26rpp%3d10%26_page%3d5%26sorttype%3d1%26sortorder%3d4&amp;resultIndex=40&amp;sorttype=1&amp;sortorder=4">33 046</a>) vloeit rechtstreeks voort uit het op 10 juni 2011 door het kabinet met de sociale partners gesloten pensioenakkoord. Belangrijk uitgangspunt is dat zowel de AOW- als de fiscale pensioenrichtleeftijd gekoppeld worden aan de ontwikkeling van de levensverwachting. Dit wil zeggen dat de AOW-leeftijd in 2020 naar 66 gaat en naar verwachting in 2025 naar 67. Om de vijf jaar zal er een berekeningsmoment zijn op basis van cijfers van het CBS. Blijkt hieruit dat de AOW-leeftijd verhoogd moet worden, dan gaat deze verhoging 11 jaar later in. Dit betekent dat vóór 2014 duidelijk zal zijn of de AOW-leeftijd opnieuw moet worden verhoogd (67), met ingang van 2015, waarna vervolgens de aankondigingstermijn van 11 jaar begint te lopen.</p>
<p>Het verhogen van de fiscale pensioenrichtleeftijd vindt plaats op een eerder moment dan de verhoging van de pensioenleeftijd in de AOW. Met ingang van 2014 wordt immers de fiscale pensioenrichtleeftijd verhoogd naar 67 jaar en hierna wordt deze richtleeftijd op vergelijkbare wijze als de AOW-leeftijd gekoppeld aan de levensverwachting. Door deze verhoging van de richtleeftijd is sprake van een beperking van het op te bouwen pensioen. Deze wijziging ziet overigens enkel op toekomstige pensioenopbouw, zodat bestaande aanspraken niet worden aangetast.</p>
<p><strong>Tweede pijlerpensioen</strong></p>
<p>Dit wetsvoorstel staat formeel los van de afspraken over pensioen tussen werkgever(s) en werknemers. De sociale partners zijn aan zet voor het ontwerpen van een nieuw pensioencontract. Het gaat dan om de arbeidsvoorwaarde pensioen. Door de beperking van de fiscale ruimte voor opbouw van pensioenaanspraken vanaf 2014 zullen zeer veel bestaande pensioenregelingen gewijzigd moeten worden. Dit vergt niet alleen tijdig overleg maar ook een heldere communicatie.</p>
<p>Naar verwachting zal binnenkort meer duidelijk worden over zowel het eerste als het tweede pijlerpensioen. Er wordt intussen voor gepleit de AOW-leeftijd sneller te verhogen. Via de kennisportal van de sectie arbeidsrecht van Dirkzwager wordt u op de hoogte gehouden van de verdere besluitvorming.</p><img src="http://feeds.feedburner.com/~r/dirkzwager_nl/~4/MS3UJgzOOlA" height="1" width="1"/>]]></content:encoded>
      <feedburner:origLink>http://dirkzwagerarbeidsrecht.nl/2012/02/21/fiscale-pensioenrichtleeftijd-67-jaar-in-2014/</feedburner:origLink></item>
      <item>
         <title>De enquêteprocedure bij de ondernemingskamer</title>
         <link>http://feedproxy.google.com/~r/dirkzwager_nl/~3/KIqyi5lOAng/</link>
         <description>Het starten van een enquêteprocedure bij de ondernemingskamer kan helpen bij het oplossen van conflictsituaties binnen de vennootschap of het doorbreken van impasses. Iedereen kent wel de grote bekende zaken zoals de enquête bij ABN AMRO in verband met de verkoop van de dochtervennootschap La Salle en de enquête bij Ahold waarbij een groot boekhoudschandaal [...]</description>
         <guid isPermaLink="false">http://dirkzwagerondernemingsrecht.nl/?p=2489</guid>
         <pubDate>Tue, 21 Feb 2012 08:56:50 +0000</pubDate>
         <content:encoded><![CDATA[<p>Het starten van een enquêteprocedure bij de ondernemingskamer kan helpen bij het oplossen van conflictsituaties binnen de vennootschap of het doorbreken van impasses. Iedereen kent wel de grote bekende zaken zoals de enquête bij ABN AMRO in verband met de verkoop van de dochtervennootschap La Salle en de enquête bij Ahold waarbij een groot boekhoudschandaal aan het licht kwam. Een enqueteprocedure kan echter ook oplossingen bieden voor minder grote ondernemingen, maar hoe werkt een enquêteprocedure eigenlijk en wat kun je ermee bereiken? <span id="more-2489"></span></p>
<p><strong>Wie kan een enquêteprocedure starten?<br />
</strong>Een enquêteprocedure begint door het indienen van een verzoekschrift. Bij een vennootschap kan een aandeelhouder die óf 10% van het geplaatste kapitaal vertegenwoordigt, óf € 225.000 aan nominaal aandelenkapitaal bezit een enquêteprocedure starten. Indien een ondernemingsraad is ingesteld kan ook de ondernemingsraad een enquêteprocedure starten. De statuten van de vennootschap kunnen bepalen dat ook andere personen zich tot de ondernemingskamer kunnen wenden. Daarnaast kan dit recht middels een overeenkomst aan derden worden toegekend.</p>
<p>Voordat iemand zich tot de ondernemingskamer kan wenden moet de betreffende persoon eerst bij het bestuur van de vennootschap schriftelijk zijn of haar bezwaren tegen het beleid en de gang van zaken binnen de vennootschap kenbaar maken. Het bestuur moet immers de mogelijkheid krijgen om te reageren op de bezwaren voordat partijen al betrokken worden in een procedure. Indien de bezwaren niet schriftelijk kenbaar worden gemaakt voorafgaand aan de enquêteprocedure, dan zal de ondernemingskamer het verzoek tot het instellen van een enquête niet in behandeling nemen.</p>
<p><strong>De procedure</strong><br />
Na het indienen van het verzoekschrift zal de ondernemingskamer de vennootschap waartegen het verzoek zich richt en belanghebbenden (zoals aandeelhouders of bestuurders) in de gelegenheid stellen om schriftelijk middels een verweerschrift te reageren op het verzoek. Vervolgens zal een mondelinge behandeling volgen. Tijdens de behandeling kunnen partijen hun standpunten mondeling aan de rechter toelichten. Na de mondelinge behandeling neemt de ondernemingskamer een beslissing.</p>
<p><strong>Het onderzoek</strong><br />
De ondernemingskamer dient te beoordelen of er gegronde redenen zijn om aan een juist beleid binnen de vennootschap te twijfelen. Indien deze vraag positief wordt beantwoord zal een onderzoek worden gelast naar het beleid en de gang van zaken binnen de vennootschap. Het onderzoek kan worden beperkt qua tijd en omvang. De ondernemingskamer zal een onderzoeker aanstellen. De kosten voor het onderzoek zijn voor de vennootschap. Afhankelijk van de uitkomst van het onderzoek kunnen de kosten later op de verzoeker of bijvoorbeeld een bestuurder van de vennootschap worden afgewenteld. De onderzoeker zal rapporteren aan de ondernemingskamer die zich vervolgens aan de hand van het rapport zal buigen over de vraag of er sprake is van wanbeleid binnen de vennootschap. De vennootschap, haar bestuurders, commissarissen, werknemers en ex-werknemers dienen volledige medewerking te verlenen aan het onderzoek. Indien zij dit weigeren kan de onderzoeker zich wenden tot de ondernemingskamer en kan deze bijvoorbeeld bepalen dat de woning van de weigerachtige persoon mag worden betreden om informatie veilig te stellen.</p>
<p><strong>Voorlopige voorzieningen</strong><br />
Gedurende de procedure kan de verzoeker de ondernemingskamer vragen om voorlopige voorzieningen te treffen. Juist voor deze bevoegdheid wordt de enquêteprocedure vaak gebruikt. De ondernemingskamer kan voorlopige voorzieningen gelasten voordat zij heeft beslist of een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken moet worden gelast. De voorlopige voorzieningen mogen alleen worden toegewezen indien het belang van het onderzoek of de toestand bij de vennootschap dit vergt. Uiteraard moet wel terughoudendheid worden betracht, de voorlopige voorzieningen kunnen vergaande consequenties hebben. Zo kan de ondernemingskamer besluiten om een bestuurder of commissaris te schorsen, maar ook het stemrecht van een aandeelhouder kan worden geschorst. Er bestaat geen limitatieve opsomming van het aantal te treffen voorlopige voorzieningen gedurende het geding. Het vragen om een voorlopige voorziening maakt het mogelijk om via een enquêteprocedure snel uit een impasse te geraken. Indien de voorzieningen niet zijn beperkt qua tijd zullen zij over het algemeen gelden voor de duur van de procedure.</p>
<p>De ondernemingskamer kan nádat zij heeft vastgesteld dat sprake is van wanbeleid ook voorzieningen treffen indien de verzoeker hierom verzoekt. Alsdan geldt wel dat er een limitatieve lijst is van voorzieningen die kunnen worden getroffen. Het gaat dan om voorzieningen met een vergaand en meer definitief karakter zoals vernietiging van een besluit van een orgaan van de vennootschap, ontslag van een bestuurder of commissaris en eventueel zelfs ontbinding van de vennootschap.</p>
<p><strong>Rechtsmiddelen</strong><br />
Na de procedure bij de ondernemingskamer kunnen partijen in cassatie van de uitspraak van de ondernemingskamer bij de Hoge Raad. Cassatie heeft geen schorsende werking. De uitspraak van de ondernemingskamer blijft dus van kracht tot de Hoge Raad anderszins heeft beslist. Vaak is een andersluidende beslissing al te laat indien door de ondernemingskamer voorlopige of definitieve voorzieningen zijn getroffen. Gezien de vergaande gevolgen van de vaststelling van wanbeleid kan het echter toch van belang zijn om in cassatie te gaan. De vaststelling van wanbeleid kan in een latere aansprakelijkheidsprocedure leiden tot aansprakelijkheid van bestuurders of commissarissen indien het wanbeleid is te wijten aan specifieke organen of individuele personen binnen de vennootschap.</p><img src="http://feeds.feedburner.com/~r/dirkzwager_nl/~4/KIqyi5lOAng" height="1" width="1"/>]]></content:encoded>
      <feedburner:origLink>http://dirkzwagerondernemingsrecht.nl/2012/02/21/de-enquateprocedure-bij-de-ondernemingskamer/</feedburner:origLink></item>
      <item>
         <title>Werknemers verliezen voortaan sneller hun recht op WW</title>
         <link>http://feedproxy.google.com/~r/dirkzwager_nl/~3/PcrtSD7GEmo/</link>
         <description>Een werknemer die een aanbod tot verlenging van zijn arbeidsovereenkomst afslaat, komt sinds 1 januari 2012 niet zonder meer in aanmerking voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Voorheen kwam hij dat wel. De wetgever heeft hiertoe de wet gewijzigd. In dit artikel zal ik deze wijziging toelichten.
Als een werknemer het aanbod van [...]</description>
         <guid isPermaLink="false">http://dirkzwagerarbeidsrecht.nl/?p=1413</guid>
         <pubDate>Tue, 21 Feb 2012 08:55:04 +0000</pubDate>
         <content:encoded><![CDATA[<p>Een werknemer die een aanbod tot verlenging van zijn arbeidsovereenkomst afslaat, komt sinds 1 januari 2012 niet zonder meer in aanmerking voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Voorheen kwam hij dat wel. De wetgever heeft hiertoe de wet gewijzigd. In dit artikel zal ik deze wijziging toelichten.<span id="more-1413"></span></p>
<p>Als een werknemer het aanbod van de werkgever tot verlenging van zijn (ongewijzigde) arbeidsovereenkomst weigert, kwalificeert dit juridisch in beginsel als ‘het werkloos zijn of blijven door het door eigen toedoen geen passende arbeid behouden’ (artikel 24 lid 1 aanhef en sub b onder 3 WW). Lid 7 van dit artikel bepaalde tot 1 januari 2012 dat het niet behouden van passende arbeid op exact dezelfde wijze getoetst moest worden als artikel 24 lid 1 aanhef en sub a WW, het verwijtbaar werkloos worden. Deze toets uit artikel 24 lid 2 WW is als volgt:</p>
<p> <em>De werknemer is verwijtbaar werkloos geworden indien:</em></p>
<ol>
<li><em>a.   </em><em>aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de werknemer terzake een verwijt kan worden gemaakt;</em></li>
<li><em>b.   </em><em>de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de werknemer zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd.</em></li>
</ol>
<p>Op 24 juni 2009 heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) uitgemaakt dat het afslaan van een aanbod tot verlenging van de arbeidsovereenkomst niet onder een van de twee gronden uit bovengenoemde toets valt (<a rel="nofollow" target="_blank" href="http://www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=BJ1576">LJN: BJ1576</a><span style="text-decoration:underline;">)</span>. De CRvB constateerde namelijk dat er bij het aflopen van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd sprake is van een beëindiging van rechtswege, zodat aan de beëindiging geen dringende reden ten grondslag ligt en de werknemer ook niet om de beëindiging heeft verzocht. De arbeidsovereenkomst eindigt immers uit zichzelf: geen van de contractspartijen hoeft daartoe een handeling te verrichten. Doordat een beëindiging van rechtswege volgens de CRvB niet onder een van de twee gronden van verwijtbaarheid valt, had dit tot gevolg dat het UWV geen maatregel kon opleggen aan de werknemer. Een werknemer mocht dus een aanbod tot verlenging weigeren, om vervolgens aanspraak te maken op een volledige WW-uitkering.</p>
<p>Dat een werknemer een verlenging mocht weigeren zonder dat dit gevolgen had voor zijn aanspraak op een WW-uitkering, was zeer ongewenst. De wetgever had dit ook niet beoogd. De Werkloosheidswet gaat er immers van uit dat werkloosheid moet zien te worden voorkomen, en als een werknemer toch werkloos wordt, dan moet hij weer zo snel mogelijk aan het werk proberen te komen. Dit uitgangspunt maakte het mogen weigeren van een verlenging door een werknemer nog onbegrijpelijker, nu deze in het kader van de WW juist gehouden is passende arbeid te aanvaarden. Als de werknemer zodoende eenmaal een WW-uitkering ontving en de werkgever deed hem datzelfde aanbod voor zijn voorheen eigen arbeid nogmaals, dan was hij verplicht dat aanbod te aanvaarden! Als hij dat niet deed, verloor hij volledig zijn recht op een WW-uitkering. De wet was daarom inconsequent.</p>
<p>Om deze redenen heeft de wetgever per 1 januari 2012 artikel 24 lid 7 WW gewijzigd. Sinds deze datum geldt er een uitgebreidere toets op ‘het werkloos zijn of blijven door het door eigen toedoen geen passende arbeid behouden’. Artikel 24 lid 7 WW luidt nu als volgt:</p>
<p><em>Het tweede en zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het eerste lid, onderdeel b, onder 3, waarbij voor de overeenkomstige toepassing van het tweede lid, onderdeel b, voor «de dienstbetrekking is beëindigd» mede wordt gelezen: de arbeid is beëindigd of niet voortgezet.</em></p>
<p>Uit de <a rel="nofollow" target="_blank" href="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-33015-3.html">Memorie van Toelichting[1]</a> blijkt dat volgens de wetgever onder ‘niet voortgezet’ de besproken situatie valt dat een werknemer een aanbod tot verlenging van zijn arbeidsovereenkomst weigert. Uit het eerder geciteerde artikel 24 lid 2 WW volgt echter wel, dat afwijzing van een aanbod tot verlenging van de arbeidsovereenkomst door de werknemer niet leidt tot een maatregel indien aan de voortzetting zodanige bezwaren zijn verbonden dat voortzetting niet van de werknemer kon worden gevergd. Een werknemer is dus niet altijd gehouden een aanbod tot verlenging van zijn arbeidsovereenkomst te aanvaarden.</p>
<p>Deze recente wijziging van artikel 24 WW heeft grote consequenties voor werknemers. Zij kunnen immers niet meer zonder risico’s een aanbod tot verlenging van hun arbeidsovereenkomst weigeren. Maar ook eigenrisicodragers voor de WW hebben een groot belang bij deze wijziging. Zij hebben nu een extra mogelijkheid om hun uitkeringslasten te beperken, nu niet meer aan elke werknemer die op eigen initiatief de organisatie verlaat een WW-uitkering zal hoeven te worden toegekend. Gezien de maximale duur van de WW (38 maanden) kan dit tot een flinke kostenbesparing leiden.</p>
<hr size="1"/>
<div>
<div>
<p><a rel="nofollow" target="_blank" href="http://dirkzwagerarbeidsrecht.nl/wp-admin/post-new.php#_ftnref1">[1]</a> <em>Kamerstukken II</em>, 2011/12, 33 015, nr. 3, p. 7.</p>
</div>
</div><img src="http://feeds.feedburner.com/~r/dirkzwager_nl/~4/PcrtSD7GEmo" height="1" width="1"/>]]></content:encoded>
      <feedburner:origLink>http://dirkzwagerarbeidsrecht.nl/2012/02/21/werknemers-verliezen-voortaan-sneller-hun-recht-op-ww/</feedburner:origLink></item>
      <item>
         <title>22 maart 2012 : Seminar 360° on renewable energy</title>
         <link>http://feedproxy.google.com/~r/dirkzwager_nl/~3/JIg52UOs6aA/</link>
         <description>[ 2012-03-22; 15:00 tot 19:00. 15:00 tot 19:00. 15:00 tot 19:00. 15:00 tot 19:00. ] Investeert u in hernieuwbare energie of toch maar beter niet? Beslissen over de juiste investering in hernieuwbare energie is voor een bedrijf vandaag verre van eenvoudig. U wordt wellicht geconfronteerd met talloze vragen. 

	Hebben investeringen in zonnepanelen zin?
	Hoe realistisch is het plaatsen van een eigen windturbine of WKO systeem?
	Welke faciliteiten biedt de Provincie Gelderland?
	Wat zijn [...]</description>
         <guid isPermaLink="false">http://dirkzwagerondernemingsrecht.nl/?p=2481</guid>
         <pubDate>Mon, 20 Feb 2012 15:03:40 +0000</pubDate>
         <content:encoded><![CDATA[<p>Investeert u in hernieuwbare energie of toch maar beter niet? Beslissen over de juiste investering in hernieuwbare energie is voor een bedrijf vandaag verre van eenvoudig. U wordt wellicht geconfronteerd met talloze vragen. <span id="more-2481"></span></p>
<ul>
<li>Hebben investeringen in zonnepanelen zin?</li>
<li>Hoe realistisch is het plaatsen van een eigen windturbine of WKO systeem?</li>
<li>Welke faciliteiten biedt de Provincie Gelderland?</li>
<li>Wat zijn de nieuwe technologieën die u in de gaten moet houden?</li>
<li>Wat vindt uw bank van een investeringsproject in hernieuwbare energie?</li>
<li>Hoe kunt u zeker zijn dat de beloftes van leveranciers worden waargemaakt?</li>
<li>Wat zijn de juridische stappen die u dient te nemen?</li>
</ul>
<p><strong>Seminar</strong><br />
ENCON, ING, Dirkzwager Advocaten &amp; Notarissen en Provincie Gelderland organiseren samen een seminar dat dient als eerste en belangrijke stap om heel wat onduidelijkheid en vragen weg te nemen. Een energie specialist, een bankier, een jurist en de Provincie Gelderland laten u delen in hun kennis en inzichten.<br />
Ontdek dat investeren in hernieuwbare energie niet alleen goed is voor het milieu, maar ook voor uw resultatenrekening.</p>
<p><strong>Datum, tijdstip en locatie</strong><br />
Donderdag 22 maart 2012 van 15.00u tot 19.00u, Kasteelboerderij van het Nederlands Openlucht Museum te Arnhem.</p>
<p><strong>Inschrijven</strong><br />
Inschrijven voor dit seminar kan via <a rel="nofollow" target="_blank" href="http://www.360energy.nl">www.360energy.nl<br />
</a>Aan deelname zijn geen kosten verbonden.</p><img src="http://feeds.feedburner.com/~r/dirkzwager_nl/~4/JIg52UOs6aA" height="1" width="1"/>]]></content:encoded>
      <feedburner:origLink>http://dirkzwagerondernemingsrecht.nl/2012/02/20/22-maart-2012-seminar-360a-on-renewable-energy/</feedburner:origLink></item>
      <item>
         <title>Niet altijd recht op betaling inactieve uren bij beschikbaarheidsdiensten</title>
         <link>http://feedproxy.google.com/~r/dirkzwager_nl/~3/4Md9HPQ5C_w/</link>
         <description>Bij beschikbaarheidsdiensten waarbij geen verplichting geldt om aanwezig te zijn op de fysieke werkplek bestaat geen onvoorwaardelijk recht op betaling van zogenoemde inactieve uren. Dit heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch onlangs, in lijn met jurisprudentie van het Hof Van Justitie van de Europese gemeenschappen, bepaald.
De kern van het geschil
In deze zaak bestond verschil van mening over [...]</description>
         <guid isPermaLink="false">http://dirkzwagerarbeidsrecht.nl/?p=1402</guid>
         <pubDate>Mon, 20 Feb 2012 12:55:09 +0000</pubDate>
         <content:encoded><![CDATA[<p>Bij beschikbaarheidsdiensten waarbij geen verplichting geldt om aanwezig te zijn op de fysieke werkplek bestaat geen onvoorwaardelijk recht op betaling van zogenoemde inactieve uren. Dit heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch onlangs, in lijn met jurisprudentie van het Hof Van Justitie van de Europese gemeenschappen, bepaald.<span id="more-1402"></span></p>
<p><strong>De kern van het geschil</strong><br />
In deze zaak bestond verschil van mening over de (wijze van) vergoeding van de door werknemer gewerkte uren in zijn functie van chauffeur/berger. De werknemer diende tijdens bepaalde diensten zijn voertuig mee naar huis te nemen en zich nabij dit voertuig te bevinden, omdat hij binnen twintig minuten na een ongevalmelding ter plaatse diende te zijn. Hierdoor kon hij de inactieve uren in zijn eigen huis doorbrengen. De werkgever vergoedde in dit kader enkel de uren die verband hielden met de feitelijke afhandeling van incidenten (actieve uren). De overige uren, waarbij werknemer niet daadwerkelijk aan het werk was maar wel nabij zijn auto moest verblijven (inactieve uren), niet. De werknemer voerde aan dat de auto zijn werkplek was en verwees naar de <a rel="nofollow" target="_blank" href="http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=OJ:L:2003:299:0009:0019:nl:PDF">Europese Richtlijn (2003/88)</a> ter onderbouwing van zijn stelling dat de inactieve uren ook als arbeidstijd aangemerkt dienden te worden. Daarnaast stelde hij dat actieve en inactieve uren niet verschillend beloond mochten worden.   </p>
<p><strong>Inactieve uren hebben niet altijd te gelden als arbeidstijd</strong><br />
Het gerechtshof overwoog dat volgens vaste rechtspraak van het Europese Hof van Justitie diensten waarbij werknemers fysiek aanwezig moeten zijn om hun werkplek &#8211; ook indien die diensten perioden van inactiviteit omvatten (waarin al dan niet geslapen wordt) – in zijn geheel als arbeidstijd moeten worden aangemerkt. Het gerechtshof verwees hierbij naar het Jaegerarrest (<a rel="nofollow" target="_blank" href="http://curia.europa.eu/jurisp/cgi-bin/gettext.pl?lang=en&amp;num=79969090C19020151&amp;doc=T&amp;ouvert=T&amp;seance=ARRET">LJN BU0250</a>), waaruit onder meer blijkt dat de tijd waarbij een werknemer zich beschikbaar moet houden voor werk op een plek waarbij hij gescheiden is van zijn gezin en sociale leven en minder vrijheid heeft om de tijd te besteden waarin geen beroepswerkzaamheden van hem worden verlangd, moet worden aangemerkt als arbeidstijd.</p>
<p>Werknemer in deze zaak verbleef gedurende zijn inactieve uren in zijn eigen woning, wat volgens het gerechtshof niet als ‘rondom de werklek (de bergingsauto)’ kon worden gekwalificeerd. Het nam dan ook geen verplichting tot fysieke aanwezigheid op de werkplek aan en hiermee was er geen sprake van arbeidstijd in de zin van Richtlijn 2003/88.   </p>
<p><strong>Differentiatie van beloning voor actieve en inactieve uren is geoorloofd</strong><br />
Aangezien geen sprake was van arbeidstijd oordeelde het gerechtshof in de onderhavige zaak dat de uren niet beloond hoefden te worden. Het gerechtshof ging echter nog een stap verder door te oordelen dat, zelfs wanneer wel sprake was geweest van arbeidstijd tijdens de inactieve uren, de actieve en inactieve uren wel verschillend beloond hadden mogen worden. Dit wordt gemotiveerd met het Jaegerarrest (<a rel="nofollow" target="_blank" href="http://curia.europa.eu/jurisp/cgi-bin/gettext.pl?lang=en&amp;num=79969090C19020151&amp;doc=T&amp;ouvert=T&amp;seance=ARRET">LJN BU0250</a>) en de Vorelbeschikking (<a rel="nofollow" target="_blank" href="http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=CELEX:62005CO0437:NL:HTML">LJN BC8784</a>) van het Hof van Justitie, waaruit volgt dat perioden van daadwerkelijke arbeidsprestaties en perioden waarin geen arbeid wordt verricht verschillend mogen worden beloond, zelfs in de situatie dat diensten volledig als arbeidstijd moeten worden aangemerkt. Hierbij merkt het gerechtshof op dat het uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie (vooralsnog) niet op valt te maken dat dit verschil in beloning gebaseerd moet zijn op een heldere en objectieve maatstaf.</p>
<p><strong>Conclusie</strong><br />
Om inactieve uren aan te kunnen merken als arbeidstijd, en hiermee als werknemer aanspraak te kunnen maken op enige beloning tijdens deze uren, is het noodzakelijk dat een werknemer gedurende de beschikbaarheidsdienst fysiek aanwezig is op een door de werkgever aangewezen plek, waarbij hij gescheiden is van zijn gezin en sociale leven. Daarbij komt dat voor zover de inactieve uren als arbeidstijd dienen te worden aangemerkt, deze uren anders beloond mogen worden dan de actieve uren.</p>
<p><em>Bron: Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 20 december 2011, JAR 2012/34.</em></p><img src="http://feeds.feedburner.com/~r/dirkzwager_nl/~4/4Md9HPQ5C_w" height="1" width="1"/>]]></content:encoded>
      <feedburner:origLink>http://dirkzwagerarbeidsrecht.nl/2012/02/20/niet-altijd-recht-op-betaling-inactieve-uren-bij-beschikbaarheidsdiensten/</feedburner:origLink></item>
      <item>
         <title>NMa: inkoop medische hulpmiddelen kan efficiënter</title>
         <link>http://feedproxy.google.com/~r/dirkzwager_nl/~3/g_LRoskW7Ms/</link>
         <description>Een wellicht opmerkelijke oproep van de NMa. Zorgaanbieders zouden meer moeten samenwerken bij de inkoop van medische hulpmiddelen. Volgens Henk Don, bestuurslid van de NMa kunnen zorgaanbieders inkoopprocessen professionaliseren door krachten te bundelen via inkoopcombinaties en gebruik te maken van openbare aanbestedingen. Dit dwingt fabrikanten en leveranciers van medische hulpmiddelen volgens Henk Don tot een [...]</description>
         <guid isPermaLink="false">http://dirkzwagerondernemingsrecht.nl/?p=2477</guid>
         <pubDate>Mon, 20 Feb 2012 09:23:10 +0000</pubDate>
         <content:encoded><![CDATA[<p>Een wellicht opmerkelijke <a rel="nofollow" target="_blank" href="http://www.nma.nl/documenten_en_publicaties/archiefpagina_nieuwsberichten/nieuwsberichten/2012/04_12_nma__effici_nt_inkopen_leidt_tot_kostenbeheersing_medische_hulpmiddelen.aspx">oproep</a> van de NMa. Zorgaanbieders zouden meer moeten samenwerken bij de inkoop van medische hulpmiddelen. Volgens <a rel="nofollow" target="_blank" href="http://www.nma.nl/over_de_nma/raad_van_bestuur/henk_don/default.aspx">Henk Don</a>, bestuurslid van de NMa kunnen zorgaanbieders inkoopprocessen professionaliseren door krachten te bundelen via inkoopcombinaties en gebruik te maken van openbare aanbestedingen. Dit dwingt fabrikanten en leveranciers van medische hulpmiddelen volgens Henk Don tot een optimaal aanbod en kan leiden tot kostenbesparingen. <span id="more-2477"></span></p>
<p><strong>Sectorstudie</strong><br />
De NMa en het <a rel="nofollow" target="_blank" href="http://www.rijksoverheid.nl/ministeries/vws">Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en sport </a>hebben onderzoeksbureau <a rel="nofollow" target="_blank" href="http://www.ecorys.nl/nl/home">Ecorys</a> een sectorstudie medische hulpmiddelen (zoals kunstheupen, röntgenapparatuur, stomamateriaal en mondkapjes) laten uitvoeren. In het <a rel="nofollow" target="_blank" href="http://www.nma.nl/images/Onderzoek naar de structuur en werking van de markt voor medische hulpmiddelen22-196925.pdf">onderzoeksrapport</a> constateert Ecorys dat er op de markt voor de medische hulpmiddelen twee belangrijkste <em>‘marktverstorende factoren’</em> zijn (i) de aanwezigheid van marktfalen en (ii) het feit dat de vraagzijde van de markt niet heel erg sterk is.</p>
<p><strong>Verbetering van de marktwerking</strong><br />
Ecorys draagt een aantal oplossingen aan die de werking van de markt moeten verbeteren.</p>
<ul>
<li>Zorgaanbieders zouden de vraag kunnen versterken door het inkoopproces verder te professionaliseren. Er zou gebruik kunnen worden gemaakt van openbare aanbestedingen of door het opzetten van een programma van eisen.</li>
<li>Er zouden prikkels voor efficiënter en effectiever inkopen moeten worden gecreëerd, waarbij tevens de huidige afwijkende deelbelangen aangepakt zullen moeten worden.</li>
<li>Zorgaanbieders zouden meer moeten samenwerken in inkoopcombinaties. In Duitsland blijken inkoopcombinaties actief waar soms 100 ziekenhuizen deel van uitmaken. Deze inkoopcombinaties blijken in staat heel scherp in te kopen.</li>
<li>Zorgaanbieders zouden meer informatie over marktuitkomsten met elkaar moeten delen. Op deze manier wordt de markt transparanter. Dit kan zorgaanbieders helpen om verbeterpunten in het inkoopproces te vinden.</li>
<li>Zorgverzekeraars zouden meer moeten sturen op inputs , waaronder in dit geval de medische hulpmiddelen.</li>
</ul>
<p>De door Ecorys aangedragen oplossingen moeten eraan bijdragen dat de kosten voor medische hulpmiddelen in de toekomst beheersbaar blijven.</p>
<p><strong>Gezamenlijke inkoop</strong><br />
De oproep aan zorgaanbieders om meer samen te gaan inkopen, zal diverse zorgaanbieders waarschijnlijk vreemd in de oren klinken. In het recente verleden zijn immers diverse zorgaanbieders door de NMa <a rel="nofollow" target="_blank" href="http://dirkzwagerondernemingsrecht.nl/2012/01/09/nma-beboet-landelijke-huisartsen-vereniging-en-feitelijk-leidinggevenden-vanwege-overtreding-kartelverbod/">beboet</a> omdat ze hadden samengewerkt. Echter uit de <a rel="nofollow" target="_blank" href="http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/kamerstukken/2010/03/12/1-richtsnoeren-voor-de-zorgsector.html">richtsnoeren voor de zorgsector 2010 </a>kan worden opgemaakt dat de NMa weldegelijk positief staat tegenover gezamenlijke inkoop door zorgaanbieders. De NMa gaat ervan uit dat gezamenlijke inkoop in het algemeen niet als doel heeft de mededinging te beperken. Dit laat onverlet dat gezamenlijke inkoop de mededinging soms kan beperken. Dit kan op de eerste plaats het geval zijn als de gezamenlijk inkopende partijen een sterke positie op de inkoopmarkt bezitten. Op de tweede plaats ontstaan er mededingingsrechtelijke problemen als door de gezamenlijke inkoop een groot deel van de kosten gemeenschappelijk worden. Hierdoor neemt de concurrentie tussen de inkopers af.</p><img src="http://feeds.feedburner.com/~r/dirkzwager_nl/~4/g_LRoskW7Ms" height="1" width="1"/>]]></content:encoded>
      <feedburner:origLink>http://dirkzwagerondernemingsrecht.nl/2012/02/20/nma-inkoop-medische-hulpmiddelen-kan-efficianter/</feedburner:origLink></item>
      <item>
         <title>Paard glijdt uit op weg: de wegbeheerder is niet aansprakelijk</title>
         <link>http://feedproxy.google.com/~r/dirkzwager_nl/~3/s8RK_mRngFA/</link>
         <description>Een amazone rijdt met haar paard op een asfaltweg. Op een gegeven moment glijdt het paard uit. De amazone en het paard komen samen ten val, waarbij het paard terecht komt op de voet van de amazone en de amazone haar enkel breekt. De amazone stelt de wegbeheerder (het Waterschap) aansprakelijk. De rechtbank Dordrecht wijst [...]</description>
         <guid isPermaLink="false">http://dirkzwagerondernemingsrecht.nl/?p=2473</guid>
         <pubDate>Mon, 20 Feb 2012 09:00:21 +0000</pubDate>
         <content:encoded><![CDATA[<p>Een amazone rijdt met haar paard op een asfaltweg. Op een gegeven moment glijdt het paard uit. De amazone en het paard komen samen ten val, waarbij het paard terecht komt op de voet van de amazone en de amazone haar enkel breekt. De amazone stelt de wegbeheerder (het Waterschap) aansprakelijk. <a rel="nofollow" target="_blank" href="http://www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=BV2250">De rechtbank Dordrecht </a>wijst de vordering tot schadevergoeding af. <span id="more-2473"></span></p>
<p><strong>Zorgplicht wegbeheerder</strong><br />
De amazone heeft de wegbeheerder primair aansprakelijk gesteld op grond van artikel 6:174 BW. Op grond van dit artikel is de wegbeheerder aansprakelijk wanneer de openbare weg niet<br />
voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen, waardoor zich een gevaar voor personen en zaken verwezenlijkt. Subsidiair heeft de amazone haar claim gebaseerd op het algemene onrechtmatige daad artikel 6:162 BW.</p>
<p>Volgens de amazone was het wegdek niet stroef en vertoonde het wegdek te veel kanteling. Ook zou de wegbeheerder, die op de hoogte was van de gevaarlijke situatie, niet afdoende hebben gewaarschuwd. De wegbeheerder en haar verzekeraar hebben aangevoerd dat zij niet aansprakelijk zijn omdat de weg voldeed aan de minimale normen.</p>
<p><strong>De rechtbank</strong><br />
De rechtbank beantwoordt aan de hand van onder meer de criteria die door de Hoge Raad zijn geformuleerd in het zogenaamde <a rel="nofollow" target="_blank" href="http://www.juridischeuitspraken.nl/19651105HRKelderluik.pdf">Kelderluik-arrest</a> de vraag of de weg voldeed aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mocht stellen. In het Kelderluik-arrest heeft de Hoge Raad een viertal criteria geformuleerd aan de hand waarvan kan worden bepaald of voldoende zorgvuldigheid in acht is genomen bij het bestaan van een gevaarlijke situatie:</p>
<ol>
<li>mate van waarschijnlijkheid dat een benadeelde (in casu de amazone) niet de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid in acht neemt;</li>
<li>kans dat daaruit ongevallen ontstaan;</li>
<li>ernst van de daaruit voortvloeiende gevolgen;</li>
<li>mate van bezwaarlijkheid van het treffen van veiligheidsmaatregelen</li>
</ol>
<p>Als relevante factoren noemt de rechtbank nog: de aard en drukte van de weg, de soort weggebruiker en de wijze waarop van de weg gebruikt wordt gemaakt, de mate waarin voor het gebrek wordt gewaarschuwd, de gerechtvaardigde verwachtingen van zowel de weggebruiker als de wegbeheerder, de weersomstandigheden en de financiële aspecten.</p>
<p>De rechtbank neemt als uitgangspunt dat een weg geschikt moet zijn voor het soort gebruik dat van de weg wordt gemaakt. In het onderhavige geval gaat het om een openbare geasfalteerde weg die is aangelegd ten behoeve van gemotoriseerd verkeer, fietsers en voetgangers en niet specifiek voor paarden. De rechtbank oordeelt dat de onderhoudsplicht van de wegbeheerder niet zover reikt dat hij het wegennet moet aanpassen aan verkeersdeelnemers die gebruik maken van een weg die niet (speciaal) voor hen is bedoeld. De wegbeheerder was dan ook niet gehouden om de weg geschikt te maken voor paarden. Omdat de weg niet speciaal bedoeld is voor paarden, hoefde de wegbeheerder ook niet te waarschuwen voor gladheid voor paarden.</p>
<p>De rechtbank wijst de vorderingen af die door de amazone zijn ingesteld tegen de wegbeheerder.</p><img src="http://feeds.feedburner.com/~r/dirkzwager_nl/~4/s8RK_mRngFA" height="1" width="1"/>]]></content:encoded>
      <feedburner:origLink>http://dirkzwagerondernemingsrecht.nl/2012/02/20/paard-glijdt-uit-op-weg-de-wegbeheerder-is-niet-aansprakelijk/</feedburner:origLink></item>
      <item>
         <title>Raad van State: herstel gebreken mag zonder toepassing van art. 3:4 Awb</title>
         <link>http://feedproxy.google.com/~r/dirkzwager_nl/~3/07L7fCeYD0U/</link>
         <description>De uitspraak van 15 februari 2012 van de Raad van State over een bestemmingsplan van de gemeente Gemert-Bakel (LJN: BV5067) is een goed voorbeeld van praktische en finale geschilbeslechting. Het bestemmingsplan, dat onder meer de uitbreiding van een betoncentrale mogelijk maakt, was in meerdere opzichten in strijd met de provinciale ruimtelijke verordening. De Raad van [...]</description>
         <guid isPermaLink="false">http://dirkzwageroverheid.nl/?p=2904</guid>
         <pubDate>Mon, 20 Feb 2012 08:00:38 +0000</pubDate>
         <content:encoded><![CDATA[<p>De uitspraak van 15 februari 2012 van de Raad van State over een bestemmingsplan van de gemeente Gemert-Bakel (<a rel="nofollow" target="_blank" href="http://www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=BV5067"><em>LJN</em>: BV5067</a>) is een goed voorbeeld van praktische en finale geschilbeslechting. Het bestemmingsplan, dat onder meer de uitbreiding van een betoncentrale mogelijk maakt, was in meerdere opzichten in strijd met de provinciale ruimtelijke verordening. De Raad van State draagt de gemeente op om binnen een door haar gestelde termijn deze gebreken te herstellen.<span id="more-2904"></span></p>
<p><strong>Strijd met provinciale verordening</strong><br />
In de provinciale verordening werd uitbreiding van een bestaand bedrijf geclausuleerd toegestaan, maar dan moest er wel sprake zijn van aantoonbare ruimtelijk-economische belangen voor de lange termijn die tot uitbreiding noodzaken. De Afdeling vond de onderbouwing in de plantoelichting op dat punt te mager en de daartegen gerichte beroepsgronden slaagden.</p>
<p><strong>Aantasting woon- en leefklimaat</strong><br />
Belanghebbenden hadden ook betoogd dat de beoogde uitbreiding tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat voor omwonenden zou leiden. In een rapport was als aanvullende geluidbeperkende maatregel onder meer genoemd het oprichten van een overkapping, maar het bestemmingsplan stond aan een toereikende overkapping in de weg. Bovendien werd in het voorliggende rapport geconcludeerd dat de geluidbelasting bij een aantal woningen zou toenemen. Het standpunt van de gemeente en van de betoncentrale ter zitting, dat de geluidsituatie ter plaatse kon worden verbeterd zonder aanpassing van het plan was niet nader onderbouwd. Ook deze beroepsgrond slaagde dus.</p>
<p><strong>Hoe nu verder?</strong><br />
De Raad van State voorziet in een praktische oplossing en gaat, in weerwil van de geconstateerde gebreken, (nog) niet over tot vernietiging van het plan. In het belang van een spoedige beëindiging van het geschil draagt de Raad van State de raad op de voet van artikel 46, zesde lid, van de WRvS op de gebreken in het bestreden besluit binnen de hierna te noemen termijn te herstellen. Het gaat daarbij om het alsnog deugdelijk motiveren welke ruimtelijk-economische belangen voor de lange termijn noodzaken tot uitbreiding van de betoncentrale, en het alsnog onderbouwen dat door de gewijzigde bedrijfsopzet een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor omwonenden kan worden gegarandeerd, dan wel een wijziging van het besluit door de vaststelling van een andere planregeling. De Afdeling bepaalt dat daarbij geen toepassing behoeft te worden gegeven aan afdeling 3.4 van de Awb.</p><img src="http://feeds.feedburner.com/~r/dirkzwager_nl/~4/07L7fCeYD0U" height="1" width="1"/>]]></content:encoded>
      <feedburner:origLink>http://dirkzwageroverheid.nl/2012/02/20/raad-van-state-herstel-gebreken-mag-zonder-toepassing-van-art-34-awb/</feedburner:origLink></item>
      <item>
         <title>Raad van State: uitwerkingsplicht in een bestemmingsplan staat voorop; gekozen inrichting wel toetsen aan goede ruimtelijke ordening</title>
         <link>http://feedproxy.google.com/~r/dirkzwager_nl/~3/Z04uMzweN6s/</link>
         <description>In haar uitspraak van 15 februari 2012 (LJN: BV5100) heeft de Raad van State relevante overwegingen gewijd aan de maatstaven voor de beoordeling van een uitwerkingsplan ter naleving van de in een bestemmingsplan opgenomen uitwerkingsplicht. De Raad van State maakte korte metten gemaakt met de benadering van de gemeente dat het vorige, niet gerealiseerde uitwerkingsplan [...]</description>
         <guid isPermaLink="false">http://dirkzwageroverheid.nl/?p=2901</guid>
         <pubDate>Fri, 17 Feb 2012 13:00:53 +0000</pubDate>
         <content:encoded><![CDATA[<p>In haar uitspraak van 15 februari 2012 (<a rel="nofollow" target="_blank" href="http://www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=BV5100"><em>LJN</em>: BV5100</a>) heeft de Raad van State relevante overwegingen gewijd aan de maatstaven voor de beoordeling van een uitwerkingsplan ter naleving van de in een bestemmingsplan opgenomen uitwerkingsplicht. De Raad van State maakte korte metten gemaakt met de benadering van de gemeente dat het vorige, niet gerealiseerde uitwerkingsplan ook al woningbouw mogelijk maakte zodat het nieuwe uitwerkingsplan op dat punt niet uitputtend behoefde te worden beoordeeld.<span id="more-2901"></span></p>
<p><strong>Uitwerkingsplicht staat voorop</strong><br />
De Afdeling overweegt in deze uitspraak dat bij de beoordeling van een uitwerkingsplan voorop staat dat aan een uitwerkingsplicht in een bestemmingsplan gevolg dient te worden gegeven en dat daarbij de uitwerkingsregels dienen te worden toegepast. Slechts bijzondere omstandigheden kunnen ertoe leiden dat aan deze verplichting kan worden voorbijgegaan. Het voorgaande brengt met zich dat door het onherroepelijk worden van de uit te werken bestemming in het bestemmingsplan &#8220;Nieuw-Oosteinde&#8221; de aanvaardbaarheid van de in het uitwerkingsplan opgenomen bestemming &#8220;Woondoeleinden 2&#8243; in beginsel als een gegeven moet worden beschouwd.<br />
Voor zover de uitwerkingsregels ruimte laten om de inrichting van het gebied in het uitwerkingsplan nader te bepalen, moet niettemin worden bezien of de gekozen inrichting van het uitwerkingsplan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.</p>
<p><strong>Alle belangen afwegen</strong><br />
In reactie op de verwijzing door de gemeente naar de mogelijkheden onder het oude, niet gerealiseerde uitwerkingsplan overweegt de Raad van State verder dat in het kader van het uitwerkingsplan alle betrokken belangen behoren te worden afgewogen, waarbij wordt bezien of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.</p><img src="http://feeds.feedburner.com/~r/dirkzwager_nl/~4/Z04uMzweN6s" height="1" width="1"/>]]></content:encoded>
      <feedburner:origLink>http://dirkzwageroverheid.nl/2012/02/17/raad-van-state-uitwerkingsplicht-in-een-bestemmingsplan-staat-voorop-gekozen-inrichting-wel-toetsen-aan-goede-ruimtelijke-ordening/</feedburner:origLink></item>
      <item>
         <title>Onteigening Veldhoven: in de administratieve procedure worden geen eisen gesteld aan een aanbod</title>
         <link>http://feedproxy.google.com/~r/dirkzwager_nl/~3/RileqUan3HI/</link>
         <description>In het KB Veldhoven van 13 januari 2012 (nr. 12.000047) zijn overwegingen opgenomen over het minnelijk overleg die voor de verwervings- en onteigeningspraktijk relevant zijn. De Kroon gaat in haar bespreking van zienswijzen in op de eisen die aan het aanbod voorafgaande aan de administratieve procedure moeten worden gesteld en op de vraag of en [...]</description>
         <guid isPermaLink="false">http://dirkzwageroverheid.nl/?p=2897</guid>
         <pubDate>Thu, 16 Feb 2012 17:00:14 +0000</pubDate>
         <content:encoded><![CDATA[<p>In het KB Veldhoven van 13 januari 2012 (<a rel="nofollow" target="_blank" href="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2012-2474.html">nr. 12.000047</a>) zijn overwegingen opgenomen over het minnelijk overleg die voor de verwervings- en onteigeningspraktijk relevant zijn. De Kroon gaat in haar bespreking van zienswijzen in op de eisen die aan het aanbod voorafgaande aan de administratieve procedure moeten worden gesteld en op de vraag of en wanneer aannemelijk is dat het minnelijk overleg voorlopig niet tot overeenstemming zal leiden.<span id="more-2897"></span></p>
<p><strong>Geen eisen aan aanbod</strong><br />
Meerdere belanghebbenden hadden als zienswijze tegen de onteigening ten behoeve van de uitvoering van een bestemmingsplan voor een ontsluitingsweg dat het onduidelijk was hoe de gemeente tot haar aanbieding was gekomen. Het aanbod was niet gespecificeerd zodat niet duidelijk was welke grondwaarde en welke schadeloosstellingen in het aanbod waren begrepen.</p>
<p>De Kroon overweegt, overigens in lijn met eerdere KB’s, dat het de gemeente vrij staat om haar aanbod op de door haar gewenste wijze te bepalen. De gemeente is daarbij niet verplicht zich op voorhand te conformeren aan hetgeen in de civielrechtelijke onteigeningsprocedure gebruikelijk is. In de administratieve onteigeningsprocedure kunnen ook geen eisen worden gesteld aan de totstandkoming van een aanbod of de wijze waarop dit wordt uitgebracht. Dit is anders in de gerechtelijke (dagvaardings)procedure, waarin uiteindelijk de burgerlijke rechter zich op grond van artikel 40 van de onteigeningswet zal moeten uitspreken over de onteigening en over de hoogte van de schadeloosstelling.</p>
<p><strong>Commentaar</strong><br />
Kortom, de gemeente kan in de administratieve fase volstaan met het aanbieden van één, niet in schadecomponenten verdeeld bedrag. Ook de hoogte van het aanbod behoeft niet te voldoen aan de uitgangspunten die de Onteigeningswet stelt ten aanzien van de schadeloosstelling. Uiteraard moet wel sprake zijn van een voldoende serieuze poging tot verwerving, dus een apert onredelijk aanbod zal niet door de beugel kunnen.</p>
<p><strong>Bij meerdere ‘gespreksonderwerpen’ sneller verzoekbesluit mogelijk</strong><br />
Meerdere belanghebbenden hadden in het kader van het minnelijk overleg nadere voorwaarden gesteld. Eén belanghebbende wilde ook de planschadevergoeding in het minnelijk overleg geregeld zien, een andere belanghebbende wilde uitsluitend praten over verkoop van ‘het geheel’.<br />
Dat is uiteraard mogelijk, maar voor de gemeente is dan wel eerder het moment daar waarop zij kan constateren dat partijen er niet uit zullen komen. Zo overweegt de Kroon:<br />
<em>“Daarbij nemen Wij mede in aanmerking het feit dat de reclamanten sub 3 het aspect planschade wensten te betrekken in het minnelijk overleg over de verwerving van hun eigendom. Mede daardoor was het ten tijde van het indienen van het verzoek om aanwijzing van gronden ter onteigening aannemelijk dat het minnelijk overleg voorlopig niet tot vrijwillige eigendomsoverdracht zou leiden. Gelet daarop mocht de verzoeker tot het indienen van dat verzoek besluiten teneinde de tijdige uitvoering van het bestemmingsplan te verzekeren.”</em></p>
<p>Kortom, de gemeente kan het minnelijk overleg op verzoek van belanghebbenden uitbreiden tot meer dan alleen de verwerving van de benodigde oppervlakte. De gemeente hoeft dat overigens niet te voldoen, al zal een weigering om over aankoop van het geheel dan wel (bijv.) over ruilgrond wel worden beoordeeld in het kader van de zorgvuldigheid van het gevoerde overleg.<br />
Het is bij overleg over ‘meer dan het benodigde’ altijd zaak om in ieder geval ook een aanbieding te doen gericht op (niet meer en niet minder dan) de benodigde oppervlakte. Komen partijen er niet uit dan kan de gemeente snel ‘doorpakken’ naar de onteigeningsprocedure.</p><img src="http://feeds.feedburner.com/~r/dirkzwager_nl/~4/RileqUan3HI" height="1" width="1"/>]]></content:encoded>
      <feedburner:origLink>http://dirkzwageroverheid.nl/2012/02/16/onteigening-veldhoven-in-de-administratieve-procedure-worden-geen-eisen-gesteld-aan-een-aanbod/</feedburner:origLink></item>
      <item>
         <title>Aanwezigheid rotonde resulteerde niet in BTW bouwterrein</title>
         <link>http://feedproxy.google.com/~r/dirkzwager_nl/~3/PB2YVq7S-HM/</link>
         <description>Levering van onroerende zaken is voor de heffing van BTW vrijgesteld. Dit is anders wanneer er sprake is van een bouwterrein in de zin van de BTW. Hiervan kan onder meer sprake zijn wanneer er sprake is van levering van onbebouwde grond waaraan in de omgeving voorzieningen zijn getroffen met het oog op de bebouwing [...]</description>
         <guid isPermaLink="false">http://dirkzwagervastgoed.nl/?p=1953</guid>
         <pubDate>Wed, 15 Feb 2012 14:18:51 +0000</pubDate>
         <content:encoded><![CDATA[<p>Levering van onroerende zaken is voor de heffing van BTW vrijgesteld. Dit is anders wanneer er sprake is van een bouwterrein in de zin van de BTW. Hiervan kan onder meer sprake zijn wanneer er sprake is van levering van onbebouwde grond waaraan in de omgeving voorzieningen zijn getroffen met het oog op de bebouwing van de grond.<span id="more-1953"></span></p>
<p>Bij de zaak die voor de rechtbank Breda diende op 26 september 2011 (<a rel="nofollow" target="_blank" href="http://www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=BU4758"><em>LJN</em>: BU4758</a>) was het de vraag of de aanleg van een rotonde in de omgeving van een nieuwbouwgebied er toe leidde dat er sprake was van een bouwterrein voor de BTW. In het geschil stond vast dat de overgedragen grond onbebouwd was ten tijde van de levering en dat in de omgeving daarvan de rotonde was aangelegd. Het initiatief voor de aanleg van de rotonde lag bij de provincie. De raad van de betreffende gemeente had een besluit genomen waaruit bleek dat de doelstelling van de rotonde een verbetering van de verkeersveiligheid en een verbeterde doorstroming van het verkeer was.</p>
<p>De rechtbank komt dan tot het oordeel dat de rotonde niet is aangelegd met het oog op de bebouwing van de grond. Dat de toekomstige aansluiting van het bouwgebied in de beschouwingen voor de aanleg is betrokken doet daar niet aan af aangezien dat blijkbaar slechts een bijkomend belang was en niet de doelstelling voor de aanleg van de rotonde. Daarbij speelt ook een rol dat de potentiële woningbouw ten tijde van de aanleg van de rotonde op een andere locatie was geprojecteerd dan de locatie waar het nieuwbouwproject uiteindelijk is gerealiseerd. Door deze wijziging van de locatie sluit het nieuwbouwgebied ook niet rechtstreeks meer aan op de rotonde.</p>
<p>Aangezien de aanleg van de rotonde dus niet met het oog op de bebouwing van de grond heeft plaatsgevonden, is de levering van de nieuwbouwlocatie vrijgesteld van BTW.</p><img src="http://feeds.feedburner.com/~r/dirkzwager_nl/~4/PB2YVq7S-HM" height="1" width="1"/>]]></content:encoded>
      <feedburner:origLink>http://dirkzwagervastgoed.nl/2012/02/15/aanwezigheid-rotonde-resulteerde-niet-in-btw-bouwterrein/</feedburner:origLink></item>
      <item>
         <title>Fors meer faillissementen</title>
         <link>http://feedproxy.google.com/~r/dirkzwager_nl/~3/a_AOqyVz_qM/</link>
         <description>In januari 2012 is het aantal uitgesproken faillissementen omhooggeschoten ten opzichte van het aantal in december 2011 uitgesproken faillissementen, zo blijkt uit recente cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek. 
Het aantal uitgesproken faillissementen bedroeg 680 in januari 2012, dit is ruim 160 meer dan in de maand daarvoor. Tevens meldt het CBS dat [...]</description>
         <guid isPermaLink="false">http://dirkzwagerondernemingsrecht.nl/?p=2470</guid>
         <pubDate>Wed, 15 Feb 2012 09:38:30 +0000</pubDate>
         <content:encoded><![CDATA[<p>In januari 2012 is het aantal uitgesproken faillissementen omhooggeschoten ten opzichte van het aantal in december 2011 uitgesproken faillissementen, zo blijkt uit recente cijfers van het <a rel="nofollow" target="_blank" href="http://www.cbs.nl">Centraal Bureau voor de Statistiek</a>. <span id="more-2470"></span></p>
<p>Het aantal uitgesproken faillissementen bedroeg 680 in januari 2012, dit is ruim 160 meer dan in de maand daarvoor. Tevens meldt het CBS dat het aantal faillissementen sinds de zomer van 2011 in rap tempo is toegenomen.</p><img src="http://feeds.feedburner.com/~r/dirkzwager_nl/~4/a_AOqyVz_qM" height="1" width="1"/>]]></content:encoded>
      <feedburner:origLink>http://dirkzwagerondernemingsrecht.nl/2012/02/15/fors-meer-faillissementen/</feedburner:origLink></item>
      <item>
         <title>Geen overgangsregeling wijziging cultuurbeleid</title>
         <link>http://feedproxy.google.com/~r/dirkzwager_nl/~3/rnJFHKHwLyI/</link>
         <description>De Tweede Kamer heeft op 14 februari 2012 de wijziging op het cultuurbeleid aangenomen. Daarmee heeft staatssecretaris Zijlstra de eerste stap richting de wetswijziging gezet. De moties Van der Ham en Bosma zijn beiden verworpen. Dit is voor de cultuursector respectievelijk slecht en goed nieuws.
Motie Van der Ham
De motie Van der Ham bepleitte juridisch advies [...]</description>
         <guid isPermaLink="false">http://dirkzwagerarbeidsrecht.nl/?p=1394</guid>
         <pubDate>Wed, 15 Feb 2012 09:38:18 +0000</pubDate>
         <content:encoded><![CDATA[<p>De Tweede Kamer heeft op 14 februari 2012 de wijziging op het cultuurbeleid aangenomen. Daarmee heeft staatssecretaris Zijlstra de eerste stap richting de wetswijziging gezet. De moties Van der <a rel="nofollow" target="_blank" href="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-33100-7.html">Ham</a> en <a rel="nofollow" target="_blank" href="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-33100-8.html">Bosma</a> zijn beiden verworpen. Dit is voor de cultuursector respectievelijk slecht en goed nieuws.<span id="more-1394"></span></p>
<p><strong>Motie Van der Ham</strong></p>
<p>De motie Van der Ham bepleitte juridisch advies over de vraag of de gekozen snelheid van invoering van het nieuwe cultuurstelsel na aanvaarding stand zal houden bij eventuele juridische aanvechting, teneinde extra kosten te voorkomen. Met name voor grote instellingen kunnen door de wets- en beleidswijziging problemen ontstaan in langdurige afspraken die op grond van de basisinfrastructuur zijn gemaakt. De snelheid van invoering brengt mogelijk extra frictiekosten met zich, hetgeen uiteindelijk op het conto van de Rijksoverheid zal komen. Veel instellingen zijn niet vermogend genoeg om bijvoorbeeld de kosten van ontslagregeling zelf te dragen. Zeker niet indien het in zogenaamde B3 stichtingen gaat, die eigen risico drager zijn met betrekking tot de WW-lasten. Deze frictiekosten zullen waarschijnlijk voor een groot deel door de overheid bekostigd worden. Een snelle invoering bespaart subsidies, maar levert veel frictiekosten op.</p>
<p>Van der Ham refereerde aan de problematiek over de WWIK, zie ook mijn <a rel="nofollow" target="_blank" href="http://dirkzwagerarbeidsrecht.nl/2012/02/10/bezuiniging-op-cultuur-instellingen-bereiden-reorganisaties-voor-terwijl-wet-nog-niet-is-aangenomen/">eerdere bijdrage</a>. De rechter hield de snelle afschaffing van de WWIK tegen en gelaste een overgangsregeling. Het is afwachten of de Eerste Kamer het huidige wetsvoorstel aanneemt. Dat staat zeker niet vast.</p>
<p><strong>Motie Bosma</strong></p>
<p>De motie Bosma is eveneens verworpen. Dat is het goede nieuws voor de cultuursector. Bosma stelde voor de eigen inkomstennorm voor culturele instellingen te verhogen tot 50%. Deze norm is zodanig hoog, dat vermoedelijke vele instellingen het niet zouden overleven. Met vele ontslagen tot gevolg. De voorbereidingen voor reorganisaties hoeven vooralsnog niet te worden opgeschroefd naar een hoge niveau van krimp.</p><img src="http://feeds.feedburner.com/~r/dirkzwager_nl/~4/rnJFHKHwLyI" height="1" width="1"/>]]></content:encoded>
      <feedburner:origLink>http://dirkzwagerarbeidsrecht.nl/2012/02/15/geen-overgangsregeling-wijziging-cultuurbeleid/</feedburner:origLink></item>
      <item>
         <title>Bezuiniging op cultuur: instellingen bereiden reorganisaties voor, terwijl wet nog niet is aangenomen</title>
         <link>http://feedproxy.google.com/~r/dirkzwager_nl/~3/_wTOcDsoaw4/</link>
         <description>Op 8 februari jl. vond in de Tweede Kamer opnieuw een debat plaats over (kort gezegd) de wijziging van de Wet op het specifiek cultuurbeleid (wetsvoorstel nummer 33 100). Boris van der Ham van D66 merkte terecht op dat dit een wet is waar de regering in wezen al beleid bij heeft gemaakt -en waarop [...]</description>
         <guid isPermaLink="false">http://dirkzwagerarbeidsrecht.nl/?p=1389</guid>
         <pubDate>Fri, 10 Feb 2012 10:20:46 +0000</pubDate>
         <content:encoded><![CDATA[<p>Op 8 februari jl. vond in de Tweede Kamer opnieuw een debat plaats over (kort gezegd) de wijziging van de Wet op het specifiek cultuurbeleid (wetsvoorstel nummer 33 100). Boris van der Ham van D66 merkte terecht op dat dit een wet is waar de regering in wezen al beleid bij heeft gemaakt -en waarop door instellingen geanticipeerd wordt- terwijl het wetsvoorstel nog niet door de Tweede respectievelijk Eerste Kamer is aangenomen. De aanvraag voor Rijkssubsidie voor de periode 2013-2016 is per 1 februari 2012 ingediend, medezeggenschapstrajecten lopen en reorganisaties zijn aangekondigd. Hiermee wordt in wezen ‘voor de muziek uitgelopen’, maar voorbereidingen zijn onvermijdelijk. Toch is er nog een beetje hoop, op bijvoorbeeld een overgangsregeling.<span id="more-1389"></span></p>
<p>Op 14 februari 2012 stemt de Tweede Kamer over het wetsvoorstel. Zoals het er nu naar uit ziet, zullen VVD, CDA en PVV voor stemmen en wordt een Kamermeerderheid bereikt. Bezuinigingen an sich en het stimuleren van ondernemerschap lijken behoorlijk breed te worden gedragen, maar het tempo waarin en de grote stappen die worden genomen, kunnen op minder steun rekenen. Ik acht het niet ondenkbaar dat de Eerste Kamer de wet in huidige vorm niet zo maar zal accepteren. Vanwege de stemverhoudingen, maar ook vanuit de controlerende rol die zij uitoefent op in te voeren wetgeving (vergelijk het elektronisch patiëntendossier).</p>
<p>Een struikelblok zou kunnen zijn het ontbreken van een overgangsregeling. In het kader van de afschaffing van de Wet inkomen kunstenaars (WWIK), oordeelde de rechter dat een overgangsregeling moest worden ingesteld. Een dergelijke discussie zou ook op het terrein van subsidie aan de instellingen kunnen ontstaan. Terecht merkt de heer Van der Ham (D66) op:</p>
<p>“<em>Of je nou voor of tegen deze wet bent, we moeten een wet maken waarbij de regering straks niet nat gaat voor de rechter als 21 van de &#8212; uit mijn hoofd &#8212; 52 kunstinstellingen bezwaar aantekenen. Het is een wet waar de regering eigenlijk al beleid bij heeft gemaakt terwijl het wetsvoorstel nog niet is goedgekeurd door de Eerste en de Tweede Kamer. Als de regering zich op die manier kwetsbaar maakt, kan het net als bij de WWik gebeuren dat het de belastingbetaler, ons allen, geld gaat kosten. Staatssecretaris De Krom heeft 2 mln. extra moeten betalen aan proceskosten en aan het opstarten van een systeem dat eigenlijk al was afgebouwd</em>.”</p>
<p>Ook de heer Van Dijk (SP) wijst op het nut en de redelijkheid van een overgangsregeling:</p>
<p>“<em>Het langjarig subsidieperspectief komt te vervallen. Deze regeling is echter recentelijk nog ingevoerd. Hoe zit het nu met de rechtszekerheid voor de instellingen in verband met de verplichtingen die ze zijn aangegaan? Zou een overgangsperiode niet redelijk zijn, zoals de Raad voor Cultuur ook suggereert? 21 instellingen hebben bezwaar gemaakt, zo lezen wij in de stukken.”</em></p>
<p>Het is afwachten of Staatssecretaris Zijlstra zich hier iets van aan zal trekken. De Raad van State heeft een blanco advies afgegeven, stelt Zijlstra. Dat zou voldoende moeten zijn. Anderzijds heeft de Raad voor Cultuur ook een overgangsperiode voorgesteld. Het blijft nog afwachten, terwijl ondertussen in de sector zelf wordt geanticipeerd op het subsidiebesluit dat er op Prinsjesdag zou moeten zijn. Alhoewel de exacte afloop nog niet duidelijk is, is het mijns inziens toch verstandig om –uitgaand van het slechte scenario- reorganisaties zo veel mogelijk voor te bereiden. Medezeggenschapstrajecten nemen behoorlijk wat tijd, evenals overleg over een Sociaal Plan. Uitgaande van een gewijzigde subsidie per 1 januari 2013, kunnen veel cultuurinstellingen mijns inziens niet anders dan maatregelen voorbereiden. Opzegtermijnen zijn met name in de podiumkunsten vaak gekoppeld aan de seizoenen, om ontslag per januari 2013 te realiseren moet tijdig actie worden ondernomen.</p><img src="http://feeds.feedburner.com/~r/dirkzwager_nl/~4/_wTOcDsoaw4" height="1" width="1"/>]]></content:encoded>
      <feedburner:origLink>http://dirkzwagerarbeidsrecht.nl/2012/02/10/bezuiniging-op-cultuur-instellingen-bereiden-reorganisaties-voor-terwijl-wet-nog-niet-is-aangenomen/</feedburner:origLink></item>
      <item>
         <title>De provincie is haar bevoegdheid tot (het onthouden van) goedkeuring van een bestemmingplan definitief verloren, maar haar invloed op de gemeentelijke bestemmingsplanprocedure nog niet</title>
         <link>http://feedproxy.google.com/~r/dirkzwager_nl/~3/lFwmtllfBDc/</link>
         <description>De Wro verleent de provincie niet langer de bevoegdheid om haar goedkeuring aan een bestemmingsplan te geven dan wel te onthouden. Heeft de provincie deze bevoegdheid echter nog wel indien het bestemmingsplan een partiële herziening is van een bestemmingsplan waaraan de provincie, conform haar bevoegdheid op grond van de WRO (oud), haar goedkeuring had onthouden? [...]</description>
         <guid isPermaLink="false">http://dirkzwageroverheid.nl/?p=2891</guid>
         <pubDate>Fri, 10 Feb 2012 10:00:55 +0000</pubDate>
         <content:encoded><![CDATA[<p>De Wro verleent de provincie niet langer de bevoegdheid om haar goedkeuring aan een bestemmingsplan te geven dan wel te onthouden. Heeft de provincie deze bevoegdheid echter nog wel indien het bestemmingsplan een partiële herziening is van een bestemmingsplan waaraan de provincie, conform haar bevoegdheid op grond van de WRO (oud), haar goedkeuring had onthouden? En kan een gemeente nu de provincie niet langer haar goedkeuring verleent helemaal zonder provinciale invloed bestemmingsplannen vaststellen?<span id="more-2891"></span></p>
<p><strong>Geen bevoegdheid tot goedkeuring van bestemmingsplan voor provincie</strong><br />
In haar uitspraak van 18 januari 2012 (<a rel="nofollow" target="_blank" href="http://www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=BV1211"><em>LJN</em>: BV1211</a>) legt de Afdeling de verhouding tussen het college van gedeputeerde staten van de provincie (hierna: ‘provincie’) en de raad van de gemeente (hierna: ‘gemeente’) onder de nieuwe Wro nog eens goed uit. Onder de WRO (oud) bezat de provincie op grond van artikel 28 WRO de bevoegdheid om haar goedkeuring aan een bestemmingsplan van de gemeente te verlenen dan wel (gedeeltelijk) te onthouden. In de onderhavige casus heeft de provincie Noord-Holland gebruik gemaakt van deze bevoegdheid door haar goedkeuring te onthouden aan een deel van het door de gemeente Andijk op 4 maart 2008 vastgestelde bestemmingsplan ‘Woongebied Andijk’.<br />
Bij besluit van 25 maart 2010 heeft de gemeente Andijk het bestemmingsplan ‘Woongebied Andijk 1e partiële herziening’ vastgesteld. Appellant voert aan dat voor dit bestemmingsplan goedkeuring van de provincie vereist is omdat deze eerder werd onthouden.<br />
De Afdeling overweegt dat op 1 juli 2008 de WRO is ingetrokken en de Wro in werking is getreden. Het (nieuwe) ontwerpplan is na 1 juli 2008 ter inzage gelegd zodat hierop de Wro van toepassing is. Anders dan appellant betoogt, brengt de onthouding van de goedkeuring niet met zich dat hierdoor de WRO van toepassing blijft. Na de onthouding van goedkeuring vangt een nieuwe procedure tot vaststellen van het bestemmingsplan aan. De Wro noch het daarbij behorende overgangsrecht voorziet in een bepaling dat de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening moet houden met een besluit tot onthouding van goedkeuring aan een onder de WRO tot stand gekomen plan.</p>
<p><strong>Gemeente moet wel overleg voeren met de provincie</strong><br />
Betekent het verdwijnen van de bevoegdheid tot (onthouden van) goedkeuring dan het einde van de provinciale invloed? Nee. De provincie heeft nog haar aanwijzingsbevoegdheid op grond van artikel 4.2 Wro en moet blijkens deze uitspraak door een gemeente voldoende geïnformeerd worden om deze bevoegdheid te kunnen gebruiken.<br />
De Afdeling overweegt dat gelet op artikel 3.1.1 lid 1 Bro de gemeente in het kader van de bestemmingsplanprocedure verplicht is om overleg te voeren met de diensten van de provincie die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening. Slechts bij hoge uitzondering hoeft dit overleg niet plaats te vinden, namelijk indien het duidelijk gaat om een herziening van geringe omvang dan wel van in planologisch opzicht ondergeschikt belang. In deze zaak heeft het overleg niet plaatsgevonden en acht de Afdeling de uitzondering niet van toepassing, hetgeen volgens de Afdeling des te meer klemt nu de provincie haar goedkeuring aan een eerder bestemmingsplan had onthouden.<br />
De gemeente verzoekt om het gebrek te laten herstellen door toepassing van de bestuurlijke lus. De Afdeling overweegt dat zij hiertoe geen aanleiding ziet aangezien de gemeente niet alleen heeft nagelaten om overleg te voeren, maar ook heeft nagelaten om conform artikel 3.8 lid 4 Wro het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan onverwijld aan de provincie toe te zenden. De provincie is daarmee de mogelijkheid ontnomen om een aanwijzing als bedoeld in artikel 4.2 Wro te geven.</p>
<p><strong>Conclusie</strong><br />
De Afdeling heeft in haar uitspraak bevestigd dat gemeenten sinds 1 juli 2008 ‘verlost’ zijn van de een goedkeuringsbevoegdheid van de provincie. Ook een bestemmingsplan onder de Wro met een partiële herziening voor het plandeel waaraan de provincie onder de WRO (oud) nog haar goedkeuring onthield, behoeft geen goedkeuring meer van de provincie. Hiermee is de provincie echter niet al haar invloed verloren. De gemeente moet in het kader van de bestemmingsplanprocedure overleg voeren met provinciale diensten en het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan onverwijld aan de provincie toesturen. Dit geeft de provincie de mogelijkheid om de gemeente een aanwijzing als bedoeld te in artikel 4.2 Wro te geven. De goedkeuringsbevoegdheid van de provincie is dus verdwenen, haar invloed op bestemmingsplanprocedures echter nog niet.</p><img src="http://feeds.feedburner.com/~r/dirkzwager_nl/~4/lFwmtllfBDc" height="1" width="1"/>]]></content:encoded>
      <feedburner:origLink>http://dirkzwageroverheid.nl/2012/02/10/de-provincie-is-haar-bevoegdheid-tot-het-onthouden-van-goedkeuring-van-een-bestemmingplan-definitief-verloren-maar-haar-invloed-op-de-gemeentelijke-bestemmingsplanprocedure-nog-niet/</feedburner:origLink></item>
      <item>
         <title>Ruim inzagerecht in medisch dossier van verzekeraar</title>
         <link>http://feedproxy.google.com/~r/dirkzwager_nl/~3/NUUFXqFJiA0/</link>
         <description>Het Gerechtshof Amsterdam heeft op 31 januari 2012 geoordeeld [1] dat een slachtoffer van een verkeersongeval recht heeft op afschrift van een intern rapport met het oordeel van een arts over de aansprakelijkheid van het ziekenhuis. Daarnaast heeft het Gerechtshof de verzekeraar bevolen om een volledig overzicht te geven van alle stukken in het dossier en per document aan te geven waarom er geen recht op inzage in dit document zou bestaan. 

Complicaties na verkeersongeluk

Het arrest gaat in de kern over het volgende. Een man was in 1998 betrokken bij een verkeersongeluk. Bij dat verkeersongeluk heeft hij een gebroken been opgelopen. Hiervoor is hij behandeld in het Onze Lieve Vrouw Gasthuis (OLVG) te Amsterdam. Er is necrose [2] opgetreden (celafsterving) van de voetheffers, waardoor de man nu een klapvoet heeft.

Aansprakelijkstelling ziekenhuis door verzekeraar behandeld

De man stelt dat de oorzaak voor deze complicatie is gelegen in een fout van het OLVG. Hij heeft in dat kader een rapport laten opstellen door een arts. Op basis van dat rapport heeft hij OLVG aansprakelijk gesteld.

Het OLVG is verzekerd bij Medirisk en Medirisk neemt de behandeling van de claim dan ook over van het OLVG. De man geeft toestemming aan het OLVG om zijn medische gegevens uit te wisselen met de medisch adviseur van Medirisk.

Claim wordt door verzekeraar afgewezen

De medisch adviseur van de verzekeraar stelt een rapport op met zijn bevindingen. Dit rapport wordt niet ter beschikking gesteld aan de man. Het enige dat de man ontvangt is een brief van de verzekeraar, waarin de aansprakelijkheid van het ziekenhuis wordt afgewezen. In die brief wordt (summier) verwezen naar de bevindingen van de medisch adviseur van de verzekeraar en wordt overigens voornamelijk kritisch gereageerd op het rapport van de eigen arts van de man.

Man vordert inzage in al zijn persoonsgegevens

Naar aanleiding van de afwijzing van aansprakelijkheid, vordert de man bij Medirisk inzage in alle persoonsgegevens die Medirisk van hem verwerkt. Naar aanleiding van dat verzoek wordt door Medirisk het dossier van het OLVG aan de man verstrekt. Medirisk verstrekt geen andere gegevens aan de man. Dat wil dus zeggen dat niets van de interne documenten, correspondentie, etc. van Medirisk aan de man wordt overgelegd.

Man wenst ook interne gegevens van Medirisk te ontvangen

Daarmee neemt de man geen genoegen en hij doet dan ook verzoek op grond van artikel 35 Wet bescherming persoonsgegevens [3] (Wbp). Daarbij verzoekt hij uitdrukkelijk ook om de diverse interne documenten van Medirisk, met uitzondering van de aantekeningen die bedoeld zijn voor de eigen gedachtevorming:
Ik verzoek u daarom mij binnen vier weken na heden (de in de WBp daartoe gegeven termijn) hetzij een kopie te zenden van alle betreffende stukken, hetzij (ten minste) het volledige overzicht ex artikel 35 lid 2 Wbp. Volledigheidshalve verwijs ik u hierbij naar HR 29 juni 2007, LJN BA 3529, met name ook rechtsoverweging 3.6.
De inzage heeft betrekking op elke verwerking van de medische gegevens, dus inclusief alle hierover gevoerde correspondentie, aantekeningen, (telefoon-)notities, besprekingsverslagen, interne en externe adviezen met inbegrip van de adviesaanvragen, et cetera. Uitsluitend de slechts voor de eigen gedachtevorming bestemde en niet met anderen gedeelde werkaantekeningen van uw eigen medisch adviseur kunnen desgewenst uit het ter inzage te geven dossier worden verwijderd.
Hof: ruim inzagerecht

In eerste instantie wijst de rechtbank het verzoek van de man af. In hoger beroep bij het Gerechtshof constateert het Hof allereerst dat het inzagerecht van artikel 35 Wbp erg ruim is: in reactie op een inzageverzoek moet alle relevante informatie in beginsel worden verstrekt. Dat is overigens sinds de Dexia-arresten [4] vaste lijn in de jurisprudentie. Tegelijk merkt het Hof op dat het inzagerecht niet met zich meebrengt dat alle informatie uit een dossier moet worden verstrekt. Zo hoeven interne notities niet te worden verstrekt en kan, onder strikte omstandigheden, verstrekking van gegevens achterwege blijven in het kader van de bescherming van de rechten van anderen. Dit alles - ruime inzage, beperkte uitzonderingen - is overigens niet zo verrassend en komt dan ook in andere uitspraken terug [5].

Hof: rapport medisch deskundige verzekeraar moet worden verstrekt

Vervolgens komt wel een enigszins verrassend en voor de praktijk verstrekkend oordeel. Het Hof oordeelt namelijk dat het rapport dat is opgesteld door de medisch deskundige van de verzekeraar niet valt onder de (beperkte) uitzonderingen op het inzagerecht. Dat rapport, waarin die deskundige zijn oordeel geeft over de claim van de man, moet dus aan de man worden verstrekt.

Medirisk had hiertegen nog aangevoerd dat het verstrekken van dit rapport in strijd zou komen met het recht op een eerlijk proces voor Medirisk. Dat verweer vindt het Gerechtshof echter onvoldoende onderbouwd en dit wordt dan ook terzijde geschoven. Opvallend in dat kader is dat de rechtbank Utrecht eerder in een andere (maar soortgelijke) kwestie juist [intlink id="4254" type="post"]heeft geoordeeld[/intlink] dat het "de ongestoorde gedachtewisseling van de aangesproken persoon – in dit geval de verzekeraar – om te kunnen komen tot een standpunt naar aanleiding van de aansprakelijkstelling en zijn positie ten opzichte van de wederpartij in een eventuele procedure" te zeer zou schaden wanneer deze adviezen van de medisch adviseur aan derden kenbaar zou moeten maken.

Wanneer interne medische rapporten onder het inzagerecht van artikel 35 Wbp vallen, dan kan de vraag worden gesteld of dat niet ook geldt voor rapporten van bijvoorbeeld accountants of advocaten in soortgelijke gevallen. Of wellicht moet nog algemener worden geconcludeerd dat voortaan (nagenoeg?) alle interne stukken met betrekking tot een bepaald persoon onder het inzagerecht vallen? Het arrest maakt niet duidelijk waar de grens ligt. Dit lijkt me dan ook een van de onderwerpen die in cassatie - die ongetwijfeld zal worden ingesteld (zie ook hierna) - opnieuw naar voren zal komen.

Hof: overzicht geven van overige documenten met reden van weigering

Het is onbekend welke overige stukken er in het dossier van Medirisk bevinden. Medirisk heeft steeds geweigerd om te vertellen welke stukken het betreft. Het Gerechtshof merkt op dat het niet kan beoordelen of deze stukken al dan niet onder het inzagerecht vallen.

Vandaar het Gerechtshof Medirisk beveelt om binnen twee weken een overzicht te verstrekken van alle gegevens die zich in het dossier bevinden. In dat overzicht dient Medirisk per document een beknopte beschrijving te geven van de inhoud van het stuk en om welke reden Medirisk meent dat het betreffende stuk niet onder het inzagerecht van de Wbp valt. Vervolgens zal de man mogen reageren op dit overzicht.

De procedure wordt op dit punt dus nog vervolgd. Het is echter de vraag of het Hof er aan toe komt om dat overzicht van die stukken te beoordelen, of dat er voor die tijd al cassatie is ingesteld (zie hierna).

Principiele beschikking van het Gerechtshof

Het Hof lijkt een principiële beschikking te hebben willen wijzen. Opvallend is namelijk dat de verplichting om het medisch rapport en het overzicht van de inhoud van het dossier te verstrekken niet uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, maar pas geldt twee weken nadat de beschikking in kracht van gewijsde is gegaan. Met andere woorden: pas twee weken nadat de termijn voor het instellen van cassatie is verstreken, dan wel twee weken nadat de cassatieprocedure is afgerond en deze beschikking van het Hof niet door de Hoge Raad is vernietigd, hoeft Medirisk deze gegevens te verstrekken. Dit terwijl het uitvoerbaar bij voorraad verklaren van een beschikking/arrest best gebruikelijk is.

Ook bepaalt het Gerechtshof dat van deze beschikking terstond cassatie kan worden ingesteld. Normaalgesproken zou dat pas kunnen wanneer de procedure bij het Gerechtshof volledig is afgerond.

Het is afwachten om te zien of er inderdaad cassatie wordt ingesteld. Wij houden u op de hoogte.

[1] http://www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=BV2565
[2] http://nl.wikipedia.org/wiki/Necrose
[3] http://wetten.overheid.nl/BWBR0011468/Hoofdstuk6/Artikel35/
[4] http://www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=BA3529
[5] http://dirkzwagerieit.nl/tag/inzagerecht/&lt;img src="http://feeds.feedburner.com/~r/DirkzwagerAdvocatenIntellectueleEigendomenIT-recht/~4/Yq-vBQ4KpKc" height="1" width="1"/&gt;&lt;img src="http://feeds.feedburner.com/~r/dirkzwager_nl/~4/NUUFXqFJiA0" height="1" width="1"/&gt;</description>
         <guid isPermaLink="false">http://dirkzwagerieit.nl/?p=8960</guid>
         <pubDate>Thu, 09 Feb 2012 14:16:10 +0000</pubDate>
      <feedburner:origLink>http://feedproxy.google.com/~r/DirkzwagerAdvocatenIntellectueleEigendomenIT-recht/~3/Yq-vBQ4KpKc/</feedburner:origLink></item>
      <item>
         <title>De “kruimelgevallenregeling” onder de Wabo</title>
         <link>http://feedproxy.google.com/~r/dirkzwager_nl/~3/DuacLpoGRmE/</link>
         <description>Onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) bestaat de mogelijkheid om een omgevingsvergunning te verlenen voor afwijking van het bestemmingsplan voor de lijst van gevallen zoals aangewezen in het Besluit omgevingsrecht (Bro). Vóór de inwerkingtreding van de Wabo werd deze lijst aangeduid als de “kruimelgevallenlijst”, omdat deze betrekking heeft op planologisch ondergeschikte gevallen.
Kruimelgevallenregeling
In de rechtspraak [...]</description>
         <guid isPermaLink="false">http://dirkzwagervastgoed.nl/?p=1943</guid>
         <pubDate>Thu, 09 Feb 2012 11:00:50 +0000</pubDate>
         <content:encoded><![CDATA[<p>Onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) bestaat de mogelijkheid om een omgevingsvergunning te verlenen voor afwijking van het bestemmingsplan voor de lijst van gevallen zoals aangewezen in het Besluit omgevingsrecht (Bro). Vóór de inwerkingtreding van de Wabo werd deze lijst aangeduid als de “kruimelgevallenlijst”, omdat deze betrekking heeft op planologisch ondergeschikte gevallen.<span id="more-1943"></span></p>
<p><strong>Kruimelgevallenregeling</strong><br />
In de rechtspraak is vóór de inwerkingtreding van de Wabo door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) uitgemaakt dat onder de lijst van “kruimelgevallen” behoorlijke planologische afwijkingen van het bestemmingsplan mogelijk zijn. Om die reden hebben veel gemeenten beleid vastgesteld die de werking van de lijst enigszins aan banden legt. Een voordeel van de “kruimelgevallenregeling” is dat relatief eenvoudig zonder instemming van de gemeenteraad kan worden afgeweken van het bestemmingsplan.</p>
<p>In een uitspraak van 26 oktober 2011 (<a rel="nofollow" target="_blank" href="http://www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=BU1640"><em>LJN</em>: BU1640</a>) heeft de ABRvS uitgemaakt dat ook onder de Wabo deze lijst van gevallen niet beperkt is tot planologisch ondergeschikte gevallen. Zo kan op basis van deze lijst onder meer worden afgeweken van het bestemmingsplan ten behoeve van een “bijbehorend bouwwerk” binnen de bebouwde kom. Een “bijbehorend bouwwerk” wordt gedefinieerd als uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel een functioneel daaraan verbonden bouwwerk.</p>
<p><strong>Reikwijdte van de regeling</strong><br />
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven heeft in bovengenoemde zaak aan een doe-het-zelfzaak een omgevingsvergunning verleend voor het verbouwen van een bouwmarkt en tuincentrum tot één grote bouwmarkt met een drive-in. Hierbij heeft het college gebruik gemaakt van de kruimelgevallenregeling. De ABRvS is van oordeel dat noch uit de tekst van de wet noch uit de geschiedenis van de totstandkoming daarvan blijkt dat er met <em>een </em>bijbehorend bouwwerk <em>één </em>bijbehorend bouwwerk wordt bedoeld. Het bouwplan waarvoor het college de omgevingsvergunning heeft verleend bestaat weliswaar uit meerdere onderdelen, maar volgens de ABRvS kan het bouwplan worden aangemerkt als “bijbehorend bouwwerk”, omdat de vergunde uitbreidingen in planologische zin functioneel met het hoofdgebouw verbonden zijn.</p>
<p><strong>Conclusie</strong><br />
Ook onder de Wabo biedt de kruimelgevallenregeling behoorlijke mogelijkheden om af te wijken van het bestemmingsplan. Daarbij geldt in beginsel geen limiet ten aanzien van het aantal bijbehorende bouwwerken. Het is de vraag of gemeenten het aantal van deze bouwwerken door middel van beleid kunnen maximeren. Dat zou namelijk op gespannen voet staan met de ruime toepassingsmogelijkheden die de wetgever kennelijk heeft beoogd door middel van deze regeling. Deze vraag zal ongetwijfeld in de toekomst door de ABRvS worden beantwoord.</p><img src="http://feeds.feedburner.com/~r/dirkzwager_nl/~4/DuacLpoGRmE" height="1" width="1"/>]]></content:encoded>
      <feedburner:origLink>http://dirkzwagervastgoed.nl/2012/02/09/de-aoekruimelgevallenregelinga-onder-de-wabo/</feedburner:origLink></item>
      <item>
         <title>Interessante overwegingen Kroon over minnelijk overleg</title>
         <link>http://feedproxy.google.com/~r/dirkzwager_nl/~3/QyID8zszTB4/</link>
         <description>In het KB van 7 december 2011 (nr. 11.002971) heeft de Kroon zich over diverse aspecten van het minnelijk overleg uitgelaten. Tegen het verzoek van Rijkswaterstaat Noord-Brabant hadden diverse belanghebbenden zienswijzen naar voren gebracht. Alle reclamanten hebben zich bij die gelegenheid op het standpunt gesteld dat verzoeker onvoldoende pogingen heeft ondernomen om de benodigde gronden [...]</description>
         <guid isPermaLink="false">http://dirkzwageroverheid.nl/?p=2887</guid>
         <pubDate>Wed, 08 Feb 2012 11:23:24 +0000</pubDate>
         <content:encoded><![CDATA[<p>In het KB van 7 december 2011 (<a rel="nofollow" target="_blank" href="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2012-1874.html">nr. 11.002971</a>) heeft de Kroon zich over diverse aspecten van het minnelijk overleg uitgelaten. Tegen het verzoek van Rijkswaterstaat Noord-Brabant hadden diverse belanghebbenden zienswijzen naar voren gebracht. Alle reclamanten hebben zich bij die gelegenheid op het standpunt gesteld dat verzoeker onvoldoende pogingen heeft ondernomen om de benodigde gronden minnelijk te verwerven. De overwegingen van de Kroon omtrent deze zienswijzen zijn weliswaar niet geheel nieuw, maar wel goed om (weer) helder op het netvlies te hebben.<span id="more-2887"></span></p>
<p><strong>Schriftelijk aanbod voor verzoekbesluit vereist?</strong><br />
In de Handreiking onteigeningen Titel IV 2010 (pagina 17) staat ondubbelzinnig vermeld (cursief gedrukt) dat er vóór de datum van het verzoekbesluit ten minste één schriftelijk aanbod aan de eigenaar zal moeten zijn gedaan om te kunnen spreken van een redelijke poging tot minnelijke verwerving ten tijde van het verzoekbesluit. Zoals wij eerder al zagen in het KB Oirschot van 14 oktober 2011 (<a rel="nofollow" target="_blank" href="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2011-21773.html">nr. 11.002474</a>) lijkt de Kroon een schriftelijk aanbod in de praktijk niet als harde eis te stellen. Dat geldt blijkens het onderhavige KB ook voor onteigeningen op grond van Titel IIa van de Onteigeningswet. De Kroon overweegt in dit KB immers uitdrukkelijk dat het “<em>wenselijk</em>” is “<em>doch niet altijd noodzakelijk, dat ten tijde van de tervisielegging van de onteigeningsbescheiden reeds een formeel bod is uitgebracht</em>”.</p>
<p><strong>Eén schriftelijk aanbod zonder enig overleg voldoende</strong><br />
Door een van de reclamanten is geklaagd over het feit dat er slechts één schriftelijk bod met betrekking tot de benodigde gronden was gedaan. Na de mededeling van reclamant in reactie daarop dat hij zonder onherroepelijk Tracébesluit niet verder wilde praten, heeft verzoeker tot onteigening geen enkel initiatief meer genomen tot verwerving van de gronden. De Kroon overweegt daaromtrent dat ondanks het feit dat er na deze mededeling geen verder initiatief is genomen om in contact te treden met reclamant, verzoeker om onteigening wel heeft verklaard dat hij pogingen heeft ondernomen tot het verwerven van ruilgrond. Daaromtrent heeft verzoeker echter geen mededelingen richting reclamant gedaan. Deze gang van zaken in aanmerking nemend stond naar het oordeel van de Kroon op het moment van de start van de procedure (terinzagelegging van de stukken) genoegzaam vast dat niet binnen een redelijke termijn tot overeenstemming kon worden gekomen.</p>
<p><strong>Ook onteigeningsnoodzaak in geval van bereikte overeenstemming</strong><br />
Verder bevestigt de Kroon in dit KB nog eens dat het bereiken van overeenstemming over verwerving van de benodigde gronden niet steeds aan onteigening in de weg staat. De Kroon merkt op dat blijkens de onteigeningspraktijk het bereiken van een grote mate van overeenstemming niet in alle gevallen automatisch tot spoedige ondertekening van een overeenkomst en een probleemloze eigendomsoverdracht leidt. Zolang van verkrijging van de voor de realisering van het werk benodigde gronden nog geen sprake is, bestaat er een noodzaak tot onteigening.</p>
<p><strong>Geen plicht tot compensatie anders dan in geld</strong><br />
De Kroon wijst er in dit KB ook nog eens op dat de Onteigeningswet niet verplicht tot compensatie in de vorm van vervangende grond. De onteigenende partij is uitsluitend gehouden tot schadeloosstelling in geld.</p>
<p><strong>Aanbod tot verwerving van gedeelte van een gebouw is redelijke poging</strong><br />
Ten slotte is interessant de zienswijze van een reclamante van wie slechts een gedeelte van het gebouw (kas) wordt onteigend. Reclamante wijst erop dat zij ermee bekend is dat de Kroon eerder het standpunt heeft ingenomen dat in beginsel is voldaan aan het noodzaakcriterium indien het minnelijk overleg, in het geval dat artikel 38 Ow door de eigenaar kan worden ingeroepen, is beperkt tot hetgeen onteigend dient te worden. Zij is echter van oordeel dat een juiste uitleg van bedoeld criterium met zich meebrengt dat onteigening alleen dan noodzakelijk is wanneer daadwerkelijk sprake is van een redelijke poging tot minnelijke verwerving. Van een zodanige poging is volgens haar geen sprake indien het aanbod uitsluitend op een deel van een gebouw ziet, terwijl vast staat dat het gehele gebouw zal moeten worden overgenomen en de eigenaar aangeeft een beroep te zullen doen op art. 38 Ow. Een eigenaar die dat artikel kan en zal inroepen weet immers dat hij geen genoegen heeft te nemen met de overname van slechts een deel van het gebouw. Daarmee is naar het oordeel van reclamant derhalve bij voorbaat uitgesloten dat een poging tot minnelijke verwerving kans van slagen heeft.</p>
<p>Ten aanzien van deze zienswijze herhaalt de Kroon het eerder door haar ingenomen standpunt dat alleen die gronden ter onteigening kunnen worden aangewezen die noodzakelijk zijn voor de aanleg van het werk. Onroerende zaken die slechts gedeeltelijk voor de aanleg van het werk nodig zijn kunnen mitsdien alleen voor dat gedeelte ter onteigening worden aangewezen. De Kroon wijst erop dat mogelijkheid tot het vorderen van de overname van het geheel pas in het kader van de gerechtelijke onteigeningsprocedure aan de orde komt. Voordien kan aankoop van overige gedeelten dan wel gehele aankoop van de betrokken onroerende zaken in het minnelijk overleg tussen de verzoeker om onteigening en belanghebbenden betrokken worden. De verzoeker om onteigening heeft aangegeven van mening te zijn dat de overblijvende kas niet onbruikbaar en onverkoopbaar wordt en dat reclamante niet in redelijkheid kan verlangen dat de gehele kas wordt overgenomen. De Kroon gaat daar niet verder op in en overweegt dat de juistheid van dit standpunt in het kader van de onderhavige procedure niet ter beoordeling staat, maar, zoals opgemerkt, aan de orde kan worden gesteld in het kader van de gerechtelijke procedure.</p>
<p>Mr. Jessica de Roos, onteigeningsadvocaat<br />
Sectie Overheid &amp; Vastgoed</p><img src="http://feeds.feedburner.com/~r/dirkzwager_nl/~4/QyID8zszTB4" height="1" width="1"/>]]></content:encoded>
      <feedburner:origLink>http://dirkzwageroverheid.nl/2012/02/08/interessante-overwegingen-kroon-over-minnelijk-overleg/</feedburner:origLink></item>
      <item>
         <title>De “kruimelgevallenregeling” onder de Wabo</title>
         <link>http://feedproxy.google.com/~r/dirkzwager_nl/~3/UFTKaqOn2Kg/</link>
         <description>Onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) bestaat de mogelijkheid om een omgevingsvergunning te verlenen voor afwijking van het bestemmingsplan voor de lijst van gevallen zoals aangewezen in het Besluit omgevingsrecht (Bro). Vóór de inwerkingtreding van de Wabo werd deze lijst aangeduid als de “kruimelgevallenlijst”, omdat deze betrekking heeft op planologisch ondergeschikte gevallen.
Kruimelgevallenregeling
In de rechtspraak [...]</description>
         <guid isPermaLink="false">http://dirkzwageroverheid.nl/?p=2884</guid>
         <pubDate>Wed, 08 Feb 2012 11:11:32 +0000</pubDate>
         <content:encoded><![CDATA[<p>Onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) bestaat de mogelijkheid om een omgevingsvergunning te verlenen voor afwijking van het bestemmingsplan voor de lijst van gevallen zoals aangewezen in het Besluit omgevingsrecht (Bro). Vóór de inwerkingtreding van de Wabo werd deze lijst aangeduid als de “kruimelgevallenlijst”, omdat deze betrekking heeft op planologisch ondergeschikte gevallen.<img title="Meer..." src="http://dirkzwagervastgoed.nl/wp-includes/js/tinymce/plugins/wordpress/img/trans.gif" alt=""/><span id="more-2884"></span></p>
<p><strong>Kruimelgevallenregeling</strong><br />
In de rechtspraak is vóór de inwerkingtreding van de Wabo door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) uitgemaakt dat onder de lijst van “kruimelgevallen” behoorlijke planologische afwijkingen van het bestemmingsplan mogelijk zijn. Om die reden hebben veel gemeenten beleid vastgesteld die de werking van de lijst enigszins aan banden legt. Een voordeel van de “kruimelgevallenregeling” is dat relatief eenvoudig zonder instemming van de gemeenteraad kan worden afgeweken van het bestemmingsplan.</p>
<p>In een uitspraak van 26 oktober 2011 (<a rel="nofollow" target="_blank" href="http://www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=BU1640"><em>LJN</em>: BU1640</a>) heeft de ABRvS uitgemaakt dat ook onder de Wabo deze lijst van gevallen niet beperkt is tot planologisch ondergeschikte gevallen. Zo kan op basis van deze lijst onder meer worden afgeweken van het bestemmingsplan ten behoeve van een “bijbehorend bouwwerk” binnen de bebouwde kom. Een “bijbehorend bouwwerk” wordt gedefinieerd als uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel een functioneel daaraan verbonden bouwwerk.</p>
<p><strong>Reikwijdte van de regeling</strong><br />
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven heeft in bovengenoemde zaak aan een doe-het-zelfzaak een omgevingsvergunning verleend voor het verbouwen van een bouwmarkt en tuincentrum tot één grote bouwmarkt met een drive-in. Hierbij heeft het college gebruik gemaakt van de kruimelgevallenregeling. De ABRvS is van oordeel dat noch uit de tekst van de wet noch uit de geschiedenis van de totstandkoming daarvan blijkt dat er met <em>een </em>bijbehorend bouwwerk <em>één </em>bijbehorend bouwwerk wordt bedoeld. Het bouwplan waarvoor het college de omgevingsvergunning heeft verleend bestaat weliswaar uit meerdere onderdelen, maar volgens de ABRvS kan het bouwplan worden aangemerkt als “bijbehorend bouwwerk”, omdat de vergunde uitbreidingen in planologische zin functioneel met het hoofdgebouw verbonden zijn.</p>
<p><strong>Conclusie</strong><br />
Ook onder de Wabo biedt de kruimelgevallenregeling behoorlijke mogelijkheden om af te wijken van het bestemmingsplan. Daarbij geldt in beginsel geen limiet ten aanzien van het aantal bijbehorende bouwwerken. Het is de vraag of gemeenten het aantal van deze bouwwerken door middel van beleid kunnen maximeren. Dat zou namelijk op gespannen voet staan met de ruime toepassingsmogelijkheden die de wetgever kennelijk heeft beoogd door middel van deze regeling. Deze vraag zal ongetwijfeld in de toekomst door de ABRvS worden beantwoord.</p><img src="http://feeds.feedburner.com/~r/dirkzwager_nl/~4/UFTKaqOn2Kg" height="1" width="1"/>]]></content:encoded>
      <feedburner:origLink>http://dirkzwageroverheid.nl/2012/02/08/de-aoekruimelgevallenregelinga-onder-de-wabo/</feedburner:origLink></item>
      <item>
         <title>Huurder van een woning kan geen beroep doen op huurbescherming</title>
         <link>http://feedproxy.google.com/~r/dirkzwager_nl/~3/EWOepZz2pGs/</link>
         <description>Het gerechtshof in De Haag heeft het vonnis van de kantonrechter vernietigd waarin werd bepaald dat huurder een beroep kan doen op huurbescherming (LJN: BP0749). Het hof acht het beroep op huurbescherming vanwege de hoedanigheid van de contractspartijen, de aard en inhoud van de huurovereenkomst en de omstandigheden waaronder de huurovereenkomst tot stand is gekomen [...]</description>
         <guid isPermaLink="false">http://dirkzwageroverheid.nl/?p=2882</guid>
         <pubDate>Wed, 08 Feb 2012 11:09:47 +0000</pubDate>
         <content:encoded><![CDATA[<p>Het gerechtshof in De Haag heeft het vonnis van de kantonrechter vernietigd waarin werd bepaald dat huurder een beroep kan doen op huurbescherming (<a rel="nofollow" target="_blank" href="http://www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=BP0749"><em>LJN</em>: BP0749</a>). Het hof acht het beroep op huurbescherming vanwege de hoedanigheid van de contractspartijen, de aard en inhoud van de huurovereenkomst en de omstandigheden waaronder de huurovereenkomst tot stand is gekomen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.<img title="Meer..." src="http://dirkzwagervastgoed.nl/wp-includes/js/tinymce/plugins/wordpress/img/trans.gif" alt=""/><span id="more-2882"></span></p>
<p><strong>De zaak</strong><br />
V en H hebben sinds enige tijd een affectieve relatie met elkaar. V koopt in 1999 een woning bedoeld om samen met H te betrekken. Omdat V zijn toenmalige woning nog niet verkocht heeft, woont H alvast in de nieuwe woning. Sinds begin 2000 is de bewoning van H in deze woning permanent en stellen ze een huurovereenkomst op voor de duur van één jaar om V in zijn dubbele woonlasten tegemoet te komen. Na enige maanden heeft H zijn woning verkocht, maar gaat niet zoals gepland in de woning met H wonen. Daarentegen heeft hij een woning elders gehuurd. H blijft wonen in de door V gekochte woning.</p>
<p>Medio 2008 zegt V in een brief aan H de huurovereenkomst op tegen eind 2008, omdat hij de woning voor dringend eigen gebruik nodig heeft. H stemt niet in met deze opzegging. Voor de kantonrechter vordert V dat de huurovereenkomst wordt beëindigd en dat H de woning verlaat. De kantonrechter wijst de vorderingen echter af, omdat H zich naar de mening van de kantonrechter terecht beroept op huurbescherming. De stelling van V dat een beroep op de huurbescherming in dit geval naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, treft volgens de kantonrechter geen doel.</p>
<p><strong>Huurovereenkomst naar zijn aard van korte duur</strong><br />
V gaat tegen de uitspraak van de kantonrechter in hoger beroep en betoogt onder meer dat H geen beroep kan doen op huurbescherming, omdat er sprake is van een huurovereenkomst die naar zijn aard van korte duur is. Een rechter dient zeer restrictief te toetsen of er sprake is van een huurovereenkomst waarvan het gebruik naar zijn aard van korte duur is. Zie daarover ook mijn eerdere artikel: <a rel="nofollow" target="_blank" href="http://dirkzwagervastgoed.nl/2012/01/11/onzekerheid-bij-tijdelijke-verhuur-woonruimte/">“Onzekerheid bij tijdelijke verhuur woonruimte”</a>.</p>
<p>Het hof is van oordeel dat er geen sprake is van een huurovereenkomst die naar zijn aard van korte duur is, omdat partijen weliswaar een huurovereenkomst voor één jaar hebben gesloten, maar de huurovereenkomst ná het verstrijken van dat jaar langdurig hebben voortgezet.</p>
<p><strong>Beroep op huurbescherming onaanvaardbaar</strong><br />
Het hof stelt dat een beroep van huurder op huurbescherming onder bepaalde omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar kan zijn. Er moet dan wel aan zware eisen voldaan worden. De hoedanigheid van de contractspartijen is in de eerste plaats van belang. V en H waren in dit geval een affectieve relatie met elkaar aangegaan en van plan de woning uiteindelijk samen te bewonen.</p>
<p>In de tweede plaats is de aard en inhoud van de overeenkomst van belang. De huurovereenkomst is aangegaan voor de duur van één jaar en tegen een extreem lage huurprijs vergeleken met de marktprijzen. De financiële situatie van V wordt hierdoor ernstig benadeeld. Vanwege zijn affectieve relatie met H heeft V hij ook nooit een huurverhoging voorgesteld</p>
<p>Tot slot zijn de omstandigheden waaronder de huurovereenkomst tot stand is gekomen van belang. V en H zouden samen de woning betrekken en tot de verkoop van V’s toenmalige woning zou H alvast alleen in de woning gaan wonen. Op grond van deze omstandigheden is het hof van oordeel dat H geen huurbescherming zou mogen genieten. Het beroep van H op huurbescherming is volgens het hof in deze omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.</p>
<p>Het hof vernietigt het vonnis van de kantonrechter en verklaart voor recht dat de huurovereenkomstig rechtsgeldig is opgezegd en is geëindigd. H dient de woning te verlaten, maar krijgt van het hof nog enkele maanden de gelegenheid om andere woonruimte te vinden.</p>
<p><strong>Conclusie</strong><br />
Zoals ook al bleek uit mijn eerdere artikel “onzekerheid bij tijdelijke verhuur woonruimte” begeef je je als verhuurder vaak op glad ijs bij de tijdelijke verhuur van woonruimte. Het is verstandig om vooraf de risico’s van een tijdelijke huurovereenkomst juridisch te laten toetsen en te bezien of mogelijk kan worden verhuurd op basis van de Leegstandswet. Indien de mogelijkheid van verhuur op basis van Leegstandswet bestaat, is er voor een verhuurder veel meer zekerheid dat een huurovereenkomst daadwerkelijk op het gewenste moment zal eindigen.</p><img src="http://feeds.feedburner.com/~r/dirkzwager_nl/~4/EWOepZz2pGs" height="1" width="1"/>]]></content:encoded>
      <feedburner:origLink>http://dirkzwageroverheid.nl/2012/02/08/huurder-van-een-woning-kan-geen-beroep-doen-op-huurbescherming/</feedburner:origLink></item>
      <item>
         <title>Goedkeuring bij de verkrijging van de juridische eigendom van een bouwterrein of een nieuwe onroerende zaak door de economische eigenaar verlengd</title>
         <link>http://feedproxy.google.com/~r/dirkzwager_nl/~3/Jsxn7hKdzpE/</link>
         <description>Bij besluit van 14 september 2010 (nummer DGB2010/3544M) heeft de staatssectretaris van Financiën goedkeuring verleend voor de toepassing van de samenloopregeling van overdrachtsbelasting met omzetbelasting bij de verkrijging van juridische eigendom na de verkrijging van de economische eigendom tot 1 juli 2011. In verband met het feit dat de praktijk zich nog onvoldoende heeft kunnen [...]</description>
         <guid isPermaLink="false">http://dirkzwagervastgoed.nl/?p=1936</guid>
         <pubDate>Wed, 08 Feb 2012 10:35:31 +0000</pubDate>
         <content:encoded><![CDATA[<p>Bij besluit van 14 september 2010 (nummer <a rel="nofollow" target="_blank" href="http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/besluiten/2010/09/21/overdrachtsbelasting-en-assurantiebelasting-intrekking-toelichting.html">DGB2010/3544M</a>) heeft de staatssectretaris van Financiën goedkeuring verleend voor de toepassing van de samenloopregeling van overdrachtsbelasting met omzetbelasting bij de verkrijging van juridische eigendom na de verkrijging van de economische eigendom tot 1 juli 2011. In verband met het feit dat de praktijk zich nog onvoldoende heeft kunnen voorbereiden op de intrekking van het besluit, heeft de staatssecretaris van Financiën de goedkeuring met terugwerkende kracht verlengd tot een nader te bepalen tijdstip (besluit van 17 januari 2012, nummer <a rel="nofollow" target="_blank" href="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2012-1627.html">BLBK/2011/1338M</a>).<span id="more-1936"></span></p>
<p>Op grond van de wet op de belastingen van rechtsverkeer (hierna: WBR) geldt een vrijstelling voor de samenloop van heffing van overdrachtsbelasting met omzetbelasting (artikel 15 lid 1 sub a WBR). De vrijstelling geldt onder meer als omzetbelasting is verschuldigd bij de verkrijging van economische eigendom van een bouwterrein of een nieuwe onroerende zaak. De samenloopvrijstelling geldt niet als het goed als bedrijfsmiddel in gebruik is genomen en de verkrijger de omzetbelasting in aftrek kan brengen.</p>
<p>Op het moment dat de onroerende zaak juridisch wordt geleverd aan dezelfde verkrijger, is geen omzetbelasting verschuldigd. Er is dan ook geen sprake van samenloop van overdrachtsbelasting met omzetbelasting, waardoor de vrijstelling van artikel 15 lid 1 sub a WBR niet van toepassing zou zijn. Eventueel zou nog een beroep kunnen worden gedaan op artikel 9 lid 4 WBR (levering van de juridische eigendom na levering van de economiche eigendom aan dezelfde verkrijger), waardoor in het algemeen alleen overdrachtsbelasting is verschuldigd over de waardestijging van de onroerende zaak in de periode tussen de verkrijging van de economische eigendom en de verkrijging van de juridische eigendom.</p>
<p>Op grond van de goedkeuring wordt de omzetbelasting die is geheven over de economische eigendom voor de heffing van overdrachtsbelasting ook bij de juridische levering aangemerkt als geheven omzetbelasting. De goedkeuring geldt onder de navolgende voorwaarden:</p>
<ul>
<li>de juridische eigendom wordt geleverd aan de verkrijger van de economische eigendom;</li>
<li>de verkrijging van de economische eigendom en de juridische eigendom betreffen een nieuw vervaardigde onroerende zaak als bedoeld in artikel 11 lid 1 onderdeel a nummer 1 van de Wet op de omzetbelasting 1968;</li>
<li>de onroerende zaak is niet als bedrijfsmiddel gebruikt of de onroerende zaak is wel als bedrijfsmiddel gebruikt, maar de verkrijger kan de omzetbelasting niet in aftrek brengen.</li>
</ul>
<p>De goedkeuring geldt ook voor een ABC-levering, waarbij A de economische eigendom overdraagt aan B en B vervolgens de economische eigendom overdraagt aan C, waarna C de juridische eigendom verkrijgt van A. Voorwaarde is dat B bij de de ABC-levering een wezenlijke functie vervult en dus niet slechts is tussengevoegd voor het fiscale resultaat.</p>
<p>Thans wordt het beleid over de samenloop van de heffing van overdrachtsbelasting met omzetbelasting geëvalueerd. In afwachting van die uitkomstblijft het besluit van de staatssecretaris van Financiën, met toepassing van de hardheidsclausule (artikel 63 Algemene wet inzake rijksbelastingen) van kracht.</p><img src="http://feeds.feedburner.com/~r/dirkzwager_nl/~4/Jsxn7hKdzpE" height="1" width="1"/>]]></content:encoded>
      <feedburner:origLink>http://dirkzwagervastgoed.nl/2012/02/08/goedkeuring-bij-de-verkrijging-van-de-juridische-eigendom-van-een-bouwterrein-of-een-nieuwe-onroerende-zaak-door-de-economische-eigenaar-verlengd/</feedburner:origLink></item>
      <item>
         <title>Actualiteitencursussen Onteigening</title>
         <link>http://feedproxy.google.com/~r/dirkzwager_nl/~3/On4SjzjmpEM/</link>
         <description>Net als in voorgaande jaren organiseert de sectie Overheid &amp;#38; Vastgoed op 19 april 2012 (Roermond) en 10 mei 2012 (Nijmegen) een cursus waarin de onteigeningsspecialisten mr. Hanna Zeilmaker en mr. Jessica de Roos de actuele ontwikkelingen in het onteigeningsrecht zullen bespreken.
Het onteigeningsrecht is voortdurend in beweging. Jaarlijks worden vele Koninklijke Besluiten, vonnissen en arresten [...]</description>
         <guid isPermaLink="false">http://dirkzwageroverheid.nl/?p=2878</guid>
         <pubDate>Wed, 08 Feb 2012 10:13:01 +0000</pubDate>
         <content:encoded><![CDATA[<p>Net als in voorgaande jaren organiseert de sectie Overheid &amp; Vastgoed op 19 april 2012 (Roermond) en 10 mei 2012 (Nijmegen) een cursus waarin de onteigeningsspecialisten mr. Hanna Zeilmaker en mr. Jessica de Roos de actuele ontwikkelingen in het onteigeningsrecht zullen bespreken.<span id="more-2878"></span></p>
<p>Het onteigeningsrecht is voortdurend in beweging. Jaarlijks worden vele Koninklijke Besluiten, vonnissen en arresten gewezen op het gebied van onteigening. Het is dan ook niet altijd even eenvoudig alle ontwikkelingen bij te houden. In deze jaarlijkse actualiteitencursus krijgt u een volledig beeld van alle relevante ontwikkelingen.</p>
<p><strong>De administratieve procedure</strong><br />
Bij een onteigeningsprocedure komt het nodige kijken. Zo moet er natuurlijk een grondslag voor onteigening zijn en moet de voorgenomen onteigening noodzakelijk, urgent en in het publiek belang zijn. De Kroon wijst op verzoek van (bijv.) de gemeente gronden ter onteigening aan, en hanteert daarbij strenge toetsingsmaatstaven. Niet alleen het onteigeningsplan, maar ook het bestemmingsplan of dijkverbeteringsplan is bij onteigening een relevante factor. Aan de hand van de in 2011 (en begin 2012) verschenen Koninklijke Besluiten bespreken onze onteigeningsspecialisten waarop u bij het opstellen van een “onteigeningsproof” bestemmingsplan/dijkverbeteringsplan en bij de voorbereiding van een verzoekbesluit moet letten.</p>
<p><strong>De gerechtelijke procedure</strong><br />
Het is uiteindelijk de rechter die de onteigening uitspreekt en de hoogte van de schadeloosstelling bepaalt. De rechter wordt geadviseerd door deskundigen. Daarbij zijn specialistische vraagstukken aan de orde, zoals de complexwaarde, vereenzelviging, kapitalisatiefactoren, “dwangbestemmingen” en de vraag of liquidatie of reconstructie in de rede ligt. Onze onteigeningsspecialisten vertalen deze juridisch complexe onderwerpen aan de hand van een bespreking van de meest recente onteigeningsuitspraken naar uw dagelijkse onteigeningspraktijk.</p>
<p><strong>Actualiteitencursus</strong><br />
De onteigeningsadvocaten mr. Hanna Zeilmaker en mr. Jessica de Roos zullen op 19 april 2012 te Roermond (Theaterhotel De Oranjerie) en op 10 mei 2012 te Nijmegen (Concertgebouw De Vereeniging) de actuele ontwikkelingen in het onteigeningsrecht bespreken. Deze praktijkgerichte cursus biedt praktische kennis voor iedereen die zich bezighoudt met het onteigeningsrecht, en is bij uitstek interessant voor medewerkers (met name van de afdeling grond¬zaken en juridische zaken) van gemeenten en water¬schappen, en taxateurs/rentmeesters. Ook is de cursus aan te raden voor medewerkers die zijn betrokken bij het opstellen van bestemmings-/dijkverbeteringsplannen ter uitvoering waarvan onteigening noodzakelijk is.</p>
<p><strong>Inschrijven</strong><br />
Aan het bijwonen van de cursus zijn geen kosten verbonden.<br />
Inschrijven kan door contact op te nemen met Joyce Kloosterman (telefoon: 026 353 83 70, email: kloosterman@dirkzwager.nl).</p>
<p>Hanna Zeilmaker en Jessica de Roos, onteigeningsadvocaten<br />
sectie Overheid &amp; Vastgoed</p><img src="http://feeds.feedburner.com/~r/dirkzwager_nl/~4/On4SjzjmpEM" height="1" width="1"/>]]></content:encoded>
      <feedburner:origLink>http://dirkzwageroverheid.nl/2012/02/08/actualiteitencursussen-onteigening/</feedburner:origLink></item>
      <item>
         <title>Scherpere eisen bouwleges</title>
         <link>http://feedproxy.google.com/~r/dirkzwager_nl/~3/J1cnGvZyDkc/</link>
         <description>﻿Rechtbanken stellen scherpere eisen aan de bouwlegesverordeningen van gemeenten. Dit blijkt uit een aantal recente uitspraken van verschillende rechters in geschillen over de hoogte van bouwleges, waaronder een uitspraak van de Rechtbank Utrecht (23 december 2011, LJN: BU8704 ). 
Een gemeente mag leges in rekening brengen voor het in behandeling nemen van een aanvraag van [...]</description>
         <guid isPermaLink="false">http://dirkzwagervastgoed.nl/?p=1932</guid>
         <pubDate>Wed, 08 Feb 2012 10:03:06 +0000</pubDate>
         <content:encoded><![CDATA[<p>﻿Rechtbanken stellen scherpere eisen aan de bouwlegesverordeningen van gemeenten. Dit blijkt uit een aantal recente uitspraken van verschillende rechters in geschillen over de hoogte van bouwleges, waaronder een uitspraak van de Rechtbank Utrecht (<a rel="nofollow" target="_blank" href="http://www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=BU8704">23 december 2011, <em>LJN</em>: BU8704 </a>). <span id="more-1932"></span></p>
<p>Een gemeente mag leges in rekening brengen voor het in behandeling nemen van een aanvraag van een bouwvergunning. Dit wordt geregeld in een gemeentelijke bouwlegesverordening. Op grond van de wet mag de opbrengst aan leges niet hoger zijn dan nodig is om de kosten te dekken. Dit betekent overigens niet dat iedere kostenpost kostendekkend hoeft te zijn, maar wel dat het totaal aan leges de kosten dekt.</p>
<p>Het is aan de gemeente om een kostenonderbouwing van de bouwleges te geven. Blijkens de recente uitspraken is het hierbij niet langer voldoende om alleen maar te zeggen dat de opbrengsten van de leges maximaal honderd procent kostendekkend zijn. De gemeente zal dit moeten aantonen. Voor de gemeente geldt dus een verzwaarde bewijslast.</p>
<p>Wanneer de bouwleges veel hoger zijn dan de gemeentelijke kosten rechtvaardigen, kan de rechtbank om die reden zelfs de bouwlegesverordening onverbindend verklaren en de bouwleges op nul vaststellen.</p>
<p>Inmiddels schakelen steeds meer gemeenten over op het gebruik van een rekenmethode van de VNG om de juiste hoogte van de bouwleges te berekenen. Hierdoor zal het minder vaak voorkomen dat bouwlegesverordeningen onverbindend worden verklaard. Dit neemt niet weg dat het lonend kan zijn om kritisch naar de bouwlegesverordening te kijken, zeker in geval van grote(re) projecten.</p><img src="http://feeds.feedburner.com/~r/dirkzwager_nl/~4/J1cnGvZyDkc" height="1" width="1"/>]]></content:encoded>
      <feedburner:origLink>http://dirkzwagervastgoed.nl/2012/02/08/scherpere-eisen-bouwleges/</feedburner:origLink></item>
      <item>
         <title>Huurder van een woning kan geen beroep doen op huurbescherming</title>
         <link>http://feedproxy.google.com/~r/dirkzwager_nl/~3/AmvRwKwcQY4/</link>
         <description>Het gerechtshof in De Haag heeft het vonnis van de kantonrechter vernietigd waarin werd bepaald dat huurder een beroep kan doen op huurbescherming (LJN: BP0749). Het hof acht het beroep op huurbescherming vanwege de hoedanigheid van de contractspartijen, de aard en inhoud van de huurovereenkomst en de omstandigheden waaronder de huurovereenkomst tot stand is gekomen [...]</description>
         <guid isPermaLink="false">http://dirkzwagervastgoed.nl/?p=1926</guid>
         <pubDate>Wed, 08 Feb 2012 09:36:14 +0000</pubDate>
         <content:encoded><![CDATA[<p>Het gerechtshof in De Haag heeft het vonnis van de kantonrechter vernietigd waarin werd bepaald dat huurder een beroep kan doen op huurbescherming (<a rel="nofollow" target="_blank" href="http://www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=BP0749"><em>LJN</em>: BP0749</a>). Het hof acht het beroep op huurbescherming vanwege de hoedanigheid van de contractspartijen, de aard en inhoud van de huurovereenkomst en de omstandigheden waaronder de huurovereenkomst tot stand is gekomen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.<span id="more-1926"></span></p>
<p><strong>De zaak</strong><br />
V en H hebben sinds enige tijd een affectieve relatie met elkaar. V koopt in 1999 een woning bedoeld om samen met H te betrekken. Omdat V zijn toenmalige woning nog niet verkocht heeft, woont H alvast in de nieuwe woning. Sinds begin 2000 is de bewoning van H in deze woning permanent en stellen ze een huurovereenkomst op voor de duur van één jaar om V in zijn dubbele woonlasten tegemoet te komen. Na enige maanden heeft H zijn woning verkocht, maar gaat niet zoals gepland in de woning met H wonen. Daarentegen heeft hij een woning elders gehuurd. H blijft wonen in de door V gekochte woning.</p>
<p>Medio 2008 zegt V in een brief aan H de huurovereenkomst op tegen eind 2008, omdat hij de woning voor dringend eigen gebruik nodig heeft. H stemt niet in met deze opzegging. Voor de kantonrechter vordert V dat de huurovereenkomst wordt beëindigd en dat H de woning verlaat. De kantonrechter wijst de vorderingen echter af, omdat H zich naar de mening van de kantonrechter terecht beroept op huurbescherming. De stelling van V dat een beroep op de huurbescherming in dit geval naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, treft volgens de kantonrechter geen doel.</p>
<p><strong>Huurovereenkomst naar zijn aard van korte duur</strong><br />
V gaat tegen de uitspraak van de kantonrechter in hoger beroep en betoogt onder meer dat H geen beroep kan doen op huurbescherming, omdat er sprake is van een huurovereenkomst die naar zijn aard van korte duur is. Een rechter dient zeer restrictief te toetsen of er sprake is van een huurovereenkomst waarvan het gebruik naar zijn aard van korte duur is. Zie daarover ook mijn eerdere artikel: <a rel="nofollow" target="_blank" href="http://dirkzwagervastgoed.nl/2012/01/11/onzekerheid-bij-tijdelijke-verhuur-woonruimte/">“Onzekerheid bij tijdelijke verhuur woonruimte”</a>.</p>
<p>Het hof is van oordeel dat er geen sprake is van een huurovereenkomst die naar zijn aard van korte duur is, omdat partijen weliswaar een huurovereenkomst voor één jaar hebben gesloten, maar de huurovereenkomst ná het verstrijken van dat jaar langdurig hebben voortgezet.</p>
<p><strong>Beroep op huurbescherming onaanvaardbaar</strong><br />
Het hof stelt dat een beroep van huurder op huurbescherming onder bepaalde omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar kan zijn. Er moet dan wel aan zware eisen voldaan worden. De hoedanigheid van de contractspartijen is in de eerste plaats van belang. V en H waren in dit geval een affectieve relatie met elkaar aangegaan en van plan de woning uiteindelijk samen te bewonen.</p>
<p>In de tweede plaats is de aard en inhoud van de overeenkomst van belang. De huurovereenkomst is aangegaan voor de duur van één jaar en tegen een extreem lage huurprijs vergeleken met de marktprijzen. De financiële situatie van V wordt hierdoor ernstig benadeeld. Vanwege zijn affectieve relatie met H heeft V hij ook nooit een huurverhoging voorgesteld</p>
<p>Tot slot zijn de omstandigheden waaronder de huurovereenkomst tot stand is gekomen van belang. V en H zouden samen de woning betrekken en tot de verkoop van V’s toenmalige woning zou H alvast alleen in de woning gaan wonen. Op grond van deze omstandigheden is het hof van oordeel dat H geen huurbescherming zou mogen genieten. Het beroep van H op huurbescherming is volgens het hof in deze omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.</p>
<p>Het hof vernietigt het vonnis van de kantonrechter en verklaart voor recht dat de huurovereenkomstig rechtsgeldig is opgezegd en is geëindigd. H dient de woning te verlaten, maar krijgt van het hof nog enkele maanden de gelegenheid om andere woonruimte te vinden.</p>
<p><strong>Conclusie</strong><br />
Zoals ook al bleek uit mijn eerdere artikel “onzekerheid bij tijdelijke verhuur woonruimte” begeef je je als verhuurder vaak op glad ijs bij de tijdelijke verhuur van woonruimte. Het is verstandig om vooraf de risico’s van een tijdelijke huurovereenkomst juridisch te laten toetsen en te bezien of mogelijk kan worden verhuurd op basis van de Leegstandswet. Indien de mogelijkheid van verhuur op basis van Leegstandswet bestaat, is er voor een verhuurder veel meer zekerheid dat een huurovereenkomst daadwerkelijk op het gewenste moment zal eindigen.</p><img src="http://feeds.feedburner.com/~r/dirkzwager_nl/~4/AmvRwKwcQY4" height="1" width="1"/>]]></content:encoded>
      <feedburner:origLink>http://dirkzwagervastgoed.nl/2012/02/08/huurder-van-een-woning-kan-geen-beroep-doen-op-huurbescherming/</feedburner:origLink></item>
      <item>
         <title>Het opnemen van een boete in een notariële akte: wees de discussie een stap voor!</title>
         <link>http://feedproxy.google.com/~r/dirkzwager_nl/~3/mb7w5574WPU/</link>
         <description>In het afgelopen jaar is wederom een paar keer gebleken dat het van groot belang is om in notariële akten, waarin aan een persoon een verplichting wordt opgelegd waaraan een boete is gekoppeld, deze verplichting zeer nauwkeurig uit te werken. Het enkel opnemen van een bepaling waarin staat vermeld dat een direct en/of zonder rechterlijke [...]</description>
         <guid isPermaLink="false">http://dirkzwagervastgoed.nl/?p=1919</guid>
         <pubDate>Wed, 08 Feb 2012 09:21:54 +0000</pubDate>
         <content:encoded><![CDATA[<p>In het afgelopen jaar is wederom een paar keer gebleken dat het van groot belang is om in notariële akten, waarin aan een persoon een verplichting wordt opgelegd waaraan een boete is gekoppeld, deze verplichting zeer nauwkeurig uit te werken. Het enkel opnemen van een bepaling waarin staat vermeld dat een direct en/of zonder rechterlijke tussenkomst opeisbare boete verschuldigd is indien niet aan de omschreven verplichting is voldaan, is niet voldoende om ook direct tot het opeisen van de boete te kunnen overgaan.<span id="more-1919"></span></p>
<p>In de akte dient tevens een bepaling te worden opgenomen hoe tussen partijen bindend kan worden vastgesteld of een boete is verbeurd, bijvoorbeeld door middel van bindend advies of een bindende partijbeslissing. Pas in dat geval levert de akte een directe executoriale titel op, dat wil zeggen dat de boete ook zonder rechterlijke tussenkomst, kan worden geëxecuteerd.</p>
<p>Wat was nu beide keren het geval? In een kort geding vonnis van de rechtbank Arnhem d.d. 9 februari 2011, (niet gepubliceerd), was er tussen een projectontwikkelaar en een buurman die een aangrenzend perceel bewoonde een geschil ontstaan over de vraag op welke wijze en wanneer er door de projectontwikkelaar een zichtscherm in de tuin van de buurman diende te worden gerealiseerd. De notariële akte bevatte over de wijze waarop het zichtscherm diende te worden opgericht een aantal bepalingen en gaf voorts aan dat met de plaatsing van het scherm diende te worden begonnen indien de bouwwerkzaamheden van het te realiseren appartementencomplex zou worden aangevangen. De akte bevatte een boetebepaling waarin stond dat, indien de projectontwikkelaar niet overeenkomstig de voorwaarden het scherm zou realiseren, een direct en/of zonder rechterlijke rechterlijke tussenkomst opeisbare boete verschuldigd zou zijn van €50.000,&#8211;, mits de projectontwikkelaar een gestelde periode zou hebben gekregen om zijn overtreding (het niet conform de voorwaarden in de akte oprichten van het zichtscherm) te herstellen.</p>
<p>De projectontwikkelaar heeft direct gereageerd op het moment dat haar verweten werd dat zij de afspraken in de akte niet na zou komen. Zij was van mening dat de buurman het niet toe liet dat zij een zichtscherm zou oprichten. Volgens de projectontwikkelaar viel haar niets te verwijten. Desondanks heeft de buurman toch executoriaal beslag gelegd voor de boete en deze ook geëxecuteerd. De voorzieningenrechter oordeelde dat de buurman dit niet had mogen doen en dat de executie onrechtmatig was geweest nu de akte geen bepalingen bevatte over hoe tussen beide partijen diende te worden vastgesteld dat en tot welk bedrag er boetes waren verbeurd. Partijen verschilden in tal van opzichten van mening over de vraag of de projectontwikkelaar haar verplichtingen niet zou zijn nagekomen en aan wie dit nu precies te verwijten viel. Zij hadden hiermee dus een verschil van mening over de vraag of de boete verbeurd zou zijn. Hierom leverde de notariële akte geen executoriale titel op voor de inning van de boetes.</p>
<p>In een kort geding vonnis van de rechtbank Arnhem d.d. 15 december 2011 (<a rel="nofollow" target="_blank" href="http://www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=BV2331"><em>LJN: </em>BV 2331</a>) ging het om een soortgelijke casus. In een akte van levering voor een recreatiewoning op een bungalowpark is koper aan de beheerder voor het beheer van de gemeenschappelijke voorzieningen een bedrag van € 600,&#8211; per jaar verschuldigd. Voor iedere dag dat de koper met de betaling van de vergoeding in gebreke blijft is een opeisbare boete verschuldigd van € 25,&#8211; per dag. Omdat koper van mening is dat hij de afgelopen jaren veel te veel heeft betaald aan kosten voor nutsvoorzieningen, betaalde hij sinds enige tijd de bijdrage aan de beheerder niet meer betaald. De beheerder heeft aanspraak gemaakt op deze achterstallige betalingen evenals op de boete welke zou zijn opgelopen tot € 13.000,&#8211; en wil tot executie van deze bedragen over gaan op basis van de akte van levering. In geschil is of de beheerder tot executie van de openstaande bedragen en de boete kan overgaan.</p>
<p>De voorzieningenrechter oordeelt ten aanzien van de boetes dat niet uit de akte valt af te leiden op welke voor de koper bindende wijze zal worden vastgesteld dat de met boetes bedreigde bepalingen zijn overtreden. Met andere woorden, ook aan deze akte van levering komt geen executoriale kracht toe.</p>
<p><strong>Conclusie</strong><br />
Voorgaande is overigens niet nieuw. De Hoge Raad heeft dit reeds in 1992 in zijn arrest van 26 juni 1992 (<em>LJN</em>: ZC0646 en NJ 1993, 449) uiteen gezet. Ook mijn kantoorgenoot Walter Jansen heeft deze problematiek iets meer dan een jaar geleden al eens onder de aandacht gebracht (&#8220;<a rel="nofollow" target="_blank" href="http://dirkzwagervastgoed.nl/2010/10/29/boete-en-executoriale-titel/">Boete en executoriale titel</a>&#8220;). Voor de partij die aanspraak wil maken op een dergelijke boete is het ontbreken van een dergelijke bepaling zeer vervelend. Het gevolg is dat een bodemprocedure zal moeten worden gevolgd, met alle kosten en tijd van dien.</p><img src="http://feeds.feedburner.com/~r/dirkzwager_nl/~4/mb7w5574WPU" height="1" width="1"/>]]></content:encoded>
      <feedburner:origLink>http://dirkzwagervastgoed.nl/2012/02/08/het-opnemen-van-een-boete-in-een-notariale-akte-wees-de-discussie-een-stap-voor/</feedburner:origLink></item>
      <item>
         <title>Woningcorporaties en ANBI-status (2)</title>
         <link>http://feedproxy.google.com/~r/dirkzwager_nl/~3/NXQgjNXv0J4/</link>
         <description>Wij hebben al eerder bericht over de vraag of een woningcorporatie (hierna: &amp;#8220;corporatie&amp;#8221;) de ANBI-status kan hebben. Sinds onze vorige berichtgeving zijn er twee belangrijke ontwikkelingen geweest.  
Geefwet snijdt mogelijkheden af
In de Geefwet (Onderdeel van het Belastingplan 2012) is de ANBI-regeling zodanig aangepast dat deze niet meer van toepassing is op corporaties. Dat betekent [...]</description>
         <guid isPermaLink="false">http://dirkzwagervastgoed.nl/?p=1920</guid>
         <pubDate>Wed, 08 Feb 2012 09:16:48 +0000</pubDate>
         <content:encoded><![CDATA[<p>Wij hebben <a rel="nofollow" target="_blank" href="http://dirkzwagerondernemingsrecht.nl/2011/10/05/woningcorporaties-en-anbistatus/">al eerder bericht </a>over de vraag of een woningcorporatie (hierna: &#8220;corporatie&#8221;) de ANBI-status kan hebben. Sinds onze vorige berichtgeving zijn er twee belangrijke ontwikkelingen geweest. <img title="Meer..." src="http://dirkzwagerondernemingsrecht.nl/wp-includes/js/tinymce/plugins/wordpress/img/trans.gif" alt=""/> <span id="more-1920"></span></p>
<p><strong>Geefwet snijdt mogelijkheden af</strong><br />
In de Geefwet (Onderdeel van het Belastingplan 2012) is de ANBI-regeling zodanig aangepast dat deze niet meer van toepassing is op corporaties. Dat betekent dat een corporatie met ingang van 1 januari 2012 niet meer onder de gunstige ANBI-regeling kan vallen.</p>
<p><strong>Hoge Raad 13 januari 2012, <a rel="nofollow" target="_blank" href="http://www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=BQ0525">LJN: BQ0525</a></strong><br />
Op 13 januari 2012 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan op het cassatieberoep dat door de belanghebbende was gedaan tegen de uitspraak van het Gerechtshof in Leeuwarden. Laatstgenoemde uitspraak hebben wij al eerder behandeld. Het Hof was van mening dat sociale woningverhuur een werkzaamheid is waarmee primair het particuliere en individuele belang van huurders wordt gediend. Deze verhuur was volgens het Hof geen werkzaamheid die rechtstreeks het algemeen belang raakt. Daarmee werd niet aan de eisen voor een ANBI voldaan. De Hoge Raad oordeelde echter dat in beginsel moet worden aangenomen dat een (in de zin van de Woningwet) toegelaten instelling wel het algemeen nut beoogt. Dat is pas anders als vast komt te staan dat de werkzaamheden het belang van volkshuisvesting in de sociale-huursector niet dienen. De Hoge Raad komt vervolgens tot de conclusie dat in dit geval de corporatie kan worden aangemerkt als ANBI.</p>
<p>Voor de belastingjaren tot en met 2011 is dit arrest voor corporaties van belang. Voor die jaren kan door gebruikmaking van de aftrekbepaling voor fondswervende instellingen en door gebruikmaking van de herbestedingsreserve de vennootschapsbelastingdruk aanzienlijk worden verlaagd. Daarnaast kan gebruik worden gemaakt van de vrijstellingen voor de schenk- en erfbelasting.</p>
<p>Vanaf het jaar 2012 zijn deze mogelijkheden door de wetgever afgesneden.</p><img src="http://feeds.feedburner.com/~r/dirkzwager_nl/~4/NXQgjNXv0J4" height="1" width="1"/>]]></content:encoded>
      <feedburner:origLink>http://dirkzwagervastgoed.nl/2012/02/08/woningcorporaties-en-anbistatus-2-2/</feedburner:origLink></item>
      <item>
         <title>Ten onrechte op nota van afrekening vermelde omzetbelasting wel verschuldigd</title>
         <link>http://feedproxy.google.com/~r/dirkzwager_nl/~3/duV_8AMIQAs/</link>
         <description>Op 28 oktober 2011 heeft het Hof Den Bosch uitspraak gedaan met betrekking tot een kwestie, waarbij het de vraag was of omzetbelasting, die ten onrechte op een notariële nota van afrekening was vermeld, al dan niet verschuldigd was geworden.
De feiten in deze zaak
Een ondernemer heeft in 2005 een bouwterrein geleverd. Ter zake van deze [...]</description>
         <guid isPermaLink="false">http://dirkzwagervastgoed.nl/?p=1939</guid>
         <pubDate>Tue, 07 Feb 2012 14:38:42 +0000</pubDate>
         <content:encoded><![CDATA[<p>Op 28 oktober 2011 heeft het Hof Den Bosch uitspraak gedaan met betrekking tot een kwestie, waarbij het de vraag was of omzetbelasting, die ten onrechte op een notariële nota van afrekening was vermeld, al dan niet verschuldigd was geworden.<span id="more-1939"></span></p>
<p><strong>De feiten in deze zaak</strong><br />
Een ondernemer heeft in 2005 een bouwterrein geleverd. Ter zake van deze levering was omzetbelasting verschuldigd. Volgens de notariële akte van levering bedroeg de koopprijs van het bouwterrein € 2.495.791 exclusief omzetbelasting. De nota van afrekening ter zake van de levering vermeldde de koopprijs ad € 2.495.791 en daarover 19 % omzetbelasting ad € 474.200.</p>
<p>Echter, de koper had in 1999, bij het ondertekenen van de aan de levering ten grondslag liggende koopovereenkomst, al een bedrag ad € 2.495.791 overgemaakt naar een kwaliteitsrekening van een notaris. Deze betaling geldt voor de omzetbelasting als een vooruitbetaling als bedoeld in artikel 13 lid 2 van de Wet op de omzetbelasting. Dit artikel bepaalt dat in geval van een dergelijke vooruitbetaling, omzetbelasting verschuldigd wordt op het moment van ontvangst van de vooruitbetaling. Er was dus al omzetbelasting verschuldigd in 1999. De vooruitbetaling moet dus worden gezien als een bedrag inclusief omzetbelasting. In 1999 was het tarief voor de omzetbelasting 17,5 %. De vooruitbetaling bestond dus uit een bedrag ad € 2.124.077 met daarbij de daarover (destijds) verschuldigde omzetbelasting ad € 371.714.</p>
<p>De nota van afrekening ter zake van de levering in 2005 had dus moeten vermelden dat de koopprijs exclusief omzetbelasting € 2.495.791 bedroeg (zoals vermeld in de akte van levering), daarvan moet worden afgetrokken een vooruitbetaling exclusief omzetbelasting ad € 2.124.077, zodat resteert een bedrag ad € 371.714 exclusief omzetbelasting. Dit laatste bedrag is de heffingsgrondslag voor de ter zake van de levering in 2005 verschuldigde omzetbelasting. Die omzetbelasting (inmiddels 19%) bedraagt dus € 70.626.</p>
<p>Nu de nota van afrekening ter zake van de levering in 2005 dus een te hoog bedrag aan omzetbelasting vermeldde (€ 474.200 in plaats van € 70.626) werpt zich de vraag op of het “teveel” (€ 403.574) aan de Belastingdienst verschuldigd is. Het is deze vraag waarop de uitspraak van het Hof zich toespitst.</p>
<p>De ondernemer, die het bouwterrein heeft geleverd, was van mening dat het ten onrechte op de nota van afrekening vermelde bedrag niet verschuldigd is geworden. Het Hof (net als de rechtbank daarvoor) beslist echter dat dit bedrag wel verschuldigd is geworden, en wel op grond van artikel 37 van de Wet op de omzetbelasting. Dit artikel bepaalt, dat als op een factuur op enigerlei wijze melding wordt gemaakt van omzetbelasting, het vermelde bedrag aan omzetbelasting voldaan moet worden op het moment dat de factuur wordt uitgereikt, ook als dat bedrag niet klopt.</p>
<p><strong>Conclusie</strong><br />
De hierboven vermelde uitspraak geeft eens te meer het belang aan van het zorgvuldig opstellen van nota’s en facturen, want als daarop per abuis een te hoog bedrag aan omzetbelasting wordt vermeld, moet deze omzetbelasting toch worden afgedragen aan de Belastingdienst, ondanks dat het vermelde bedrag te hoog is.</p><img src="http://feeds.feedburner.com/~r/dirkzwager_nl/~4/duV_8AMIQAs" height="1" width="1"/>]]></content:encoded>
      <feedburner:origLink>http://dirkzwagervastgoed.nl/2012/02/07/ten-onrechte-op-nota-van-afrekening-vermelde-omzetbelasting-wel-verschuldigd/</feedburner:origLink></item>
      <item>
         <title>Deeltijdontslag: uitweg voor de cultuursector?</title>
         <link>http://feedproxy.google.com/~r/dirkzwager_nl/~3/EqW6bOtJq64/</link>
         <description>De cultuursector heeft te maken met forse bezuinigen, vele gezelschappen zullen het in het kader van de culturele basisinfrastructuur 2013-2016 met fors minder inkomsten moeten doen. Op Prinsjesdag 2012 zal duidelijk worden hoeveel er gekort zal worden op de Rijkssubsidie. Er kan echter al worden voorzien dat ontslagen voor veel gezelschappen onvermijdelijk zullen zijn. Alhoewel [...]</description>
         <guid isPermaLink="false">http://www.dirkzwagerarbeidsrecht.nl/?p=1381</guid>
         <pubDate>Tue, 07 Feb 2012 08:45:10 +0000</pubDate>
         <content:encoded><![CDATA[<p>De cultuursector heeft te maken met forse bezuinigen, vele gezelschappen zullen het in het kader van de culturele basisinfrastructuur 2013-2016 met fors minder inkomsten moeten doen. Op Prinsjesdag 2012 zal duidelijk worden hoeveel er gekort zal worden op de Rijkssubsidie. Er kan echter al worden voorzien dat ontslagen voor veel gezelschappen onvermijdelijk zullen zijn. Alhoewel het Ontslagbesluit deeltijdontslag in artikel 4:3 lijkt uit te sluiten, zetten de Beleidsregels Ontslagtaak UWV de deur toch op een keur. Het Gelders Orkest maakte op 9 januari 2012 bekend van deeltijdontslag gebruik te willen maken. Wat is het juridisch kader?<span id="more-1381"></span></p>
<p>Deeltijdontslag is een uitzonderingsituatie. Uitgangspunt is dat dat UWV toestemming voor opzegging van de arbeidsverhouding weigert, indien het aantal werknemers dat voor ontslag wordt voorgedragen groter is dan het aantal arbeidsplaatsen dat komt te vervallen. Hierbij speelt het begrip arbeidsverhouding een belangrijke rol; deze rechtsbetrekking is volgens algemene opvatting ondeelbaar. In het verlengde hiervan, stelt het UWV dat een verzoek om toestemming om de arbeidsverhouding op te zeggen, slechts voor de gehele arbeidsverhouding kan worden verleend of geweigerd. Hoofdstuk  21 van de Beleidsregels Ontslagtaak UWV sluit deeltijdontslag echter niet uit. Kan de werkgever aannemelijk maken dat deeltijdontslag onvermijdelijk is, dan kan het UWV toestemming verlenen voor opzegging met een zogenaamde ‘premisse’.  De premisse is de vooronderstelling dat de werkgever de gehele arbeidsovereenkomst opzegt, onder het gelijktijdig aanbieden van een nieuw, beperkter contract. Ontslag voor het geheel, onder het gelijktijdig aanbieden van een beperkter contract is het juridische vat waarin deeltijdontslag moet worden gegoten.</p>
<p>Deze opening in de Beleidsregels blijft uitdrukkelijk bedoeld voor uitzonderingssituaties.  De werkgever moet aannemelijk maken dat deeltijdontslag <span style="text-decoration:underline;">onvermijdelijk</span> is. Zo dient sprake te zijn van omstandigheden die gelegen zijn in de functies van de werknemers en/of in de wijze waarop die functies met elkaar samenhangen. Aannemelijk moet zijn dat het gehele ontslag van één of meer (gespecialiseerde) medewerkers  de algehele bedrijfsvoering ernstige schade toebrengt en/of de voortgang van de werkzaamheden ernstig belemmert of zelfs onmogelijk maakt. Binnen de podiumkunsten biedt het deeltijdontslag mogelijk uitkomst om werkgelegenheid breed te behouden en de krimp te verdelen. Om bepaalde stukken te kunnen blijven spelen, zal een orkest voldoende musici van diverse aard in huis moeten hebben.  Wellicht dat een zelfde redenering opgaat voor dans- en toneelgezelschappen, alhoewel onvermijdelijkheid van deeltijdontslag voor die gezelschappen wellicht minder evident is dan voor muziekgezelschappen. Mijns inziens in ieder geval de moeite van het onderzoeken waard, nu deeltijdontslag een manier kan zijn om de kern van (de activiteiten) van een gezelschap te behouden.</p><img src="http://feeds.feedburner.com/~r/dirkzwager_nl/~4/EqW6bOtJq64" height="1" width="1"/>]]></content:encoded>
      <feedburner:origLink>http://dirkzwagerarbeidsrecht.nl/2012/02/07/deeltijdontslag-uitweg-voor-de-cultuursector/</feedburner:origLink></item>
      <item>
         <title>Google’s nieuwe privacybeleid onderzocht door gezamenlijke Europese privacytoezichthouders</title>
         <link>http://feedproxy.google.com/~r/dirkzwager_nl/~3/8aUWTbY7LhU/</link>
         <description>De gezamenlijke Europese privacytoezichthouders kondigen in een brief [1] aan een gezamenlijk onderzoek te starten naar [intlink id="8898" type="post"]het nieuwe privacybeleid van Google[/intlink].

Vorige week kondigde Google aan om per 1 maart te komen met een nieuw privacybeleid. Op dat nieuwe beleid is [intlink id="8898" type="post"]veel kritiek[/intlink]. Zo zijn er onder meer kamervragen gesteld [2] door Kees Verhoeven van D66 [3]. Ook heeft het College Bescherming vorige week al laten weten  [4]dat het nieuwe beleid zijn aandacht heeft.

De gezamenlijke Europese privacytoezichthouders, verenigd in de artikel 29 werkgroep [5], hebben nu in een brief aan Google laten weten dat zij in een gezamenlijke procedure het nieuwe beleid van Google wensen te onderzoeken. Het onderzoek zal worden geleid door de CNIL [6], de Franse privacytoezichthouder.

Google wordt in de brief opgeroepen om hangende het onderzoek het nieuwe beleid niet uit te rollen. Google heeft aan Bloomberg laten weten [7] aan die oproep geen gehoor te zullen geven, omdat dit alleen maar tot verwarring zou leiden.

Wij houden u op de hoogte van verdere ontwikkelingen.

[1] http://ec.europa.eu/justice/data-protection/article-29/documentation/other-document/files/2012/20120202_letter_google_privacy_policy_en.pdf
[2] https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kv-tk-2012Z01382.html
[3] http://www.tweedekamer.nl/kamerleden/alle_kamerleden/verhoeven_kees/index.jsp
[4] http://webwereld.nl/nieuws/109345/cbp-onderzoekt-nieuw-privacybeleid-google.html
[5] http://ec.europa.eu/justice/data-protection/article-29/index_en.htm
[6] http://www.cnil.fr/
[7] http://www.bloomberg.com/news/2012-02-03/google-told-to-pause-privacy-changes-in-eu-during-french-probe.html&lt;img src="http://feeds.feedburner.com/~r/DirkzwagerAdvocatenIntellectueleEigendomenIT-recht/~4/Ttzd4Em3Iq8" height="1" width="1"/&gt;&lt;img src="http://feeds.feedburner.com/~r/dirkzwager_nl/~4/8aUWTbY7LhU" height="1" width="1"/&gt;</description>
         <guid isPermaLink="false">http://dirkzwagerieit.nl/?p=8951</guid>
         <pubDate>Fri, 03 Feb 2012 15:31:53 +0000</pubDate>
      <feedburner:origLink>http://feedproxy.google.com/~r/DirkzwagerAdvocatenIntellectueleEigendomenIT-recht/~3/Ttzd4Em3Iq8/</feedburner:origLink></item>
      <item>
         <title>Maximale huurverhoging van 2,3% per 1 juli 2012</title>
         <link>http://feedproxy.google.com/~r/dirkzwager_nl/~3/7uiQs-k6dyY/</link>
         <description>De maximale huurverhoging per 1 juli 2012 is vastgesteld op 2,3 %. Dit is gelijk aan het inflatiepercentage over 2011. Deze maximale huurverhoging geldt voor huishoudens met een inkomen tot € 43.000,-. Voor inkomens van meer dan € 43.000,- worden mogelijkheden gecreëerd voor extra huurverhogingen.
Inkomen tot € 43.000,-
Minister Spies van Binnenlandse Zaken heeft donderdag bekendgemaakt [...]</description>
         <guid isPermaLink="false">http://dirkzwagervastgoed.nl/?p=1906</guid>
         <pubDate>Fri, 03 Feb 2012 15:28:45 +0000</pubDate>
         <content:encoded><![CDATA[<p>De maximale huurverhoging per 1 juli 2012 is vastgesteld op 2,3 %. Dit is gelijk aan het inflatiepercentage over 2011. Deze maximale huurverhoging geldt voor huishoudens met een inkomen tot € 43.000,-. Voor inkomens van meer dan € 43.000,- worden mogelijkheden gecreëerd voor extra huurverhogingen.<span id="more-1906"></span></p>
<p><strong>Inkomen tot € 43.000,-</strong><br />
Minister Spies van Binnenlandse Zaken heeft donderdag bekendgemaakt dat de maximale huurverhoging per 1 juli 2012 is vastgesteld op 2,3 % (<a rel="nofollow" target="_blank" href="http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/huurwoning/documenten-en-publicaties/circulaires/2012/02/02/mg-circulaire-2012-01-huurprijsbeleid-per-1-juli-2012.html">MG-circulaire 2012-01</a>). Dit is gelijk aan het inflatiepercentage over 2011 zoals dat door het CBS is gepubliceerd. De huurverhoging van maximaal 2,3 % geldt voor huishoudens met een gezamenlijk inkomen tot € 43.000,-. Het inkomen over 2010 is bepalend, omdat dat in de meeste gevallen definitief is vastgesteld.</p>
<p><strong>Inkomen boven € 43.000,-</strong><br />
Voor huishoudens met een gezamenlijk inkomen van meer dan € 43.000,- wil de regering een maximale verhoging van inflatie + 5 % toestaan. In het regeerakkoord is bepaald dat dit de doorstroming op de huurmarkt bevordert. Het <a rel="nofollow" target="_blank" href="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-33129-2.html">voorstel van wet</a> is ingediend bij de Tweede Kamer en deze maximale verhoging is nog onder voorbehoud van instemming van de Tweede en Eerste Kamer met het wetsvoorstel.</p>
<p>Vanaf 1 februari 2012 kunnen verhuurders via de website <a rel="nofollow" target="_blank" href="http://www.inkomensafhankelijkehuurverhoging.nl/">www.inkomensafhankelijkehuurverhoging.nl</a> bij de Belastingdienst opvragen of het huishouden een gezamenlijk inkomen heeft van meer of minder dan € 43,000,-. De Belastingdienst verstrekt alleen een verklaring of het inkomen meer of minder dan € 43.000,- bedraagt en geeft geen specifieke inkomensgegevens. Verhuurders die een huurverhoging van meer dan 2,3 % voorstellen, moeten bij het voorstel de verklaring van de Belastingdienst voegen waaruit blijkt dat het inkomen hoger is dan € 43,000,-.</p>
<p><strong>Woningcorporaties</strong><br />
De maximale stijging van de gemiddelde huurprijs van zelfstandige woningen van woningcorporaties wordt per 1 juli 2012 ook gesteld op 2,3 %. De gemiddelde huurprijs van een zelfstandige woning van de woningcorporatie mag op 1 juli 2012 niet hoger zijn dan de gemiddelde huurprijs van zelfstandige woningen per 30 juni 2012 + 2,3%. Om ook woningcorporaties extra ruimte te geven voor een huurverhoging voor huishoudens met een gezamenlijk inkomen van meer dan € 43.000,-, blijven bij bepaling van de gemiddelde huurstijging de volgende huurverhogingen buiten beschouwing:</p>
<ul>
<li>de huurverhogingen voor huishoudens met een inkomen boven € 43.000;</li>
<li>de huurverhogingen van geliberaliseerde huurovereenkomsten;</li>
<li>de huurprijzen van nieuwe verhuringen (eerste verhuring van een woning of opvolgende verhuring bij verhuizing van de huurder);</li>
<li>de huurverhogingen als gevolg van woningverbetering/renovatie.</li>
</ul>
<p><strong>Geliberaliseerde huur</strong><br />
De maximale huurverhogingen gelden niet voor geliberaliseerde huurovereenkomsten. De liberalisatiegrens is per 1 januari 2012 gesteld op € 664,66 per maand.</p><img src="http://feeds.feedburner.com/~r/dirkzwager_nl/~4/7uiQs-k6dyY" height="1" width="1"/>]]></content:encoded>
      <feedburner:origLink>http://dirkzwagervastgoed.nl/2012/02/03/maximale-huurverhoging-van-23-per-1-juli-2012/</feedburner:origLink></item>
      <item>
         <title>Hoe ver reikt het inzagerecht in het personeelsdossier?</title>
         <link>http://feedproxy.google.com/~r/dirkzwager_nl/~3/6-YAJXMdbio/</link>
         <description>Privacy en de wettelijke inkadering daarvan in de Wet Bescherming Persoonsgegevens (Wbp) staan steeds meer in de belangstelling. Werknemers ‘ontdekken’ het inzagerecht op grond van artikel 35 Wbp.  Dit artikel biedt recht op inzage in het personeelsdossier, maar blijkt in de jurisprudentie ook een kapstok te zijn voor afgifte van kopieën (o.a. Hoge Raad 29 [...]</description>
         <guid isPermaLink="false">http://www.dirkzwagerarbeidsrecht.nl/?p=1370</guid>
         <pubDate>Fri, 03 Feb 2012 15:01:09 +0000</pubDate>
         <content:encoded><![CDATA[<p>Privacy en de wettelijke inkadering daarvan in de Wet Bescherming Persoonsgegevens (Wbp) staan steeds meer in de belangstelling. Werknemers ‘ontdekken’ het inzagerecht op grond van artikel 35 Wbp.  Dit artikel biedt recht op inzage in het personeelsdossier, maar blijkt in de jurisprudentie ook een kapstok te zijn voor afgifte van kopieën (o.a. Hoge Raad 29 juni 2007, LJN AZ 4663) . Hoe ver reikt het inzagerecht?<span id="more-1370"></span></p>
<p>Begin januari 2012 is een interessante uitspraak van het Hof Amsterdam gepubliceerd (5 juli 2011, LJN BR3020). De werkneemster vorderde volledige inzage in het personeelsdossier. Dit ging behoorlijk ver en stuitte logischerwijs op verzet bij de werkgever. Zo werd inzage gevorderd in:</p>
<ol>
<li>de correspondentie tussen de afdeling arbeidszaken/legal en andere afdelingen van werkgever;</li>
<li>de welbewust door werkgever niet verstrekte gegevens,</li>
</ol>
<ul>
<li> waaronder e-mailcorrespondentie die betrekking heeft op interne sollicitaties en</li>
<li>e-mailcorrespondentie van werkgever met de (toenmalige) raad van bestuur, waaronder de correspondentie tussen de (toenmalige) voorzitter van de Centrale Ondernemingsraad en een of meer leden van de (toenmalige) raad van bestuur.</li>
</ul>
<p>Het ging dus ook expliciet om communicatie tussen de juridisch afdeling en de advocaat van werkgever. Met betrekking tot de communicatie met de advocaat stelde de werkneemster dat de werkgever zich niet kon beroepen op de vertrouwelijkheid daarvan omdat de advocaat in de onderhavige zaak op detacheringbasis werkzaam was bij de werkgever. De werkgever weigerde de correspondentie te verstrekken tussen de afdeling arbeidszaken en andere afdelingen met betrekking tot het arbeidsgeschil met Van Schaik, een e-mail van de voorzitter van de ondernemingsraad aan de (toenmalige) Raad van Bestuur en correspondentie tussen de advocaat en de afdeling Legal/arbeidszaken.</p>
<p>Het Hof overwoog dat op grond van artikel 35 Wbp ‘de betrokkene’ het recht zich vrijelijk en met redelijke tussenpozen tot zijn ‘verantwoordelijke’ te wenden met het verzoek hem mede te delen of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt. Vertaalt naar het arbeidsrecht: de werknemer mag regelmatig informeren naar de verwerking van gegevens in zijn personeelsdossier. De werkgever maakt binnen vier weken schriftelijk kenbaar of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt en zo ja, geeft dan een volledig overzicht in begrijpelijke vorm, een omschrijving van het doel of de doeleinden van de verwerking, de categorieën van gegevens waarop de verwerking betrekking heeft en de ontvangers of categorieën van ontvangers, alsmede de beschikbare informatie over de herkomst van de gegevens.</p>
<p>Het inzagerecht van artikel 35 Wbp kent echter zijn grenzen en is dus niet onbeperkt. Zo volgt uit de jurisprudentie (1)  dat het inzagerecht zich niet uitstrekt tot interne notities die de persoonlijke gedachten van medewerkers bevatten en die uitsluitend bedoeld zijn voor intern overleg en beraad. Een uiteindelijk op grond van interne notities opgemaakt definitief rapport valt hier wel onder. De gegevens waar de werkneemster om verzocht, kwalificeerden volgens het Hof als correspondentie tussen medewerkers van de werkgever en bevatten persoonlijke gedachten, uitsluitend bedoeld voor intern overleg en beraad. Dit valt niet onder het inzagerecht, aldus het Hof.</p>
<p>Opvallend is dat het Hof in deze zaak niet toekomt aan artikel 43 Wbp, maar voldoende heeft aan de constatering dat persoonlijke aantekeningen niet onder het inzagerecht vallen.  Artikel 43 Wbp voorziet in een uitzondering op het inzagerecht, de werkgever deed in deze zaak ook een beroep op dit artikel. Eén van de gronden van artikel 43 Wbp is “de bescherming van de betrokkenen of van de rechten en vrijheden van anderen”. Onder ‘anderen’ kan ook de verantwoordelijke in de zin van Wbp –en daarmee in arbeidsrelaties de werkgever-  worden begrepen.</p>
<p>(1) HR 29-06-2007, LJN AZ4663; HR 29-06-2007, LJN AZ4664; HR 29-06-2007, LJN BA3529; HR 24-01-2003; LJN AF0148</p><img src="http://feeds.feedburner.com/~r/dirkzwager_nl/~4/6-YAJXMdbio" height="1" width="1"/>]]></content:encoded>
      <feedburner:origLink>http://dirkzwagerarbeidsrecht.nl/2012/02/03/hoe-ver-reikt-het-inzagerecht-in-het-personeelsdossier/</feedburner:origLink></item>
      <item>
         <title>Consumentenautoriteit verscherpt toezicht op onbetrouwbare webwinkels</title>
         <link>http://feedproxy.google.com/~r/dirkzwager_nl/~3/IKgJJzr-DxM/</link>
         <description>Deze week presenteerde de Consumentenautoriteit haar aandachtsgebieden voor 2012 en 2013 [1]. De Consumentenautoriteit gaat onder meer scherp toezien op onbetrouwbare webwinkels. De totale markt voor online winkelen is immers nog steeds (ondanks de crisis) enorm aan het groeien. Ook het aantal webwinkels groeit aanzienlijk. Niet alle webwinkels voldoen echter aan de geldende regelgeving. Steeds meer consumenten klagen over bijvoorbeeld leverings- en betalingsproblemen. 

Genoeg redenen om nogmaals het belang van een goede webwinkel [2] te benadrukken.

Uit de meldingen bij ConsuWijzer wordt duidelijk dat sommige webshops regelmatig slecht bereikbaar zijn (klantenservice, klachtafhandeling) en dat levering niet altijd even betrouwbaar is (niet tijdig of niet juist). Daarnaast worden consumenten nogal eens geconfronteerd met door de ondernemer opgeworpen belemmeringen indien zij gebruik willen maken van hun wettelijk herroepingsrecht. [3]

De Consumentenautoriteit gaat snel optreden tegen webshops die zorgen voor leverings- of betalingsproblemen waarover de Consumentenautoriteit signalen ontvangt. Het is als webshop houder dus belangrijk om aan de geldende regelgeving te voldoen. Zo is er bijvoorbeeld de verplichting voor websitehouders om bepaalde informatie gemakkelijk, rechtstreeks en permanent toegankelijk te stellen voor diegenen die gebruik maken van de website. Het gaat dan om de volgende informatie:
a. Identiteit en adres
b. Snel contact (telefoon- en faxnummer)
c. E-mailadres
d. KvK registratienummer + plaats inschrijving
e. Eventuele vergunningen
f. Beroepsvereniging + gedragscodes bij gereglementeerd beroep
g. BTW nummer
h. Heldere prijsaanduiding en –samenstelling
 
Een houder van een webwinkel moet voldoen aan extra informatieverplichtingen. Wanneer zaken worden gedaan met consumenten moeten nog meer informatieverplichtingen in acht worden genomen. Ook worden er eisen gesteld aan het bestelproces van de website en de bevestiging van de overeenkomst. Daarnaast moet de consument worden geïnformeerd over het herroepingsrecht en moet de webwinkelier deze mogelijkheid ook daadwerkelijk aan de consument gunnen. Indien een webwinkelier niet aan de regels voldoet loopt zij een risico, waaronder het risico dat de consument gedurende een lange tijd de mogelijkheid heeft om de overeenkomst te ontbinden en de webwinkelier als onbetrouwbaar te boek komt te staan. Reden te meer om aan alle regels te voldoen.
Wilt u meer informatie over dit onderwerp? Neemt u dan contact op met ondergetekende.

[1] http://www.consumentenautoriteit.nl/over-ons/aandachtsgebieden-2012-2013
[2] http://dirkzwagerieit.nl/uw-website-juridisch-getoetst/internetrecht-is-ook-voor-u-van-belang/
[3] http://dirkzwagerieit.nl/2011/09/15/wanneer-kun-je-een-online-gesloten-overeenkomst-herroepen/&lt;img src="http://feeds.feedburner.com/~r/DirkzwagerAdvocatenIntellectueleEigendomenIT-recht/~4/t3l3J8UYmpU" height="1" width="1"/&gt;&lt;img src="http://feeds.feedburner.com/~r/dirkzwager_nl/~4/IKgJJzr-DxM" height="1" width="1"/&gt;</description>
         <guid isPermaLink="false">http://dirkzwagerieit.nl/?p=8930</guid>
         <pubDate>Thu, 02 Feb 2012 14:42:34 +0000</pubDate>
      <feedburner:origLink>http://feedproxy.google.com/~r/DirkzwagerAdvocatenIntellectueleEigendomenIT-recht/~3/t3l3J8UYmpU/</feedburner:origLink></item>
      <item>
         <title>Klant webhoster zelf verplicht om back-ups cruciale gegevens te maken</title>
         <link>http://feedproxy.google.com/~r/dirkzwager_nl/~3/_osYCkXIuDY/</link>
         <description>Het Gerechtshof Den Haag heeft in een arrest van 27 december 2011 [1] geoordeeld dat van een klant van een webhoster verwacht mag worden dat deze zelf back-ups maakt, wanneer de betreffende gegevens cruciaal zijn voor de bedrijfsvoering. 

Het arrest heeft betrekking op een geschil tussen Scope Werving en Selectie B.V. (hierna: Scope) en KPN B.V..

Scope klant bij voormalig Tiscali voor ADSL en hosting

Scope had in het verleden een overeenkomst gesloten met Tiscali voor het verzorgen van een internetverbinding en webhosting.  Tiscali werd op een gegeven moment overgenomen door KPN en KPN nam de contracten van de bestaande klanten van Tiscali over (tenzij die klanten zich daartegen verzetten).

Overstap van Tiscali naar KPN niet geheel vlekkeloos

Scope verzet zich niet tegen de contractsovername door KPN en KPN bevestigt dan ook op 6 maart 2008 de overstap aan Scope. Toch gaat er enige tijd later iets mis. Op 28 mei 2008 vindt een eerste kleine onderbreking van de dienstverlening plaats.

Enige tijd later website algeheel uit de lucht

Op 14 juli 2008 gaat de site vervolgens algeheel "uit de lucht". De site komt vervolgens, zo leid ik tenminste uit de feiten af, op 14 augustus 2008 weer online. Op dat moment functioneert de site echter niet, omdat de gegevens in de achterliggende database verloren zijn gegaan. Het herstel van die database duurt vervolgens nog twee maanden.

Scope vordert geleden schade bij KPN

KPN wordt daarop aangesproken door Scope vanwege geleden schade, onder andere bestaande uit omzetverlies voor de maanden dat de site niet volledig operationeel was en kosten voor het opnieuw bouwen van de database. 

Voor het Gerechtshof wordt allereerst gestreden over de vraag of er nu wel of geen sprake was van contractsovername. Ook enkele andere formeel-juridische punten komen aan de orde. Die discussie laat ik even voor wat het is.

Kosten opnieuw bouwen database te wijten aan ontbreken back-up

Met betrekking tot de kosten voor het opnieuw bouwen van de database, overweegt het Hof dat Scope deze aan zichzelf te wijten heeft:
23.  De onder b. genoemde kosten voor het opnieuw opbouwen van de database vordert Scope omdat aan haar website een database hing waarin gegevens waren opgeslagen van vacatures van bedrijven en van personen die op zoek waren naar een baan. Deze database was verdwenen toen de website uit de lucht werd gehaald en moest geheel worden opgebouwd. KPN voert hiertegen aan dat Scope zelf een back-up van haar database had moeten maken of dat aan Tiscali of KPN had moeten vragen, nu deze het maken van back-ups als extra dienst aanbieden.

24.  Dit verweer van KPN slaagt. Het hof is van oordeel dat Scope gehouden was om – ter voorkoming van eventuele schade – te zorgen voor een back-up van haar database, nu de gegevens daarop klaarblijkelijk van groot belang waren voor de uitoefening van haar bedrijf. De schade is in zo grote mate veroorzaakt door haar nalaten, dat de tekortkoming van KPN op dit punt in het niet valt. Deze schadepost dient daarom voor rekening van Scope te blijven.
Deze kosten kunnen dus niet door Scope op KPN worden verhaald.

Omzetverlies alleen voor zover niet te wijten aan ontbreken back-up

Met betrekking tot het gevorderde omzetverlies wijst KPN er opnieuw op dat die schadepost kleiner zou zijn geweest wanneer Scope back-ups had gemaakt. Naar aanleiding van dit verweer heeft Scope in haar pleidooi haar schadevordering al verminderd tot de gederfde omzet van een maand (terwijl zij voorheen drie maanden omzetderving als schade vorderde). Dat gedurende een maand door Scope omzet is gederfd vanwege de problemen met de website is door KPN verder niet betwist.

Kennelijk bestaat er dus tussen partijen overeenstemming over de periode van omzetderving die door de problemen met de website is veroorzaakt (namelijk een maand). Een onbetwiste vordering kan in beginsel eenvoudig worden toegewezen. Opvallend in dat kader is dan ook dat het Hof toch expliciet overweegt dat het verweer van KPN met betrekking tot het ontbreken van back-ups juist is:
25. (...) Wel voert KPN met recht aan dat Scope de schade aan zichzelf heeft te wijten, voor die periode waarin de website reeds was hersteld, maar nog niet werkzaam door het ontbreken van de database.
Aangezien de periode van het omzetverlies valt in een zomermaand, wordt de schade door het Hof gesteld op de helft van de gemiddelde omzet in een normale maand. KPN wordt dus veroordeeld om een bedrag van € 14.283,--, te vermeerderen met wettelijke rente, te betalen.

Commentaar: schadebeperkingsplicht voor benadeelde partij

Het lijkt er op, hoewel het Hof daar niet expliciet naar verwijst, dat de maatstaf van artikel 6:101 BW [2] door het Hof is toegepast. In dat artikel staat (kort samengevat) dat geen schade kan worden gevorderd voor zover die schade (mede) het gevolg is van omstandigheden die aan de benadeelde partij kunnen worden toegerekend ("eigen schuld"). Uit dat wetsartikel wordt ook wel afgeleid dat, tot op zekere hoogte, voor een benadeelde partij een plicht bestaat om schadebeperkend te handelen. Een ieder die gebruik maakt van IT-dienstverlening dient hier op bedacht te zijn. Een vordering tot vergoeding van schade wegens het verloren zijn gegaan van gegevens, kan onder bepaalde omstandigheden wel eens afstuiten op artikel 6:101 BW [2].

Tegelijk roept de hele procedure bij mij wel de vraag op hoe het kan zijn dat de database uberhaupt verloren is gegaan op de servers van KPN. Dat zou moeten betekenen dat de betreffende gegevens al binnen een maand volledig overschreven zijn (door bijvoorbeeld gegevens van andere klanten) en niet meer te herstellen uit een back-up die KPN zelf maakt. Ik ben erg benieuwd hoe dat feitelijk is gegaan. Het lijkt mij namelijk veel efficienter en praktischer om in een dergelijke situatie aan KPN te vragen de database te herstellen uit een back-up (al was het een oude versie), dan zelf twee maanden lang van de grond af die database weer op te bouwen. Uit het arrest kan ik niet opmaken of tussen partijen over een verplichting voor KPN tot algeheel herstel van alle gegevens is gediscussieerd. Het zou interessant geweest zijn om te zien de overweging over "eigen schuld" net zo was uitgevallen, wanneer die discussie wel gevoerd was.

[1] http://www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=BV1678
[2] http://wetten.overheid.nl/BWBR0005289/Boek6/Titel1/Afdeling10/Artikel101/
[3] http://wetten.overheid.nl/BWBR0005289/Boek6/Titel1/Afdeling10/Artikel101/&lt;img src="http://feeds.feedburner.com/~r/DirkzwagerAdvocatenIntellectueleEigendomenIT-recht/~4/ggG4JjdNxeQ" height="1" width="1"/&gt;&lt;img src="http://feeds.feedburner.com/~r/dirkzwager_nl/~4/_osYCkXIuDY" height="1" width="1"/&gt;</description>
         <guid isPermaLink="false">http://dirkzwagerieit.nl/?p=8938</guid>
         <pubDate>Thu, 02 Feb 2012 10:26:29 +0000</pubDate>
      <feedburner:origLink>http://feedproxy.google.com/~r/DirkzwagerAdvocatenIntellectueleEigendomenIT-recht/~3/ggG4JjdNxeQ/</feedburner:origLink></item>
      <item>
         <title>Bijstorten door werkgever bij onderdekking: pensioenfonds kan dit niet altijd afdwingen</title>
         <link>http://feedproxy.google.com/~r/dirkzwager_nl/~3/4atJvH0NkgU/</link>
         <description>Het is inmiddels duidelijk geworden dat de kredietcrisis hevige gevolgen heeft gehad voor de pensioenwereld. De dalende aandelenkoersen en de lage marktrente heeft menig pensioenfonds in een situatie van onderdekking gebracht. Pensioenfondsen dienen alles in het werk te stellen om alsnog uit de onderdekking te raken. Zo moeten pensioenfondsen in de (door DNB goed te [...]</description>
         <guid isPermaLink="false">http://www.dirkzwagerarbeidsrecht.nl/?p=1363</guid>
         <pubDate>Wed, 01 Feb 2012 14:51:48 +0000</pubDate>
         <content:encoded><![CDATA[<p>Het is inmiddels duidelijk geworden dat de kredietcrisis hevige gevolgen heeft gehad voor de pensioenwereld. De dalende aandelenkoersen en de lage marktrente heeft menig pensioenfonds in een situatie van onderdekking gebracht. Pensioenfondsen dienen alles in het werk te stellen om alsnog uit de onderdekking te raken. Zo moeten pensioenfondsen in de (door DNB goed te keuren) korte termijnherstelplannen opnemen welke maatregelen zij zullen treffen om binnen de voorgeschreven herstelperiode het gewenste niveau van het minimum vereist eigen vermogen te kunnen bereiken. Een vaak benoemde maatregel in zo’n herstelplan is het aanspreken van de werkgever tot bijstorten. Dat het pensioenfonds echter niet zonder meer de werkgever kan aanspreken tot bijstorten, bewijst de <a rel="nofollow" target="_blank" href="http://www.dirkzwager.nl/pdf/SCAN9761_000.pdf">recente uitspraak </a>van de kantonrechter te Amsterdam van 16 januari 2012.<span id="more-1363"></span></p>
<p><strong>Vooraf</strong></p>
<p>In deze procedure daagde het ondernemingspensioenfonds Unisys Nederland (hierna: SPUN) de aan dit pensioenfonds verbonden onderneming, Unisys Nederland B.V. (hierna Unisys).  Unisys weigerde namelijk het volledige aanvullende premiebedrag, dat noodzakelijk was om op het minimaal vereist eigen vermogen te kunnen komen, te voldoen. Hoewel de bijstortingsverplichting van de werkgever expliciet verwoord stond in de financieringsovereenkomst, concludeerde de rechter dat een (integraal) beroep op deze bijstortingsverplichting naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.</p>
<p><strong>Situatie</strong></p>
<p>Welke situatie deed zich voor?</p>
<p>SPUN en Unisys hebben in het verleden een financieringsovereenkomst met elkaar gesloten. Deze financieringsovereenkomst was destijds geënt op de (inmiddels vervallen) Pensioen- en spaarfondsenwet. Sinds 2007 geldt de Pensioenwet. Strikt genomen hadden partijen uit hoofde van de Pensioenwet per 1 januari 2008 een uitvoeringsovereenkomst met elkaar moeten sluiten, maar over de inhoud van deze overeenkomst hebben zij geen overeenstemming weten te bereiken. Uitgangspunt was derhalve de financieringsovereenkomst.</p>
<p>In deze financieringsovereenkomst stonden onder meer bepalingen over premiekorting en (de tegenhanger daarvan) bijstorting. Op grond van de bijstortingsbepaling diende Unisys in een situatie van onderdekking bij te storten tot het niveau van de minimumvereiste dekkingsgraad, waarbij een herstelperiode van één jaar werd aangehouden. Doordat de bepalingen in de financieringsovereenkomst geënt waren op de vervallen Pensioen- en spaarfondsenwet, sloot deze overeenkomst niet helemaal meer aan bij de huidige Pensioenwet. Zo kent de Pensioenwet bijvoorbeeld een strenger regime voor premiekorting, terwijl het regime voor de dekkingsgraad in de Pensioenwet milder is geworden. Niet langer staat namelijk een herstelperiode van één jaar voorgeschreven, maar een periode van drie jaar. Unisys kon van deze door de wet geboden langere herstelperiode echter niet “meeprofiteren”, doordat in de financieringsovereenkomst nog steeds een herstelperiode van één jaar voorgeschreven stond. Hierdoor werd Unisys eerder en voor een hoger bedrag aangesproken tot bijstorting, dan het geval zou zijn geweest indien de bepalingen in de Pensioenwet zouden zijn vervat in de (nog overeen te komen) uitvoeringsovereenkomst.</p>
<p>Unisys heeft op enig moment aan SPUN een aanvullende premie van circa € 13 miljoen voldaan, maar dit werd door SPUN onvoldoende bevonden. SPUN verzocht Unisys een aanvullend bedrag van circa € 19 miljoen te voldoen en verwees in dit kader naar de tekst van de financieringsovereenkomst over de bijstortingsverplichting. Genoemd bedrag van € 19 miljoen was derhalve berekend op basis van een herstelperiode van één jaar. Unisys weigerde dit bedrag te voldoen. De kantonrechter concludeert dat deze weigering van Unisys terecht is. Een aantal belangrijke rechtsoverwegingen volgt hieronder.</p>
<p><strong>Belangrijke rechtsoverwegingen</strong></p>
<p>Allereerst merkt de kantonrechter op dat het voor de beoordeling van dit geschil niet uitmaakt dat het kortetermijnherstelplan van SPUN door DNB is goedgekeurd, in welk plan de bijstortingsverplichting van de werkgever expliciet verwoord staat. SPUN had zich op het standpunt gesteld dat, nu Unisys als derdebelanghebbende geen bezwaar had ingesteld tegen de instemming van DNB met het kortetermijnherstelplan, de inhoud van dit herstelplan (en dus ook de bijstortingsverplichting) onaantastbaar was (formele rechtskracht). De kantonrechter oordeelt daarentegen dat SPUN jegens Unisys geen rechten kan ontlenen aan het goedgekeurde kortetermijnherstelplan. DNB treedt namelijk niet in de individuele rechtsverhouding tussen het ondernemingspensioenfonds en de werkgever.</p>
<p>Tevens kent de kantonrechter geen betekenis toe aan een eerdere uitspraak van de Ondernemingskader (hierna: OK) in een geschil tussen SPUN en de deelnemersraad betreffende het besluit tot afzien van indexatie. De OK oordeelt in deze uitspraak dat SPUN in redelijkheid niet had mogen afzien van indexatie, omdat SPUN bij het vaststellen van haar financiële positie ten onrechte niet de bijstortingsverplichting van Unisys had meegewogen. Deze uitspraak van de OK is volgens de kantonrechter echter niet van belang voor het onderhavige geschil, omdat de werkgever geen partij was bij deze procedure bij de OK; het geschil bij de OK spitste zich toe op een andere rechtsbetrekking.</p>
<p>Hierna gaat de kantonrechter over tot uitleg van de financieringsovereenkomst. In dit kader is volgens de kantonrechter niet uitsluitend de tekst van de overeenkomst van belang, maar ook de zin die partijen redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en wat zij redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Unisys stelt dat partijen hebben beoogd de vigerende pensioenregeling (dus ook de niet-dwingendrechtelijke bepalingen in de Pensioenwet, zoals de langere herstelperiode van 3 jaar!) in de financieringsovereenkomst te incorporeren. De kantonrechter gaat echter niet mee in dit betoog. De versoepeling in de pensioenwetgeving hoeft namelijk niet automatisch te worden toegepast; partijen kunnen een kortere herstelperiode overeenkomen.</p>
<p>Hoewel bovengenoemde uitleg van de financieringsovereenkomst in het voordeel van SPUN uitpakt, trekt SPUN uiteindelijk toch aan het kortste eind. De kantonrechter concludeert namelijk dat een  beroep op ongewijzigde instandhouding van de financieringsovereenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De navolgende omstandigheden spelen in dit kader een rol:</p>
<ul>
<li>een verstoord financieel evenwicht binnen de financieringsovereenkomst. De bijstortingsregeling is de tegenhanger van de premiekortingsregeling. Premiekorting is door invoering van de (dwingendrechtelijk) strengere bepalingen in de Pensioenwet minder snel aan de orde, terwijl anderzijds Unisys niet kan “meeprofiteren” van de mildere regeling in de Pensioenwet betreffende de dekkingsgraad, te weten een langere herstelperiode (omdat dit laatste een niet-dwingendrechtelijke bepaling behelst).</li>
<li>de kredietcrisis met een ongekende omvang en hevige gevolgen voor de pensioenlasten.</li>
<li>de omvang van de aanvullende bijdrage. Deze staat in geen verhouding tot de omvang van de aanvullende bijdragen in de afgelopen jaren. Ook staat deze in geen verhouding tot de jaarlijkse totale loonsom.</li>
<li>de beperkte (winst)resultaten van de werkgever.</li>
<li>de achtergrond van de in de Pensioenwet genoemde herstelperiode van drie jaar in plaats van één jaar (in verband met de volatiliteit van de markt en de gestegen pensioenlasten).</li>
<li>de onvoldoende onderbouwing van SPUN dat een afwijzing van haar vordering tot bijstorting zal leiden tot korting van de pensioenen.</li>
</ul>
<p>Uit voorgaande opsomming valt op te maken dat zowel specifiek op de werkgever toegesneden omstandigheden een rol spelen alsook meer algemene omstandigheden, zoals de kredietcrisis en de achtergrond van de in de Pensioenwet genoemde herstelperiode.</p>
<p><strong>Tot slot</strong></p>
<p>De pensioenlasten die ontstaan als gevolg van de kredietcrisis kunnen dus niet zonder meer (voor het volledige bedrag) bij de werkgever worden neergelegd. Stel dat een werkgever ruimere mogelijkheden heeft om onder de afgesproken bijstortingsverplichting uit te komen, dan komt korting van de pensioenen door het pensioenfonds wellicht eerder in beeld. Tot korting mag pas worden overgegaan als alle beschikbare sturingsmiddelen (waaronder een bijstortingsverplichting van de werkgever), benut zijn. Of een werkgever door deze uitspraak van de kantonrechter daadwerkelijk meer mogelijkheden heeft om onder zijn bijstortingsverplichting uit te komen, betwijfel ik echter. De door de kantonrechter genoemde bijzondere omstandigheden zullen zich namelijk in lang niet alle situaties voordoen.</p><img src="http://feeds.feedburner.com/~r/dirkzwager_nl/~4/4atJvH0NkgU" height="1" width="1"/>]]></content:encoded>
      <feedburner:origLink>http://dirkzwagerarbeidsrecht.nl/2012/02/01/bijstorten-door-werkgever-bij-onderdekking-pensioenfonds-kan-dit-niet-altijd-afdwingen/</feedburner:origLink></item>
      <item>
         <title>Kadaster handelt onrechtmatig bij onderhandse aanbesteding</title>
         <link>http://feedproxy.google.com/~r/dirkzwager_nl/~3/y7Raq8ma9mw/</link>
         <description>Het Kadaster en Kadata zijn veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding van € 10.000.000,00 aan HLA. De reden: het niet uitnodigen van HLA voor een onderhandse aanbestedingsprocedure, terwijl zij wisten dat HLA mogelijk aan de procedure wilde deelnemen.

De feiten
Medio 2009 zijn het Kadaster en Kadata een meervoudig onderhandse aanbestedingsprocedure gestart voor de ontwikkeling van [...]</description>
         <guid isPermaLink="false">http://dirkzwageroverheid.nl/?p=2872</guid>
         <pubDate>Wed, 01 Feb 2012 14:10:25 +0000</pubDate>
         <content:encoded><![CDATA[<p>Het Kadaster en Kadata zijn veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding van € 10.000.000,00 aan HLA. De reden: het niet uitnodigen van HLA voor een onderhandse aanbestedingsprocedure, terwijl zij wisten dat HLA mogelijk aan de procedure wilde deelnemen.<br />
<span id="more-2872"></span></p>
<p><strong>De feiten</strong><br />
Medio 2009 zijn het Kadaster en Kadata een meervoudig onderhandse aanbestedingsprocedure gestart voor de ontwikkeling van een desktop-applicatie voor het gebruik van informatie behorende bij een KLIC-melding (de KLIC-viewer). De uitvraag voor het doen van een offerte is verzonden naar bedrijven die zijn vermeld op een lijst van het BAO (Bronhouders- en Afnemers Overleg). Doordat HLA niet op deze lijst is vermeld, heeft zij geen uitvraag ontvangen. Het Kadaster heeft de opdracht gegund aan Arcadis.</p>
<p>HLA vordert in een bodemprocedure een verklaring voor recht dat het Kadaster en Kadata onrechtmatig jegens HLA hebben gehandeld door haar niet uit te nodigen voor een onderhandse aanbestedingsprocedure, terwijl zij wisten dat HLA over de gewenste expertise beschikte, geïnteresseerd was in de opdracht en een applicatie op de plank had liggen die voldoet aan het Programma van Eisen. Volgens HLA is dat in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en de aanbestedingsrechtelijke gelijkheids- en transparantiebeginselen. Tevens vordert HLA dat het Kadaster en Kadata worden veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding wegens omzetschade.</p>
<p><strong>Het tussenvonnis: de onrechtmatigheid</strong><br />
Bij tussenvonnis van 4 mei 2011 (<a rel="nofollow" target="_blank" href="http://www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=BV0451"><em>LJN</em>: BV0451</a>) heeft de Rechtbank Zutphen vonnis gewezen over de door HLA gevorderde verklaring voor recht dat het Kadaster en Kadata onrechtmatig jegens haar zouden hebben gehandeld.</p>
<p>De Rechtbank oordeelt dat de meervoudig onderhandse aanbestedingsprocedure voor de aanschaf van de KLIC-viewer vrijwillig was gestart, aangezien de waarde van de opdracht de drempelwaarde niet overschrijdt. Het Kadaster dient zich echter conform de algemene beginselen van behoorlijk bestuur te gedragen nu zij ervoor koos de werkzaamheden aan te besteden. Dit houdt volgens de Rechtbank in dat het Kadaster de verschillende (potentiële) inschrijvers gelijk moet behandelen.</p>
<p>In het onderhavige geval oordeelt de rechter dat het Kadaster op de hoogte was dat HLA actief was in de markt waarop de aanbesteding betrekking had. Door de uitvraag niet naar HLA te zenden, heeft het Kadaster de potentiële inschrijvers niet gelijk behandeld en daarmee in strijd met het gelijkheidsbeginsel gehandeld.<br />
De rechter acht het niet relevant dat het Kadaster heeft gehandeld conform de lijst van het BAO. Het Kadaster heeft een eigen verantwoordelijkheid bij de aanbesteding. Hij mocht niet blind afgaan op de lijst van het BAO.</p>
<p>Door HLA niet uit te nodigen, heeft het Kadaster onrechtmatig jegens HLA gehandeld. De Rechtbank stelt HLA in de gelegenheid te bewijzen of, en zo ja welke, schade zij heeft geleden.</p>
<p><strong>Het eindvonnis: de schadevergoeding</strong><br />
Bij eindvonnis van 28 december 2011 (<a rel="nofollow" target="_blank" href="http://www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=BU9991"><em>LJN</em>: BU9991</a>) heeft de Rechtbank Zutphen zich uitgelaten over de door HLA gevorderde schadevergoeding. HLA diende te bewijzen dat zij aan de aanbestedingsprocedure zou hebben deelgenomen en die ook zou hebben gewonnen. HLA voert aan dat zij eenvoudig aan de eisen van het Kadaster kon voldoen doordat zij reeds een standaardprogramma ‘op de plank had liggen’. De Rechtbank acht dit door het Kadaster onvoldoende betwist.<br />
Voor de vraag of HLA de aanbestedingsprocedure zou hebben gewonnen is volgens de Rechtbank de in het bestek vastgelegde beoordelingsprocedure van belang. HLA voert aan dat haar applicatie aan de eisen van het Kadaster voldoet en beter zou hebben gescoord dan de applicatie van Arcadis. Tevens voert HLA aan dat haar applicatie goedkoper is dan die van Arcadis. De Rechtbank wijst het verweer van het Kadaster af. De Rechtbank oordeelt dat moet worden aangenomen dat HLA de aanbestedingsprocedure zou hebben gewonnen.</p>
<p>Ten slotte komt de vraag aan de orde wat de omvang van de door HLA geleden schade is. HLA vordert vergoeding van gederfde winst. Geoordeeld wordt dat de <em>toestand zoals die werkelijk is geweest</em> moet worden vergelen met de <em>“toestand zoals die (vermoedelijk) zou zijn geweest wanneer het onrechtmatig handelen van het Kadaster niet zou hebben plaatsgevonden”</em>. De Rechtbank oordeelt dat partijen onvoldoende aanknopingspunten hebben geboden voor het vaststellen van de omvang van de schade. Voor toewijzing van de gehele vordering van HLA (€ 21.836.900,00) is volgens de Rechtbank onvoldoende onderbouwing gegeven. Afwijzing van de gehele vordering is echter evenmin aan de orde nu de Rechtbank het aannemelijk acht dat HLA licenties zou hebben verkocht als zij de aanbestedingsprocedure had gewonnen. De Rechtbank stelt de schade vast op € 10.000.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum vonnis.</p>
<p><strong>Commentaar</strong><br />
Zodra een aanbestedende dienst weet dat een marktpartij actief is op de voor de aanbesteding relevante markt en geïnteresseerd is in de aan te besteden opdracht, zal zij deze partij bij een meervoudig onderhandse aanbesteding in beginsel ook moeten uitnodigen voor het doen van een aanbieding. Als deze uitnodiging niet wordt gedaan, is de aanbestedende dienst in principe schadeplichtig. Dat is althans het oordeel van de Zutphense rechtbank. De vraag is uiteraard of dit oordeel ook in hoger beroep (dat waarschijnlijk volgt) volledig in stand blijft.<br />
Tevens interessant is het oordeel van de rechter dat HLA de aanbestedingsprocedure gewonnen zou hebben, waar tot voor kort uit werd gegaan van de kans dat een potentiële inschrijver de aanbestedingsprocedure zou winnen.</p>
<p>Mr. J.H.J. Bax<br />
Aanbestedingsadvocaat, vakgroep aanbestedingsrecht Dirkzwager</p><img src="http://feeds.feedburner.com/~r/dirkzwager_nl/~4/y7Raq8ma9mw" height="1" width="1"/>]]></content:encoded>
      <feedburner:origLink>http://dirkzwageroverheid.nl/2012/02/01/kadaster-handelt-onrechtmatig-bij-onderhandse-aanbesteding/</feedburner:origLink></item>
      <item>
         <title>Het verkrijgen van een verklaring omtrent gedrag (VOG) als ontbindende voorwaarde in de arbeidsovereenkomst</title>
         <link>http://feedproxy.google.com/~r/dirkzwager_nl/~3/sjtmftuUc5M/</link>
         <description>Met het opnemen van een ontbindende voorwaarde in de arbeidsovereenkomst wordt beoogd dat de arbeidsovereenkomst van rechtswege eindigt op het moment van het verwezenlijken van de ontbindende voorwaarde, zonder dat er dus een beëindiginghandeling (opzegging of ontbinding) nodig is.
De Hoge Raad heeft reeds meerdere malen bepaald dat het opnemen van een ontbindende voorwaarde in de [...]</description>
         <guid isPermaLink="false">http://www.dirkzwagerarbeidsrecht.nl/?p=1360</guid>
         <pubDate>Wed, 01 Feb 2012 13:37:18 +0000</pubDate>
         <content:encoded><![CDATA[<p>Met het opnemen van een ontbindende voorwaarde in de arbeidsovereenkomst wordt beoogd dat de arbeidsovereenkomst van rechtswege eindigt op het moment van het verwezenlijken van de ontbindende voorwaarde, zonder dat er dus een beëindiginghandeling (opzegging of ontbinding) nodig is.<span id="more-1360"></span></p>
<p>De Hoge Raad heeft reeds meerdere malen bepaald dat het opnemen van een ontbindende voorwaarde in de arbeidsovereenkomst onder bepaalde omstandigheden mogelijk is. De omstandigheden bestaan uit drie (cumulatieve) elementen. Allereerst mag er met het opnemen van een ontbindende voorwaarde geen strijdigheid ontstaan met het stelsel van het ontslagrecht. Indien in de arbeidsovereenkomst wordt opgenomen dat die eindigt indien een werknemer ziek wordt, is bijvoorbeeld sprake van een voorwaarde die in strijd is met het stelsel van het ontslagrecht. Ten tweede dient de vervulling van de ontbindende voorwaarde objectief te worden bepaald en dus niet afhankelijk te zijn van de wil of de subjectieve waardering van één partij. Indien wordt overeengekomen dat de arbeidsovereenkomst eindigt in geval van disfunctioneren van de werknemer, waarbij het disfunctioneren wordt beoordeeld door de werkgever, is bijvoorbeeld sprake van een voorwaarde die afhankelijk is van de wil en subjectieve waardering van een partij, te weten van de werkgever. Tot slot moet na de vervulling van de ontbindende voorwaarde geen invulling meer kunnen worden gegeven aan de arbeidsovereenkomst. In de lagere rechtspraak zijn er vele uitspraken gedaan over de rechtsgeldigheid van verschillende ontbindende voorwaarden. Hieruit komt naar voren dat er in de lagere rechtspraak veelal wordt getoetst of wordt voldaan aan de eerste twee elementen. Het derde element blijft vaak onderbelicht of wordt nauwelijks concreet getoetst.</p>
<p>Voldoet de voorwaarde dat de arbeidsovereenkomst van rechtswege eindigt bij het niet verkrijgen van een VOG aan de eisen die de Hoge Raad stelt? Indien naar het eerste element wordt gekeken, kan worden gesteld dat dit element geen problemen oplevert. Indien naar het tweede element wordt gekeken, kan worden gesteld dat het verkrijgen van de VOG niet afhankelijk is van de wil van een partij. Immers, werkgever en werknemer hebben hierover geen zeggenschap. Het Ministerie van Veiligheid en Justitie bepaalt immers of een VOG wordt afgegeven. Het tweede element vormt dus ook geen obstakel. Voor sommige beroepen (zoals advocaten, taxichauffeurs en onderwijzers) is het verkrijgen van een VOG wettelijk verplicht, waardoor er zonder de VOG geen werkzaamheden mogen en kunnen worden uitgevoerd. Bij deze beroepsgroepen kan gesteld worden dat er geen invulling kan worden gegeven aan de arbeidsovereenkomst indien de betreffende werknemer geen VOG kan verkrijgen. Immers, het is dan niet toegestaan voor deze werknemer om zijn beroep uit te oefenen. Bij  beroepsgroepen waarvoor het verkrijgen van een VOG niet wettelijk is verplicht maar wel wenselijk wordt geacht door de werkgever, is het de vraag of er wordt voldaan aan het laatste element. Immers, zonder de VOG kan de werknemer ook zijn functie uitoefenen. Het is echter alleen niet gewenst dat de werknemer dat doet, maar dat is een andere toetsing. Hierop zal een werkgever bedacht moeten zijn. Echter, deze bedachtzaamheid is naar mijn mening geen reden om geen ontbindende voorwaarde op te nemen. Immers, uit lagere rechtspraak blijkt dat dit laatste element geen (groot) probleem oplevert, zolang er een rechtvaardiging kan worden gegeven voor de wenselijkheid van een VOG.</p>
<p>De formulering van de VOG als ontbindende voorwaarde dient nauwkeurig te geschieden en de inwerkingtreding daarvan dient goed in de gaten te worden gehouden, om te voorkomen dat wordt geoordeeld dat die (toch) niet rechtsgeldig is overeengekomen. Dit blijkt wel uit een uitspraak van de kantonrechter te Delft (11 juli 2011, AR 2012-0029). In deze zaak ging het om een werknemer die op 15 maart 2010 in dienst was getreden als groepsleider. De wet verplicht geen VOG voor dit beroep. In de arbeidsovereenkomst was bepaald dat de werknemer over een VOG diende te beschikken en dat de arbeidsovereenkomst van rechtswege zou eindigen indien de VOG wordt geweigerd, de werknemer onvoldoende meewerkt aan de aanvraag van een VOG, dan wel de VOG niet binnen de gangbare termijn wordt afgegeven. Na verschillende malen tevergeefs te hebben verzocht om overlegging van de VOG heeft de werkgever op een willekeurig moment besloten om de arbeidsovereenkomst van rechtswege te laten eindigen per 30 mei 2011. De kantonrechter oordeelde dat niet werd voldaan aan het tweede element omdat niet duidelijk was wanneer sprake was van het onvoldoende meewerken van de werknemer aan de aanvraag van de VOG dan wel wanneer sprake was van het verstrijken van de gangbare termijn voor het verkrijgen van de VOG, terwijl de werkgever ook zelf had bepaald wanneer de ontbindende voorwaarde intrad. Hier ging het dus fout voor de werkgever door de formulering van de ontbindende voorwaarde en door het feit dat de werkgever zelf bepaalde wanneer die voorwaarde intrad. Het derde element werd in deze zaak ook niet getoetst, ondanks dat de werknemer ook zonder een VOG invulling had gegeven aan de arbeidsovereenkomst. Uiteindelijk heeft de kantonrechter te Delft (11 augustus 2011, AR 2012-0030) de arbeidsovereenkomst wel ontbonden, zonder toekenning van een vergoeding op grond van een vertrouwensbreuk en de omstandigheid dat het niet verkrijgen van de VOG in de risicosfeer van de werknemer ligt. De kantonrechter is in de ontbindingsprocedure wel ingegaan op de vraag of de VOG noodzakelijk is voor de goede uitoefening van de functie van groepsleider om de ontbinding te rechtvaardigen, nu de werknemer zonder problemen goed had gefunctioneerd zonder een VOG. De kantonrechter heeft kort gezegd geoordeeld dat de werkgever het verkrijgen van de VOG redelijkerwijs als voorwaarde mocht stellen voor de goede uitoefening van de functie van groepsleider, vanwege de kwetsbare en afhankelijke groep van cliënten waarmee de werknemer werkte en de (extra) verantwoording die de werkgever daardoor aan deze cliënten en hun familieleden moet afleggen. </p>
<p>Al met al kan vastgesteld worden dat het opnemen van een VOG als ontbindende voorwaarde zeer de moeite waard is, ook bij beroepen waarvoor de wet geen VOG vereist, waarbij wel de formulering en de inwerkingtreding daarvan in de gaten dient te worden gehouden. Het is in dat kader raadzaam om op te nemen dat een VOG voor een bepaalde datum verkregen dient te zijn. De concrete datum dient te worden benoemd. Op het moment dat de VOG om welke reden dan ook niet wordt verkregen, eindigt de arbeidsovereenkomst van rechtswege. Het is dan wel zaak om de werknemer niet meer door te laten werken dan wel geen kans te geven om alsnog een VOG te verkrijgen omdat het einde van rechtswege dan door de werkgever wordt bepaald (het einde van rechtswege wordt dan immers verschoven door toedoen van de werkgever), waardoor er niet wordt voldaan aan het tweede element. Dit laat onverlet dat er dan nog een beëindiging kan worden gerealiseerd door middel van een opzegging (met toestemming van het UWV Werkbedrijf) of een ontbinding (door de kantonrechter).</p><img src="http://feeds.feedburner.com/~r/dirkzwager_nl/~4/sjtmftuUc5M" height="1" width="1"/>]]></content:encoded>
      <feedburner:origLink>http://dirkzwagerarbeidsrecht.nl/2012/02/01/het-verkrijgen-van-een-verklaring-omtrent-gedrag-vog-als-ontbindende-voorwaarde-in-de-arbeidsovereenkomst/</feedburner:origLink></item>
      <item>
         <title>UAV 2012 is een feit</title>
         <link>http://feedproxy.google.com/~r/dirkzwager_nl/~3/I0O9tvpRWKk/</link>
         <description>Op 19 januari 2012 zijn de Uniforme Administratieve Voorwaarden voor de uitvoering van werken en van technische installatiewerken 2012 vastgesteld. Het betreft een actualisering van de oude Uniforme Administratieve Voorwaarden voor de uitvoering van werken uit 1989 (‘UAV 1989’) en een samenvoeging van de UAV 1989 en UAVTI 1992.
Actualisering
De actualisering heeft vooral betrekking op het [...]</description>
         <guid isPermaLink="false">http://dirkzwagervastgoed.nl/?p=1901</guid>
         <pubDate>Wed, 01 Feb 2012 12:53:26 +0000</pubDate>
         <content:encoded><![CDATA[<p>Op 19 januari 2012 zijn de Uniforme Administratieve Voorwaarden voor de uitvoering van werken en van technische installatiewerken 2012 vastgesteld. Het betreft een actualisering van de oude Uniforme Administratieve Voorwaarden voor de uitvoering van werken uit 1989 (‘UAV 1989’) en een samenvoeging van de UAV 1989 en UAVTI 1992.<span id="more-1901"></span></p>
<p><strong>Actualisering</strong><br />
De actualisering heeft vooral betrekking op het bij de tijd brengen van de terminologie van de UAV 1989 en het aanpassen aan het huidig Burgerlijk Wetboek en jurisprudentie. Fundamentele wijzigingen zijn niet doorgevoerd. Dat was ook niet de opdracht van de Werkgroep.</p>
<p>Door de Werkgroep zijn de markt, bouwrechtadvocatuur en wetenschap gevraagd om hun commentaar op de UAV 1989 kenbaar te maken mede door middel van twee druk bezochte expertbijeenkomsten. In 2011 is de UAV 2011 aan het ministerie aangeboden.</p>
<p><strong>Wijzigingen</strong><br />
Een belangrijke wijziging betreft de gelijktrekking van de positie van de voorgeschreven leverancier met die van de voorgeschreven onderaannemer. De specifieke bepaling over de aansprakelijkheid van de opdrachtgever voor de niet of niet tijdige levering van bouwstoffen die bij een voorgeschreven leverancier worden betrokken, danwel de bouwstoffen die door de opdrachtgever zijn voorgeschreven is komen te vervallen (§5 lid 5 UAV 1989) . Ook de zorg voor milieu en veiligheid is aangescherpt (§ 5 lid 8, §6 lid 6, §6 lid 16a UAV 2012). Ten aanzien van installaties zijn veel aanvullende bepalingen opgenomen.</p>
<p>Voor een nagenoeg volledig overzicht wordt verwezen naar bijlage 2 bij de publicatie van de UAV 2012 in de <a rel="nofollow" target="_blank" href="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2012-1567.html">Staatscourant 30 januari 2012, nr. 1567</a>. Nagenoeg, omdat de wijzigingen in §6 lid 8 en 9 niet zijn opgenomen.</p>
<p>Nu de UAV 2012 geen echt fundamentele wijzigingen bevat ten opzichte van de UAV 1989 is de verwachting dat opdrachtgevers ook van de UAV 2012 nog veelvuldig zullen willen afwijken in de aannemingsovereenkomsten zelf, of zelfs van de UAV 2012 afwijkende algemene voorwaarden gaan opstellen, te vergelijken met het ‘gele boekje”van Pro Rail. Toch zijn de voorgestelde wijzigingen een stap in de goede richting.</p><img src="http://feeds.feedburner.com/~r/dirkzwager_nl/~4/I0O9tvpRWKk" height="1" width="1"/>]]></content:encoded>
      <feedburner:origLink>http://dirkzwagervastgoed.nl/2012/02/01/uav-2012-is-een-feit/</feedburner:origLink></item>
      <item>
         <title>Na ontbinding overeenkomst terugvallen op nummer 2 bij aanbesteding niet toegestaan</title>
         <link>http://feedproxy.google.com/~r/dirkzwager_nl/~3/NjkskkMP3JE/</link>
         <description>Na contractering en vervolgens ontbinding van de overeenkomst kan een aanbesteder in beginsel niet gunnen aan de nummer twee. Er is alsdan sprake van een nieuwe overheidsopdracht die opnieuw moet worden aanbesteed. Dat is de uitkomst van het meest recente kort geding omtrent de aanbesteding van het nieuwe politiepistool (Vzr. Rb. ’s-Gravenhage 24 januari 2012, [...]</description>
         <guid isPermaLink="false">http://dirkzwageroverheid.nl/?p=2868</guid>
         <pubDate>Tue, 31 Jan 2012 14:05:44 +0000</pubDate>
         <content:encoded><![CDATA[<p>Na contractering en vervolgens ontbinding van de overeenkomst kan een aanbesteder in beginsel niet gunnen aan de nummer twee. Er is alsdan sprake van een nieuwe overheidsopdracht die opnieuw moet worden aanbesteed. Dat is de uitkomst van het meest recente kort geding omtrent de aanbesteding van het nieuwe politiepistool (<a rel="nofollow" target="_blank" href="http://www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=BV1638">Vzr. Rb. ’s-Gravenhage 24 januari 2012, <em>LJN</em>: BV1638</a>).<span id="more-2868"></span></p>
<p><strong>De zaak</strong><br />
In juni 2009 is de Voorziening tot samenwerking Politie Nederland (VtsPN) een Europese aanbestedingsprocedure gestart voor de aankoop van een nieuw politiepistool. Na definitieve gunning aan Sig Sauer werd het pistool getest met de nieuwe politiemunitie. De testresultaten waren negatief waarop het Ministerie van Veiligheid en Justitie de overeenkomst met Sig Sauer ontbond.</p>
<p>Na ontbinding werd het voornemen geuit te gunnen aan Heckler &amp; Koch (H&amp;K), de nummer twee in rangorde van de eerdere aanbestedingsprocedure.</p>
<p>In kort geding vordert Beretta dat de VtsPN wordt verboden te gunnen aan H&amp;K en wordt geboden tot heraanbesteding over te gaan. Zij legt daaraan ten grondslag dat er sprake zou zijn van een wezenlijke wijziging van de overeenkomst. Derhalve dient de VtsPN tot heraanbesteding over te gaan.</p>
<p><strong>Het vonnis</strong><br />
De voorzieningenrechter beoordeelt eerst of er sprake is van een wezenlijke wijziging van de overeenkomst. Uitgangspunt is, zo volgt uit het Pressetext-arrest, dat op grond van het gelijkheidsbeginsel en het transparantiebeginsel de winnende inschrijver niet mag worden vervangen door een andere inschrijver zonder tot heraanbesteding over te gaan, tenzij in de aanbestedingsdocumenten daarin is voorzien. Van belang is ook dat niet alleen de contractspartij wordt gewijzigd, maar ook het type te leveren pistool en de prijs daarvoor. Deze inhoudelijke wijzigingen van de overeenkomst zijn al zelfstandige gronden voor een heraanbesteding. Dat het contract met Sig Sauer is ontbonden, maakt dit niet anders. Aanbestedingsrechtelijk is er dus sprake van een nieuwe overheidsopdracht.</p>
<p>Ook op grond van het algemene verbintenissenrecht is er sprake van een nieuwe overheidsopdracht die moet worden aanbesteed. Door de aanvaarding van de aanbieding van Sig Sauer heeft de VtsPN de andere aanbiedingen (impliciet) afgewezen. De gestelde ‘aanvaarding’ van het reeds verworpen aanbod van H&amp;K geldt daarom juridisch gezien als een nieuwe uitnodiging aan H&amp;K een overheidsopdracht uit te voeren. Deze opdracht zal dus moeten worden aanbesteed.</p>
<p>De voorzieningenrechter ziet uitzondering op het bovenstaande als de gestanddoeningstermijn van de aanbieding nog niet is verlopen of wanneer in de aanbestedingsdocumenten een zogenaamde ‘wachtkamer-clausule’ is opgenomen.</p>
<p>Gelet hierop verbiedt de voorzieningenrechter VtsPN een overeenkomst aan te gaan met H&amp;K en gebiedt de VtsPN de opdracht, mits ze die nog wil gunnen, opnieuw aan te besteden.</p>
<p>In een (parallelle) procedure die was aangespannen door Carl Walther GmbH komt de Haagse voorzieningenrechter tot hetzelfde oordeel (<a rel="nofollow" target="_blank" href="http://www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=BV1636">Vzr. Rb. ‘s-Gravenhage 24 januari 2012, <em>LJN</em>: BV1636</a>).</p>
<p>Mr. J.H.J. Bax<br />
Aanbestedingsadvocaat, vakgroep aanbestedingsrecht Dirkzwager</p><img src="http://feeds.feedburner.com/~r/dirkzwager_nl/~4/NjkskkMP3JE" height="1" width="1"/>]]></content:encoded>
      <feedburner:origLink>http://dirkzwageroverheid.nl/2012/01/31/na-ontbinding-overeenkomst-terugvallen-op-nummer-2-bij-aanbesteding-niet-toegestaan/</feedburner:origLink></item>
      <item>
         <title>Rechtbank stelt fors lagere WOZ-waarden van sociale huurwoningen vast</title>
         <link>http://feedproxy.google.com/~r/dirkzwager_nl/~3/IXg5_2zfedA/</link>
         <description>Op 24 januari 2012 heeft de rechtbank Arnhem geoordeeld dat een heffingsambtenaar de WOZ-waarde van een portefeuille van circa 100 sociale huurwoningen van een woningcorporatie veel te hoog heeft gewaardeerd. Bij het bepalen van de waarde van de portefeuille werd door de heffingsambtenaar naar referentiewoningen verwezen welke zich niet lieten kwalificeren als referentiewoningen. Een lagere WOZ-waarde [...]</description>
         <guid isPermaLink="false">http://dirkzwagervastgoed.nl/?p=1897</guid>
         <pubDate>Tue, 31 Jan 2012 13:34:16 +0000</pubDate>
         <content:encoded><![CDATA[<p>Op 24 januari 2012 heeft de rechtbank Arnhem geoordeeld dat een heffingsambtenaar de WOZ-waarde van een portefeuille van circa 100 sociale huurwoningen van een woningcorporatie veel te hoog heeft gewaardeerd. Bij het bepalen van de waarde van de portefeuille werd door de heffingsambtenaar naar referentiewoningen verwezen welke zich niet lieten kwalificeren als referentiewoningen. Een lagere WOZ-waarde lijkt op het eerste gezicht niet interessant voor een corporatie. Echter een lagere WOZ-waarde kan bij verkoop van de huurwoning voorkomen dat kopers in ernstige (financiële) problemen raken. Ook zullen beleggers eerder bereid zijn om complexgewijs woningen van corporaties te kopen.<span id="more-1897"></span></p>
<p><strong>De zaak</strong><br />
In deze zaak betwiste de corporatie de WOZ-waarde van een groot aantal van haar sociale huurwoningen voor de kalenderjaren 2008 en 2009. Zij stelde onder meer dat de heffingsambtenaar van de gemeente referentiewoningen heeft gebruikt die helemaal niet kwalificeren als referentiewoning en daarmee tot een veel te hoge waarde kwam. Zo zaten er grote verschillen in het kwaliteits- en afwerkingsniveau van de vergelijkingsobjecten en de woningen van de corporatie. Daarnaast was er sprake van een groot verschil in de gebruiksmogelijkheden van de verdiepingsvloer. Bij de woningen van de corporatie was er bovendien sprake van een schuine kap op de eerste verdieping terwijl de referentiewoningen dit niet hebben. De rechter overweegt dat de bewijslast met betrekking tot de waarde van de woningen bij de heffingsambtenaar ligt. In die bewijslast is hij niet geslaagd. De rechtbank verklaart de beroepen van de corporatie gegrond en stelt de WOZ-waarden van de woningen fors naar beneden bij.</p>
<p><strong>Voordelen van hoge WOZ-waarde</strong><br />
De praktijk leert dat veel corporaties om meerdere redenen geen belang hebben bij het aanvechten van een te hoge WOZ-waarde. In de eerste plaats leidt een hogere WOZ-waarde tot een hogere fiscale (openings)balans waardoor er op papier minder winst wordt gegenereerd en er derhalve minder vennootschapsbelasting behoeft te worden afgedragen. In de tweede plaats verschaft een hoge WOZ-waarde een corporatie meer financierings- en borgingsruimte bij het Waarborgfonds Sociale Woningbouw. In de derde plaats brengt een hogere WOZ-waarde voor een corporatie mee dat zij hogere huren kan vragen aan de huurders van haar woningen. De huurprijs ontwikkelt zich namelijk mede als afgeleide van de WOZ-waarde. Tot slot is gelet op de herbouwwaarde van een verzekerde woning een hoge WOZ-waarde economisch voordelig aangezien de herbouwwaarde een afgeleide is van de WOZ-waarde.</p>
<p><strong>Nadelen van hoge WOZ-waarde</strong><br />
Een belangrijk nadeel van een hoge WOZ-waarde is de hogere belastingafdracht. Een ander nadeel doet zich voor op het moment een corporatie overgaat tot (grootschalige) verkoop van haar bestaand bezit. Als een corporatie woningen verkoopt met een WOZ-waarde die substantieel boven de marktprijs ligt, dan kan de koper – meestal de voormalige huurder die zich voor het eerst op de koopmarkt begeeft &#8211; door deze verkoop in ernstige (financiële) problemen raken. Kopers kunnen dan namelijk een veel hogere hypotheek afsluiten dan het onderpand daadwerkelijk waard is, omdat de geldverstrekkers bij het verstrekken van de hypotheek afgaan op de WOZ-waarde. Er ontstaat vervolgens een probleem wanneer de eigenaar overgaat tot vrijwillige verkoop van de woning. De verkoopprijs zal gebaseerd zijn op een taxatie op basis van de vrije marktwaarde, welke in een dergelijk geval lager zal liggen dan de WOZ-waarde. De hypotheek kan dan niet worden afgelost uit de gerealiseerde verkoopopbrengst.</p>
<p>Dit probleem speelt ook op het moment dat de rentevaste periode afloopt en de woning opnieuw wordt getaxeerd. Dit leidt in de praktijk tot schrijnende situaties. Corporaties kunnen zich moreel verantwoordelijk voelen om dergelijke situaties te voorkomen.</p>
<p>Een ander nadeel van een te hoge WOZ-waarde doet zich voor bij de verkoop van een complex van verhuurde woningen aan beleggers. In dat geval geldt op basis van een <a rel="nofollow" target="_blank" href="http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/circulaires/2011/10/25/mg-2011-04-circulaire-verkoop-corporatiewoningen.html">ministeriële regeling</a> een plicht om de verkoopprijs op 90% van de leegwaarde of WOZ-waarde te stellen. Indien de WOZ-waarde veel hoger is dan de daadwerkelijke marktwaarde, dan zijn dergelijke transacties niet snel interessant voor beleggers.</p>
<p>Overigens is het voor corporaties sinds 1 november 2011 wel iets eenvoudiger geworden om complexgewijs woningen te verkopen, met name waar het gaat om woningen met huren die boven de huurprijstoeslaggrens liggen. Daarbij zijn corporaties ook niet meer verplicht een taxateur in te schakelen en kunnen zij er voor kiezen om de meest recente WOZ-waarde te gebruiken.</p><img src="http://feeds.feedburner.com/~r/dirkzwager_nl/~4/IXg5_2zfedA" height="1" width="1"/>]]></content:encoded>
      <feedburner:origLink>http://dirkzwagervastgoed.nl/2012/01/31/rechtbank-stelt-fors-lagere-wozwaarden-van-sociale-huurwoningen-vast/</feedburner:origLink></item>
      <item>
         <title>Kroon hoort partijen in elkaars aanwezigheid en oordeelt over zelfrealisatie en de posterieure exploitatieovereenkomst</title>
         <link>http://feedproxy.google.com/~r/dirkzwager_nl/~3/D3b_qSONh6g/</link>
         <description>﻿In haar Koninklijk Besluit van 5 december 2011 (no. 11.002951) heeft de Kroon het beroep van MegahomeRotij op zelfrealisatie verworpen. Het KB is interessant omdat de Kroon oordeelt over de betekenis van de exploitatieovereenkomst in relatie tot het beroep op zelfrealisatie, en over het kostenverhaal bij de uitgifte van vrije kavels.
Megahome had gronden in het [...]</description>
         <guid isPermaLink="false">http://dirkzwageroverheid.nl/?p=2865</guid>
         <pubDate>Mon, 30 Jan 2012 15:28:53 +0000</pubDate>
         <content:encoded><![CDATA[<p>﻿In haar Koninklijk Besluit van 5 december 2011 (<a rel="nofollow" target="_blank" href="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2012-1159.html">no. 11.002951</a>) heeft de Kroon het beroep van MegahomeRotij op zelfrealisatie verworpen. Het KB is interessant omdat de Kroon oordeelt over de betekenis van de exploitatieovereenkomst in relatie tot het beroep op zelfrealisatie, en over het kostenverhaal bij de uitgifte van vrije kavels.<span id="more-2865"></span></p>
<p>Megahome had gronden in het plangebied met het oog op de realisatie van de toekomstige woningbouwbestemming verworven. Zij voerde in het kader van haar beroep op zelfrealisatie aan dat de gemeente met behulp van een posterieure exploitatieovereenkomst realisatie van de bestemmingen overeenkomstig de bestemmingsplannen en de exploitatieplannen kon afdwingen.</p>
<p>De Kroon stelt met verwijzing naar het KB Gorinchem van 30 mei 2011 (nummer 11.001310) voorop dat onteigening kan plaatsvinden ook indien er sprake is van een vastgesteld bestemmingsplan met bijbehorend exploitatieplan. Het systeem van de Wro dwingt een grondeigenaar immers niet om de bestemmingen overeenkomstig het bestemmingsplan uit te voeren.<br />
Ten aanzien van de woonbestemming voor vrije kavels (particulier opdrachtgeverschap) herhaalt de Kroon dat de uitgifte van vrije kavels een wijze van uitvoering van het bestemmingsplan betreft die als zodanig vatbaar is voor zelfrealisatie. Daarbij moet de grondeigenaar de kavels daadwerkelijk vrij verkopen en mag de grondeigenaar aan de koper van de kavel dus geen verplichtingen opleggen tot het afnemen van overige diensten van Megahome.</p>
<p>De gemeente heeft geen overeenstemming met Megahome over de voldoening van de exploitatiebijdragen voor de vrije kavels. De gemeente wil deze bijdragen voorafgaand aan de uitgifte van de kavels ontvangen, zodat zij de infrastructuur kan aanleggen. Megahome betoogt dat het gezien de bedoeling van de wetgever redelijk is wanneer zij de bijdrage betaalt op het tijdstip van verkoop van een of meer vrije kavels.<br />
De Kroon wijst erop dat uitgangspunt voor plankostenverhaal is dat deze kosten worden voldaan bij het verkrijgen van een omgevingsvergunning. Deze vergunning wordt door de particuliere opdrachtgever aangevraagd, zodat er op de grondeigenaar bij zelfrealisatie door middel van uitgifte van de vrije kavels geen verplichting rust om bij te dragen in de plankosten, tenzij partijen anders overeenkomen. Een gebrek aan overeenstemming over het kostenverhaal betekent niet dat onteigening onontkoombaar is, omdat het volgens de Kroon niet vaststaat dat de realisatie van het bestemmingsplan niet op andere wijze dan door onteigening te bereiken is. Megahome is immers in beginsel in staat en bereid om de bestemmingen zelf te realiseren.<br />
De Kroon wijst het verzoek tot aanwijzing ter onteigening van de gronden met de bestemming wonen dan ook af.</p>
<p>In dit KB merkt de Kroon ook op dat partijen overeenkomstig artikel 78 Onteigeningswet in elkaars aanwezigheid zijn gehoord. Deze overweging is in die zin opmerkelijk dat de Kroon in het KB Oirschot (nr. 11.002474) nog met stelligheid heeft betoogd dat het horen in elkaars aanwezigheid geen verplichting is. In de praktijk zal deze nieuwe werkwijze worden toegejuicht.</p><img src="http://feeds.feedburner.com/~r/dirkzwager_nl/~4/D3b_qSONh6g" height="1" width="1"/>]]></content:encoded>
      <feedburner:origLink>http://dirkzwageroverheid.nl/2012/01/30/kroon-hoort-partijen-in-elkaars-aanwezigheid-en-oordeelt-over-zelfrealisatie-en-de-posterieure-exploitatieovereenkomst/</feedburner:origLink></item>
      <item>
         <title>Vrijwillige aanbesteding door zorgverzekeraar</title>
         <link>http://feedproxy.google.com/~r/dirkzwager_nl/~3/1zkH5gmswVo/</link>
         <description>Indien een zorgverzekeraar leveranciers van hulpmiddelen selecteert door middel van een aanbestedingsprocedure, moet deze zorgverzekeraar rekening houden met het gelijkheids- en transparantiebeginsel. Verder brengt het vrijwillige karakter van de aanbestedingsprocedure brengt met zich mee dat het Grossmann-arrest niet van toepassing is.
De aanbestedingsprocedure
Menzis Zorgverzekeraar N.V. (Menzis) had, samen met twee andere zorgverzekeraars, Vivisol Nederland B.V. (Vivisol) [...]</description>
         <guid isPermaLink="false">http://dirkzwageroverheid.nl/?p=2861</guid>
         <pubDate>Mon, 30 Jan 2012 10:30:43 +0000</pubDate>
         <content:encoded><![CDATA[<p>Indien een zorgverzekeraar leveranciers van hulpmiddelen selecteert door middel van een aanbestedingsprocedure, moet deze zorgverzekeraar rekening houden met het gelijkheids- en transparantiebeginsel. Verder brengt het vrijwillige karakter van de aanbestedingsprocedure brengt met zich mee dat het <a rel="nofollow" target="_blank" href="http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=CELEX:62002J0230:NL:HTML">Grossmann-arrest</a> niet van toepassing is.<span id="more-2861"></span></p>
<p><strong>De aanbestedingsprocedure</strong><br />
<a rel="nofollow" target="_blank" href="http://www.menzis.nl/">Menzis Zorgverzekeraar N.V.</a> (Menzis) had, samen met twee andere zorgverzekeraars, <a rel="nofollow" target="_blank" href="http://www.vivisol.nl/">Vivisol Nederland B.V.</a> (Vivisol) in mei 2011 uitgenodigd een offerte in te dienen voor de levering van <a rel="nofollow" target="_blank" href="http://www.vivisol.nl/nl/producten/osas-apparatuur-en-maskers">CPAP-apparatuur</a> (gezichtsmaskers). Hierbij heeft Menzis vrijwillig gekozen voor een aanbestedingsprocedure. Menzis hanteerde in deze procedure de laagste prijs als gunningscriterium, met dien verstande dat het aanbod niet hoger mocht zijn dan de maximale kosten die Menzis bij een notaris had gedeponeerd. Nadat het aanbod van Vivisol hoger bleek te zijn dan het bij de notaris gedeponeerde maximum, werd Vivisol niet geselecteerd. Vivisol begon een kort geding. De voorzieningenrechter van de rechtbank Arnhem stelde Vivisol in het gelijk en beval Menzis bij <a rel="nofollow" target="_blank" href="http://www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=BT2628">vonnis van 8 september 2011</a> de aanbestedingsprocedure te staken. Voor zover Menzis nog steeds een leverancier van CPAP-apparatuur zou willen selecteren diende zij tot heraanbesteding over te gaan. Menzis en de andere twee zorgverzekeraars gingen in hoger beroep. Het gerechtshof Arnhem stelt Menzis in het <a rel="nofollow" target="_blank" href="http://www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=BV1139">arrest van 23 januari 2012</a> grotendeel in het ongelijk. Tocht lijkt Vivisol aan het kortste eind te trekken.</p>
<p><strong>Tijdig klagen</strong><br />
Vivisol stelde dat Menzis in strijd had gehandeld met het gelijkheids- en transparantiebeginsel omdat de offerteaanvraag onvoldoende duidelijk was. De voorzieningenrechter had Vivisol hierin gevolgd. Onder verwijzing naar het Grossmann-arrest, voerde Menzis aan dat Vivisol over deze onduidelijkheid niet eerst in de procedure over kon klagen. Vivisol had dit eerder moeten doen. Het Gerechtshof wijst erop dat er sprake is van een private aanbesteding. Het Grossmann-arrest is daarom niet van toepassing, waardoor aan de hand van het Nederlandse recht worden beoordeeld of Vivisol haar rechten had verwerkt om te klagen. Dit is volgens het Gerechtshof niet het geval. Vivisol blijkt voor de inschrijving vragen te hebben gesteld. De antwoorden van Menzis riepen bij Vivisol weer nieuwe vragen op, maar die mocht Vivisol van Menzis niet meer stellen. Het is daarom niet onredelijk dat Vivisol zich in de procedure beklaagt over de onduidelijkheid van de offerteaanvraag.</p>
<p><strong>Gelijkheids- en transparantiebeginsel</strong><br />
Menzis en Vivisol hebben erkend dat ook in een private aanbestedingsprocedure rekening gehouden moet worden met het gelijkheids- en transparantiebeginsel. Er wordt in strijd gehandeld met deze beginselen indien de offerteaanvraag onvoldoende duidelijk is. Volgens het Gerechtshof was dat het geval. Het was bijvoorbeeld niet duidelijk hoeveel gezichtsmaskers van welke soort geleverd moesten worden. Ook was niet duidelijk welke diensten geleverd moesten worden. Het gevolg is dat niet kan worden uitgesloten dat de diverse aanbieders zijn uitgegaan van verschillende minimumeisen en –wensen met betrekking tot de te leveren CPAP-apparatuur. Dit levert een schending van het gelijkheids- en transparantiebeginsel op.</p>
<p><strong>Heraanbesteden</strong><br />
De voorzieningenrechter had Menzis bevolen heraanbesteding over te gaan indien Menzis nog steeds een leverancier van CPAP-apparatuur zou willen selecteren. Menzis stelt dat zij geen aanbestedende dienst is, zodat zij geen aanbestedingsplicht heeft. Het Gerechtshof is het op dit punt met Menzis eens. Op dit punt wordt het vonnis van de voorzieningenrechter vernietigd. Menzis hoeft dus niet her aan te besteden.</p>
<p><strong>Slot</strong><br />
Het arrest is om twee redenen interessant. Op de eerste plaats omdat het duidelijk maakt dat in een vrijwillige aanbesteding door een zorgverzekeraar het Grossmann-arrest niet van toepassing is. Wel lijkt het raadzaam om voorafgaand aan de inschrijving de offerteaanvraag kritisch door te nemen en zo nodig vragen te stellen. Dit ligt zeker voor de hand als op basis van de offerteaanvraag niet duidelijk is wat de zorgverzekeraar wil. Op de tweede plaats is het opmerkelijk dat het Gerechtshof weigert Menzis te veroordelen tot heraanbesteding over te gaan indien zij alsnog een leverancier van CPAP-apparatuur zou willen selecteren. Menzis kan de opdracht nu onderhands gunnen. Er zijn diverse rechters die hebben geoordeeld dat als een inkoper eenmaal vrijwillig voor de aanbestedingsprocedure heeft gekozen het in strijd is met de redelijkheid en billijkheid ten opzichte van de inschrijvers om de opdracht, na een gebrekkige procedure, achteraf alsnog onderhands te gunnen. Zie bijvoorbeeld het <a rel="nofollow" target="_blank" href="http://www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=BL9937">vonnis van 30 maart 2010</a> van de Rechtbank ’s-Gravenhage.</p><img src="http://feeds.feedburner.com/~r/dirkzwager_nl/~4/1zkH5gmswVo" height="1" width="1"/>]]></content:encoded>
      <feedburner:origLink>http://dirkzwageroverheid.nl/2012/01/30/vrijwillige-aanbesteding-door-zorgverzekeraar/</feedburner:origLink></item>
      <item>
         <title>Fotoboek ‘Cruijff – De Ajacied’ kan niet door Cruijff worden verboden</title>
         <link>http://feedproxy.google.com/~r/dirkzwager_nl/~3/yH2q_KXMwm0/</link>
         <description>Ook het Hof Amsterdam [1] heeft zich uit moeten laten over het fotoboek 'Cruijff - De Ajacied'. In een eerder blog [2] hebben wij al bericht over de uitspraak van de Rechtbank Amsterdam. De rechtbank oordeelde dat Cruijff zich niet kan verzetten tegen de uitgifte van een boek met een verzameling foto's uit zijn Ajax-tijd als voetballer. In hoger beroep doet Cruijff wederom tevergeefs een beroep op zijn portret [3]- en privacy [4] recht.

Bescherming persoonlijke levenssfeer vs. vrijheid van meningsuiting
In deze zaak wordt Cruijf's belang bij bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer afgewogen tegen het belang van een uitgever om vrijelijk een mening over Cruijff te kunnen uiten met gebruik van foto's van Cruijff als illustratie. De belangenafweging valt in het nadeel van Cruijff uit. De foto's die in het boek zijn gepubliceerd zijn voor het overgrote deel gemaakt terwijl Cruijff op voor het algemeen publiek toegankelijke locaties aan voetbalwedstrijden deelnam. De foto's waarvoor dat niet geldt betreffen niet zijn persoonlijke levenssfeer maar veel meer zijn functioneren als voetballer in het eerste elftal van een club en/of in competities waarvan bekend is dat zij grote publieke aandacht trekken, aldus het Hof. Het Hof gaat mee met het oordeel van de rechtbank dat het foto's betreft die in het kader van de vrije nieuwsgaring zijn gemaakt, terwijl Cruijff wist dat hij gefotografeerd werd of kon worden. Er is dan ook niet sprake van een situatie waarin de bescherming van het privé leven moet prevaleren boven de vrijheid van meningsuiting.

Toestemming Cruijff nodig?
Het Hof merkt vervolgens op dat: 'Het aanvaarden als algemeen uitgangspunt dat publicatie van foto's als de onderhavige niet mag plaatsvinden zonder dat de daarop afgebeelde persoon daartoe toestemming heeft gegeven (..) zou de vrijheid om door middel van foto's inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken te zeer belemmeren.' Enkel bij in opdracht gemaakte portretten is toestemming van de geportretteerde vereist voor openbaarmaking van dat portret.

Verzet redelijk belang [5] Cruijff zich tegen publicatie?
Het Hof stelt wederom voorop dat het in onderhavig geval niet gaat om afbeeldingen die betrekking hebben op het privé leven van Cruijff. De foto's zijn door Tirion gepubliceerd in een boek dat bedoeld is om het in voetbal geïnteresseerde publiek over het talent van Cruijff te informeren aan de hand van foto's. Cruijff heeft niet voldoende toegelicht waarom het boek schadelijk is voor zijn reputatie. Ook wekt het boek niet de indruk dat Cruijff actief betrokken is geweest bij de totstandkoming daarvan nu het foto's betreffen die gemaakt zijn in het kader van de vrije nieuwsgaring. Het door Cruijff genoemde associatiegevaar en/of verdere aan privacy gerelateerde schadelijke omstandigheden vormen dan ook geen grond voor een verbod op de publicatie van het fotoboek.

Economische belangen prevaleren niet
Cruijff heeft nog aangevoerd dat hijzelf zijn opgebouwde internationale reputatie en bekendheid uitbaat door de exploitatie van zijn portret en naam en dat hij daarom een belang heeft om te voorkomen dat anderen daarvan voor eigen commerciële doeleinden gebruik maken en daarmee zijn exploitatiemogelijkheden schaden. Het Hof gaat daar niet in mee. 'Dat (..) het portretrecht aanspraak geeft op een exclusief exploitatierecht (..) kan niet als juist worden aanvaard. Daarmee worden de rechten van de auteur van de foto’s, zonder wiens eigen creatieve prestatie de foto’s überhaupt niet zouden hebben bestaan, miskend: het portretrecht moet in dit verband in beginsel worden gezien als een beperking van de uit het auteursrecht voortvloeiende exploitatierechten van de maker van het portret met het oog op redelijke belangen van de geportretteerde.' 

Passende vergoeding
Voorgenoemde neemt niet weg dat in het geval er sprake is van een verzilverbare populariteit en de foto's worden geopenbaard in het kader van een geheel of in overwegende mate aan de betrokken geportretteerde gewijde publicatie het redelijk belang van deze laatste zich er tegen kan verzetten dat tot publicatie wordt overgegaan zonder dat hem een passende vergoeding wordt aangeboden. Tirion heeft dit echter ook gedaan. Cruijff heeft dit aanbod echter geweigerd, zonder voldoende toe te lichten waarom het aanbod niet passend was.

Er is dus niet sprake van enig onrechtmatig handelen van Tirion.

[1] http://www.ieforum.nl/backoffice/uploads/file/IEForum/IEForum%20Uitspraken/Auteursrecht/20100414%20vonnis%20Tirion%20+%20de%20Jong%20-%20Cruijff%20c_s_%5B1%5D.pdf
[2] http://dirkzwagerieit.nl/2010/04/16/cruijff-kan-fotoboek-niet-verbieden/
[3] http://dirkzwagerieit.nl/rechtsgebieden/portretrechten/
[4] http://dirkzwagerieit.nl/rechtsgebieden/privacyrecht/
[5] http://wetten.overheid.nl/BWBR0001886/geldigheidsdatum_25-01-2012#HoofdstukI_6_Artikel21&lt;img src="http://feeds.feedburner.com/~r/DirkzwagerAdvocatenIntellectueleEigendomenIT-recht/~4/wrAwVs1JgfA" height="1" width="1"/&gt;&lt;img src="http://feeds.feedburner.com/~r/dirkzwager_nl/~4/yH2q_KXMwm0" height="1" width="1"/&gt;</description>
         <guid isPermaLink="false">http://dirkzwagerieit.nl/?p=8892</guid>
         <pubDate>Thu, 26 Jan 2012 10:11:10 +0000</pubDate>
      <feedburner:origLink>http://feedproxy.google.com/~r/DirkzwagerAdvocatenIntellectueleEigendomenIT-recht/~3/wrAwVs1JgfA/</feedburner:origLink></item>
      <item>
         <title>Onteigenen voor natuurbestemming kan, mits noodzakelijk en urgent</title>
         <link>http://feedproxy.google.com/~r/dirkzwager_nl/~3/lLs4vrpoSh0/</link>
         <description>Bij KB van 2 december 2011 (nr. 11.002923) heeft de Kroon gronden aangewezen ter onteigening ten behoeve van de dijkverlegging Westenholte. Het (gemeentelijke) bestemmingsplan vormde de basis voor de onteigening. In het KB komt onder meer aan de orde in hoeverre nog voor natuur kan worden onteigend.
Reclamanten hebben tegen de onteigening onder meer als zienswijze [...]</description>
         <guid isPermaLink="false">http://dirkzwageroverheid.nl/?p=2853</guid>
         <pubDate>Thu, 26 Jan 2012 09:39:48 +0000</pubDate>
         <content:encoded><![CDATA[<p>Bij KB van 2 december 2011 (<a rel="nofollow" target="_blank" href="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2012-1162.html">nr. 11.002923</a>) heeft de Kroon gronden aangewezen ter onteigening ten behoeve van de dijkverlegging Westenholte. Het (gemeentelijke) bestemmingsplan vormde de basis voor de onteigening. In het KB komt onder meer aan de orde in hoeverre nog voor natuur kan worden onteigend.<span id="more-2853"></span></p>
<p>Reclamanten hebben tegen de onteigening onder meer als zienswijze naar voren gebracht dat voor natuur niet zou kunnen worden onteigend omdat de politiek dit onaanvaardbaar vindt.</p>
<p>Eind 2010 kondigde Tweede Kamerlid Ger Koopmans (CDA) een verbod aan op onteigening voor natuurdoeleinden. Zover is het niet gekomen. De mogelijkheden voor onteigening ten behoeve van natuur waren echter al wel beperkt door de 10%-regel (provincies mogen maximaal 10 % van voor natuur bestemde gronden door onteigening verwerven) en de huidige regering heeft de doelstellingen voor natuur (EHS) al drastisch teruggedraaid.</p>
<p>In die zin hebben reclamanten dus gelijk dat onteigening ten behoeve van natuur politiek gevoelig ligt. De Kroon overweegt echter voor wat “onteigening voor natuur” betreft dat op basis van een bestemmingsplan ook voor een als zodanig beschreven bestemming kan worden onteigend, mits noodzaak en urgentie van zo een voorgenomen onteigening vaststaan. Voor zover reclamanten bedoelden te verwijzen naar het regeerakkoord merkt de Kroon op dat behoud en compensatie van natuur(waarden) bij (de uitvoering van) het bestemmingsplan onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. In zoverre is de onteigening naar het oordeel van de Kroon verantwoord.</p>
<p>Mr. J. de Roos, onteigeningsadvocaat,<br />
vakgroep Onteigening &amp; Wet voorkeursrecht gemeenten</p><img src="http://feeds.feedburner.com/~r/dirkzwager_nl/~4/lLs4vrpoSh0" height="1" width="1"/>]]></content:encoded>
      <feedburner:origLink>http://dirkzwageroverheid.nl/2012/01/26/onteigenen-voor-natuurbestemming-kan-mits-noodzakelijk-en-urgent/</feedburner:origLink></item>
      <item>
         <title>Google vervangt privacybeleid voor verdere opbouw profielen</title>
         <link>http://feedproxy.google.com/~r/dirkzwager_nl/~3/oHtj59evUKU/</link>
         <description>Google kondigt aan [1] dat het vanaf 1 maart 2012 een nieuw privacybeleid hanteert. Dit nieuwe beleid [2] bevat enkele opvallende punten die voor alle Google-gebruikers van belang zijn.  

Een van de opvallende punten uit het nieuwe beleid [2] is dat Google zich het recht toe-eigent om gegevens over het gebruik van verschillende Google producten, zonder voorafgaande toestemming, met elkaar te combineren. Met andere woorden: de filmpjes die u bekijkt op YouTube kunnen straks van invloed zijn op de zoekresultaten in Google(met mogelijk genante gevolgen richting huisgenoten).

Vanuit het perspectief van Google is deze keuze begrijpelijk. Het stelt Google immers in staat om een uitgebreider profiel op te bouwen van haar gebruikers en zo advertenties te tonen die waarschijnlijk beter aansluiten bij de interesses van haar gebruikers (en daarmee de clicktrough rate  [4]verhogen).

Google beweert  [5]dat gebruikers hierdoor een betere internetbeleving voorgeschoteld krijgen.
Na verloop van tijd kunt u betere zoekresultaten, advertenties en andere inhoud verwachten wanneer u services van Google gebruikt.
Het is maar de vraag of gebruikers hier op zitten te wachten. Iedere Google-gebruiker krijgt straks immers straks zogenaamde "persoonlijke" zoekresultaten gepresenteerd, dus een soort afgeschermd eigen sub-internet. Diverse auteurs en filosofen, zoals Morozov in onder meer het boek "the Net Delusion [6]", laten de gevaren van een dergelijke ontwikkeling zien.

Welke gegevens nu precies gecombineerd worden blijft bovendien nogal onduidelijk. Het nieuwe beleid bevat hierover slechts de volgende passage.
We kunnen persoonlijke gegevens uit een bepaalde service combineren met gegevens uit andere Google-services, waaronder persoonlijke gegevens, zodat u bijvoorbeeld gemakkelijker dingen kunt delen met mensen die u kent.
Deze passage is kritisch beschouwd nagenoeg nietszeggend (let op de woorden kunnen, waaronder, bijvoorbeeld). Google lijkt in essentie te willen zeggen: wij combineren alle gegevens die we hebben naar eigen believen.

Iedereen met een Google-account krijgt met het nieuwe privacybeleid te maken (zoals gebruikers van GMail, mensen met een gebruikersnaam op YouTube, etc.). In de veelgestelde vragen maakt Google duidelijk dat wie niet akkoord gaat met het nieuwe privacybeleid, geen andere keuze heeft dan zijn account te sluiten:
Als u services van Google blijft gebruiken na 1 maart, doet u dit conform het nieuwe Privacybeleid en de nieuwe Servicevoorwaarden. Als u uw Google-account liever wilt sluiten, kunt u de instructies in ons Helpcentrum volgen. We blijven ons inzetten voor gegevensbevrijding, dus als u uw gegevens ergens anders naartoe wilt brengen, is dat mogelijk.
Grondslag aanwezig voor al die combinaties?

Vanuit juridische optiek kan hierover, bij eerste beschouwing, in ieder geval het volgende worden opgemerkt (* [7]). Het combineren van persoonsgegevens is een verwerking van persoonsgegevens in de zin van de Wet bescherming persoonsgegevens [8]. Dit brengt met zich mee dat voor het maken van die combinatie in ieder geval een grondslag in de zin van artikel 8 Wbp [9] aan te wijzen moet zijn.

Het is mij niet helemaal duidelijk op welke grondslag Google zich in haar nieuwe privacystatement beroept. De twee mogelijke grondslagen in dit verband zijn ofwel ondubbelzinnige toestemming (sub a), ofwel het gerechtvaardigd belang van Google (sub f).

Voor wat betreft toestemming geldt dat (samengevat) alleen van geldige toestemming sprake kan zijn als sprake is van informed consent. In de opinie van 13 juli 2011 [10] benadrukken de gezamenlijke privacytoezichthouders onder meer dat de gebruiker moet begrijpen waarvoor hij nu eigenlijk toestemming geeft:
uit de formulering van de toestemming moet duidelijk zijn dat de betrokkene precies op de hoogte is van de reikwijdte en de gevolgen van de gegevensverwerking waarvoor hij zijn toestemming geeft
Het is maar de vraag of de gemiddelde gebruiker van Google zich beseft (a) dat zijn gegevens worden gecombineerd en (b) tot welk een gigantisch profiel dat potentieel kan leiden. Dergelijke profielen kunnen zeer privacygevoelige informatie bevatten, zoals ook de AOL-case in 2006 heeft laten zien [11]. Het is daarmee ook de vraag of van rechtsgeldige toesteming wel sprake kan zijn. Zie in dat kader ook de privacytoezichthouders in voornoemde opinie:
Hoe complexer een gegevensverwerking, hoe meer mag worden geëist van de voor de verwerking verantwoordelijke. Hoe moeilijker het voor de gemiddelde burger wordt om alle elementen van een gegevensverwerking te overzien en begrijpen, hoe groter de inspanningsverplichting voor de voor de verwerking verantwoordelijke zou moeten zijn om aan te tonen dat de toestemming is verkregen op basis van specifieke en begrijpelijke informatie.
Mocht Google zich beroepen op het gerechtvaardigd belang voor het combineren van al deze persoonsgegevens, dan val het volgende op. Een bedrijfsbelang, waaronder een marketingbelang (zoals hier met name speelt), geeft op zichzelf in de regel een gerechtvaardigd belang om persoonsgegevens te verwerken. De vraag is wel of die verwerking voldoet aan eisen van proportionaliteit en subsidiariteit (zie ook de Memorie van Toelichting bij de Wbp [12]). Er zijn, gezien de enorme schaal waarop Google gegevens verzamelt, serieuze vraagtekens bij plaatsen of de verwerking in dit geval aan die eisen voldoet.

De vraag is bovendien ook of de belangen van de betrokkene in een specifieke situatie niet prevaleren. Google heeft na verloop van tijd een (zeer) omvangrijk profiel van iemand opgebouwd. Mogelijk dat alleen al vanwege de omvang van het profiel, al dan niet in combinatie met het feit dat uit onder meer zoekgedrag en gebruiken van andere diensten van Google zeer persoonlijke gegevens zijn te destilleren (waaronder bijvoorbeeld medische gegevens, daarvoor is een mailtje versturen met GMail over een ziekte aan een vriend al voldoende...), moet worden geconcludeerd dat de belangen van de betrokkene bij de betreffende verwerking prevaleren.

Strijd met verkrijgingsdoel? 

Verder kan het volgende worden opgemerkt. Op grond van artikel 9 Wbp [13] mogen persoonsgegevens niet worden gebruikt voor een doeleinde dat onverenigbaar is met het doel waarvoor de gegevens zijn verkregen. Het is onduidelijk of Google vanaf 1 maart 2012 ook in het verleden verzamelde gegevens gaat gebruiken voor het op te stellen profiel. Het ligt wel voor de hand dat Google hiervoor kiest (ze gooit ongetwijfeld niet de data verzameld voor 1 maart 2012 allemaal weg). Dat betekent wel dat kritisch getoetst zal moeten worden of het combineren van de data te verenigen is met het doel waarvoor de gegevens oorspronkelijk verzameld zijn. Dat zal mogelijk verschillen voor de verschillende diensten van Google. Voor dit moment voert het te ver dit nader te analyseren.

Andere opvallende punten

Op grond van de Wbp heeft iedereen inzagerecht: een bedrijf of instelling die persoonsgegevens verwerkt moet binnen 4 weken desgevraagd een volledig overzicht geven van alle verwerkte persoonsgegevens. Ook bestaat het recht te verzoeken gegevens te verwijderen of te corrigeren (het verwijder- en correctierecht is niet absoluut, de verantwoordelijke moet na ontvangst van een dergelijk verzoek een beslissing nemen).

Google merkt hierover het volgende op in het nieuwe privacybeleid:
Wanneer u onze services gebruikt, proberen we u toegang te geven tot uw persoonlijke gegevens. Als die gegevens onjuist zijn, proberen we u te voorzien van manieren om deze gegevens snel bij te werken of te verwijderen, tenzij we die gegevens moeten bewaren voor legitieme zakelijke of juridische doeleinden. Wanneer u uw persoonlijke gegevens bijwerkt, kunnen we u vragen uw identiteit te verifiëren voordat we uw verzoek kunnen verwerken.
Google lijkt hiermee het inzage-, correctie- en verwijderingsrecht te beperken. Volgens Google bestaat er namelijk geen inzagerecht, maar hoeft Google slechts te "proberen" om toegang te geven tot de eigen gegevens. Ook opvallend is dat voor wat betreft het correctie- enverwijderrecht Google lijkt te stellen dat haar belangen altijd voorgaan op die van de betrokkene. Ze geeft immers aan de gegevens te zullen bewaren voor "zakelijke doeleinden". Wat die doeleinden precies zijn is niet duidelijk, maar het lijkt er op dat hier al haar bedrijfsbelangen mee worden bedoeld (waaronder dus profielen bouwen). 

Tot zover enkele eerste opmerkingen over dit hele actuele nieuws. Volgens nu.nl zijn de eerste kamervragen al gesteld [14], dus dit wordt ongetwijfeld vervolgd....

de privacyrichtlijn [15] moeten hebben gebaseerd.

[1] http://googleblog.blogspot.com/2012/01/updating-our-privacy-policies-and-terms.html
[2] http://www.google.com/policies/privacy/preview/
[3] http://www.google.com/policies/privacy/preview/
[4] http://en.wikipedia.org/wiki/Clickthrough_rate
[5] http://www.google.com/policies/faq/
[6] http://www.worldcat.org/title/net-delusion-the-dark-side-of-internet-freedom/oclc/515438457
[7] http://dirkzwagerieit.nl#nb
[8] http://wetten.overheid.nl/BWBR0011468/
[9] http://wetten.overheid.nl/BWBR0011468/Hoofdstuk2/Paragraaf1/Artikel8/
[10] http://ec.europa.eu/justice/data-protection/article-29/documentation/opinion-recommendation/files/2011/wp187_nl.pdf
[11] http://www.securityfocus.com/brief/277
[12] https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-25892-3.html
[13] http://wetten.overheid.nl/BWBR0011468/Hoofdstuk2/Paragraaf1/Artikel9/
[14] http://www.nu.nl/internet/2723595/google-schaft-opt-out-gebruik-privedata-af.html
[15] http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=CELEX:31995L0046:NL:NOT&lt;img src="http://feeds.feedburner.com/~r/DirkzwagerAdvocatenIntellectueleEigendomenIT-recht/~4/tS35Ehxfzkk" height="1" width="1"/&gt;&lt;img src="http://feeds.feedburner.com/~r/dirkzwager_nl/~4/oHtj59evUKU" height="1" width="1"/&gt;</description>
         <guid isPermaLink="false">http://dirkzwagerieit.nl/?p=8898</guid>
         <pubDate>Wed, 25 Jan 2012 12:33:39 +0000</pubDate>
      <feedburner:origLink>http://feedproxy.google.com/~r/DirkzwagerAdvocatenIntellectueleEigendomenIT-recht/~3/tS35Ehxfzkk/</feedburner:origLink></item>
      <item>
         <title>De ingebrekestelling: waarom moet u hem versturen en wat moet daarin staan?</title>
         <link>http://feedproxy.google.com/~r/dirkzwager_nl/~3/kwv9keMNJwc/</link>
         <description>Het versturen van een deugdelijke ingebrekestelling kan cruciaal zijn voor de uitkomst van een juridische procedure. Opvallend genoeg wordt hier vaak weinig aandacht aan besteed of wordt een overeenkomst – doorgaans bij hoog oplopende frustratie - direct ontbonden zonder ingebrekestelling. Dit kan u duur komen te staan. Zo blijkt maar weer eens uit een uitspraak van de Rechtbank Arnhem van 7 december 2011  [1] tussen CTA Consulting en SoundSight Music. In deze bijdrage wordt ingegaan op deze uitspraak en op bovenstaande vragen.

Wat was er aan de hand?

SoundSight is een muziekproductiebedrijf dat voor opdrachtgevers diverse muziekstukken componeert. SoundSight beschikt over een database van 10.000 afgewezen voorstellen en wil deze via een webshop online te koop gaan aanbieden. Daarvoor heeft zij een website nodig, een database, een betalingssysteem en hostingdiensten. SoundSight raakt in gesprek met CTA voor het leveren daarvan. CTA brengt een offerte uit, die per e-mail wordt geaccordeerd door SoundSight, althans voor wat betreft het opstarten van het eerste traject (opstellen functionele productspecificaties). CTA gaat vervolgens voortvarend van start en voert alle geoffreerde werkzaamheden uit, ook die geen betrekking hebben op het eerste traject.

SoundSight is echter niet tevreden over het verloop van het project en besluit vlak voor de oplevering van de eerste versie van de website om de overeenkomst te beëindigen. Vast staat verder dat SoundSight de facturen van CTA onbetaald heeft gelaten (op 500 euro na met betrekking tot het eerste traject) en dat SoundSight weliswaar mondeling heeft aangegeven niet tevreden te zijn over het project, maar dat zij nooit een ingebrekestelling heeft gestuurd.

CTA is van mening dat de overeenkomst nooit (rechtsgeldig) is beëindigd en vordert (onder meer) betaling van de openstaande facturen alsmede schadevergoeding. Op haar beurt vordert SoundSight vergoeding voor de door haar geleden schade.

Oordeel van de rechter: Geen ingebrekestelling = geen verzuim CTA = geen ontbinding = SoundSight moet facturen betalen en schade vergoeden

De rechtbank stelt eerst vast wat de inhoud van de overeenkomst was. Was de offerte van 28 juli 2008 volledig aanvaard of alleen maar voor het eerste deel? Aangezien SoundSight geen blijk van enig bezwaar heeft gegeven tegen het uitvoeren van de overige geoffreerde werkzaamheden, oordeelt de rechtbank dat SoundSight impliciet (tevens) haar toestemming had gegeven voor het uitvoeren daarvan. Alleen over de prijs van het database abonnement bestond naar het oordeel van de rechtbank geen overeenstemming. Daarover mogen partijen zich later nog uitaten.

Voor ontbinding is noodzakelijk dat CTA in verzuim is ten aanzien de nakoming van de overeengekomen werkzaamheden of dat het niet meer (blijvend) mogelijk is dat die werkzaamheden nog correct worden nagekomen. De rechtbank oordeelt dat de werkzaamheden nog kunnen worden uitgevoerd (de website kon nog steeds worden opgeleverd) en stelt vast dat CTA ten onrechte niet in gebreke is gesteld. Sound Sight heeft nog geprobeerd om met een beroep op de redelijkheid en billijkheid aan te voeren dat het versturen van een ingebrekestelling niet nodig was. De rechter maakt daar korte metten mee en overweegt dat het versturen van een ingebrekestelling niet nodig is als dit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is en oordeelt:  “Gelet op de functie van een ingebrekestelling zal niet snel aan dit criterium worden voldaan”.

Nu een ingebrekestelling ontbrak oordeelt de rechtbank dat er geen sprake is van verzuim, dat de overeenkomst daardoor niet is ontbonden en dus nog van kracht is, dat SoundSight ten onrechte de facturen van CTA onbetaald heeft gelaten en veroordeelt SoundSight tot betaling daarvan. Omdat CTA de overeenkomst zelf gedeeltelijk heeft ontbonden, namelijk voor dat deel dan nog niet was uitgevoerd, wordt SoundSight veroordeeld tot betaling van vervangende schadevergoeding. Die schadevergoeding houdt in de voor die werkzaamheden overeengekomen vergoedingen minus de besparingen die CTA heeft genoten als gevolg van het feit dat zij die resterende werkzaamheden niet hoeft te verrichten.

De functie en inhoud van een ingebrekestelling

Deze uitspraak  laat weer eens zien wat het belang van een goede ingebrekestelling is. Als er wel een deugdelijke ingebrekestelling was gestuurd, dan zou deze zaak heel anders kunnen hebben gelopen. Opvallend is dat de rechtbank refereert ook aan de functie van de ingebrekestelling. Wat houdt dit eigenlijk in? Waarom moet u die versturen? Een ingebrekestelling is niet bedoeld om verzuim vast te stellen of te creëren, maar dient om de schuldenaar nog een laatste (reële) kans te geven om deugdelijk te presteren. Doet hij dat niet dan raakt hij in verzuim (zie bijvoorbeeld HR 22 oktober 2004, LJN AO9490 [2]).

Wat moet in een ingebrekestelling staan? Op grond van artikel 6:82 BW  [3]moet een ingebrekestelling een schriftelijke aanmaning zijn waarin (in beginsel) aan de schuldenaar een redelijke termijn voor de nakoming wordt gesteld. Een redelijke termijn is een redelijke termijn, niet standaard 14 dagen of 30 dagen wat vaak wordt gedacht. Afhankelijk van de situatie kan dit zelfs enkele maanden beslaan of slechts een paar uur. Daarnaast moet ook vermeld worden wat er gebeurt als uw wederpartij niet binnen de gestelde termijn alsnog presteert. Denk in ieder geval aan een aansprakelijkstelling voor uw schade of aan het vooruitzicht dat u dan overgaat tot ontbinding van de overeenkomst. Dit laatste wordt in de praktijk vaak als erg dwingend en dreigend gezien en daarom weggelaten (“We hebben ze nog wel nodig”). U loopt dan wel het risico dat een rechter uw ingebrekestelling onvoldoende acht, met als gevolg dat uw vorderingen die daarop gestoeld zijn, worden afgewezen (zie ook hiervoor).

Moet u altijd een ingebrekestelling versturen? Nee, het versturen van een ingebrekestelling is op grond van de wet (artikel 6:83 BW [4]) niet altijd nodig. Zo hoeft dit bijvoorbeeld niet als er aan fatale leveringstermijn (of betalingstermijn) is afgesproken die wordt overschreden of als uw wederpartij aangeeft dat hij niet meer zal nakomen. Ook bij een onrechtmatige daad of schadeclaim die voortvloeit uit wanprestatie is een ingebrekestelling niet vereist. Maar let op! In veel contracten en algemene voorwaarden staat dat er altijd een ingebrekestelling nodig is voordat u kunt ontbinden en schadevergoeding kunt claimen. Dit gebeurt onder meer in de FENIT en ICT-Office voorwaarden. Dit hoeft niet erg te zijn, maar u moet hier wel op bedacht zijn. Dergelijke afspraken die tussen partijen zijn overeengekomen “overrulen” namelijk het wettelijke systeem.

[1] http://www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=BU9785
[2] http://www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=AO9490
[3] http://wetten.overheid.nl/BWBR0005289/Boek6/Titel1/Afdeling9/2/Artikel82/geldigheidsdatum_25-01-2012
[4] http://wetten.overheid.nl/BWBR0005289/Boek6/Titel1/Afdeling9/2/Artikel83/geldigheidsdatum_25-01-2012&lt;img src="http://feeds.feedburner.com/~r/DirkzwagerAdvocatenIntellectueleEigendomenIT-recht/~4/hEbzIgktm64" height="1" width="1"/&gt;&lt;img src="http://feeds.feedburner.com/~r/dirkzwager_nl/~4/kwv9keMNJwc" height="1" width="1"/&gt;</description>
         <guid isPermaLink="false">http://dirkzwagerieit.nl/?p=8893</guid>
         <pubDate>Wed, 25 Jan 2012 10:19:27 +0000</pubDate>
      <feedburner:origLink>http://feedproxy.google.com/~r/DirkzwagerAdvocatenIntellectueleEigendomenIT-recht/~3/hEbzIgktm64/</feedburner:origLink></item>
      <item>
         <title>Beloning bestuurders in de zorg inzet politieke en bestuurlijke machtsstrijd met juridische argumenten</title>
         <link>http://feedproxy.google.com/~r/dirkzwager_nl/~3/OduYuWp631k/</link>
         <description>Belangrijkste onderwerpen zijn:

Zorgsector onder strengste 1e regime
Zorgverzekeraars onder 2e regime
Bijzonder strikt overgangsrecht

Op 6 december 2011 heeft de Tweede Kamer de Wet normering bezoldiging topfunctio­narissen publieke en (semi)publieke sector (WNT) aangenomen met enkele belangrijke amendementen. Hierdoor werd het kabinet tegen zijn zin gepasseerd door de meerderheid van de Tweede Kamer. Het woord is nu aan de [...]</description>
         <guid isPermaLink="false">http://www.dirkzwagerarbeidsrecht.nl/?p=1355</guid>
         <pubDate>Wed, 25 Jan 2012 10:04:12 +0000</pubDate>
         <content:encoded><![CDATA[<p>Belangrijkste onderwerpen zijn:</p>
<ul>
<li>Zorgsector onder strengste 1<sup>e</sup> regime</li>
<li>Zorgverzekeraars onder 2<sup>e</sup> regime</li>
<li>Bijzonder strikt overgangsrecht</li>
</ul>
<p><span id="more-1355"></span>Op 6 december 2011 heeft de Tweede Kamer de Wet normering bezoldiging topfunctio­narissen publieke en (semi)publieke sector (WNT) aangenomen met enkele belangrijke amendementen. Hierdoor werd het kabinet tegen zijn zin gepasseerd door de meerderheid van de Tweede Kamer. Het woord is nu aan de Eerste Kamer. Het belooft een spannende strijd te worden, met naar verwachting een juridische uitkomst via de nationale en later internationale rechter.</p>
<p>De WNT kent een lange voorgeschiedenis (vanaf 2002) met 9 adviezen van de zgn. commissie Dijkstal. Er is een drieledige doelstelling. Allereerst het creëren van een wettelijke basis voor de beloning van topfunctionarissen in het (semi)publieke domein. Vervolgens afbakening welke instellingen en organisaties tot de (semi)publieke sector worden gerekend. Tenslotte voorkoming van bovenmatige beloningsafspraken.</p>
<p>De WNT richt zich alleen op de hoogste uitvoerende en toezichthoudende organen (topfunctionarissen). Er zijn drie beloningsregimes. Het eerste regime heeft een beloningsmaximum van circa € 190.000,- (130% van het bruto salaris van een minister). Het tweede regime wordt gekenmerkt door sectorale beloningsafspraken (de semipublieke sector). Criteria zijn: financiering uit publieke middelen en het dienen van een publiek of algemeen belang. Het derde regime kent alleen een openbaarmakingsverplichting van beloningsafspraken in het jaardocument.</p>
<p>Het huidige en voorgaande kabinetten hebben de zorgsector steeds ingedeeld in het tweede regime. Op grond hiervan hebben de toezichthouders en bestuurders in de zorgsector een code vastgesteld: Beloningscode Bestuurders in de Zorg (BBZ), die vanaf 1 september 2010 bindend is voor zorginstellingen. De BBZ beoogt een marktconform geheel van arbeidsvoorwaarden voor bestuurders in de zorgsector te geven en kent in totaal 10 schalen met bandbreedtes. De hoogste schaal komt uit op € 197.016,- (2011). De andere schalen zijn beduidend lager. Daarboven is een verhoging van maximaal 30% mogelijk wegens marktwerking op een vijftal deelgebieden. Afwijking is alleen mogelijk na voorafgaande instemming van de Toetsings­commissie BBZ.</p>
<p><strong>Indeling in 1<sup>e</sup> en 2<sup>e</sup> regimes</strong></p>
<p>Tijdens de parlementaire besluitvorming op 6 december 2011 dwong de Tweede Kamer van de regering af, dat de zorgsector onder het zwaarste 1<sup>e</sup> regime en de zorgverzekeraars onder het 2<sup>e</sup> regime vallen. De regering is het hiermee niet eens, het woord is nu aan de Eerste Kamer.</p>
<p>Met name de organisaties van bestuurders en toezichthouders in de zorg (NVZD en NVTZ) zijn gelijk een campagne begonnen om de regering te steunen en de Eerste Kamer te laten ingrijpen. De belangrijkste argumenten luiden als volgt.</p>
<p>Binnen de (semi)publieke sector bevindt de zorg zich op de grootste afstand van de publieke sector. Binnen de zorg is steeds meer sprake van marktwerking. De werkgever maakt inbreuk op het eigendomsrecht van artikel 1 Eerste Protocol bij het EVRM (de maatregel is niet proportioneel). De doelstelling van de WNT – voorkomen bovenmatige beloningen in het (semi)publieke domein – is in korte tijd aantoonbaar bereikt met de BBZ. Uit onderzoek blijkt dat de gemiddelde beloning in de zorg in 2010 € 135.000,- beliep en slechts 17% van de zorgbestuurders boven de beloningsnorm zit. Op grond hiervan zou de indeling van de zorg in het zwaarste regime van de WNT geen wezenlijke verdere bijdrage leveren om bovenmatige beloningen te voorkomen. Het risico bestaat zelfs dat indeling in het eerste regime averechts zal werken, omdat hiermee de BBZ als bindend kader voor de lagere beloningsschalen vervalt.</p>
<p><strong>Overgangsrecht</strong></p>
<p>Vóór 6 december 2011 gemaakte beloningsafspraken worden maximaal nog vier jaar gerespecteerd en daarna in drie jaar verplicht afgebouwd. Iedere nieuwe wijziging vanaf 6 december 2011 in de bezoldiging of duur van het dienstverband leidt tot het onmiddellijk van toepassing worden van de WNT, zodra deze ingevoerd zal zijn (beoogd wordt 1 januari 2013).</p>
<p><strong>Arbeidsrechtelijk advies</strong></p>
<p>Bij alle nieuwe afspraken in bestaande en nieuwe contracten met topbestuurders in de (semi)publieke sector, zeker ook in de zorg, is voorzichtigheid geboden. Het is verstandig als werkgever steeds te bedingen dat de vanaf 6 december 2011 gemaakte nieuwe bovenmatige afspraken vervallen en aangepast worden overeenkomstig de WNT, zodra deze van kracht wordt.</p>
<p>Nog meer dan voorheen het geval was, is het maken en vastleggen van beloningsafspraken met topbestuurders (in de zorg) maatwerk. De specialisten van de sectie arbeidsrecht van Dirkzwager delen hun kennis op dit terrein graag met u.</p><img src="http://feeds.feedburner.com/~r/dirkzwager_nl/~4/OduYuWp631k" height="1" width="1"/>]]></content:encoded>
      <feedburner:origLink>http://dirkzwagerarbeidsrecht.nl/2012/01/25/beloning-bestuurders-in-de-zorg-inzet-politieke-en-bestuurlijke-machtsstrijd-met-juridische-argumenten/</feedburner:origLink></item>
      <item>
         <title>Renate Peijs-Schoester in magazine Sport Bestuur &amp; Management</title>
         <link>http://feedproxy.google.com/~r/dirkzwager_nl/~3/oI3X1GOaPvs/</link>
         <description>In het magazine Sport Bestuur &amp;#38; Management (editie 6, jaargang 14 dec 2011/jan 2012) is een artikel van Renate Peijs-Schoester verschenen. De titel van het artikel is “Beëindiging van de arbeidsovereenkomst; het belang van een goed contract”. In het artikel wordt een aantal belangrijke punten van een goede opgestelde arbeidsovereenkomst behandeld, waarbij wordt toegespitst op [...]</description>
         <guid isPermaLink="false">http://www.dirkzwagerarbeidsrecht.nl/?p=1348</guid>
         <pubDate>Tue, 24 Jan 2012 15:47:24 +0000</pubDate>
         <content:encoded><![CDATA[<p>In het magazine Sport Bestuur &amp; Management (editie 6, jaargang 14 dec 2011/jan 2012) is een artikel van Renate Peijs-Schoester verschenen. De titel van het artikel is “Beëindiging van de arbeidsovereenkomst; het belang van een goed contract”. In het artikel wordt een aantal belangrijke punten van een goede opgestelde arbeidsovereenkomst behandeld, waarbij wordt toegespitst op arbeidscontracten in de sport. Lees <a rel="nofollow" target="_blank" href="http://www.dirkzwager.nl/pdf/2011_12_artikel_Renate_Peijs.pdf">hier</a> het artikel.</p><img src="http://feeds.feedburner.com/~r/dirkzwager_nl/~4/oI3X1GOaPvs" height="1" width="1"/>]]></content:encoded>
      <feedburner:origLink>http://dirkzwagerarbeidsrecht.nl/2012/01/24/renate-peijsschoester-in-magazine-sport-bestuur-management/</feedburner:origLink></item>
      <item>
         <title>Het belang van een zorgvuldig adviestraject (25 WOR)</title>
         <link>http://feedproxy.google.com/~r/dirkzwager_nl/~3/Do0HUIyaBFA/</link>
         <description>Artikel 25 Wet op de Ondernemingsraden (WOR) geeft een ruime opsomming van onderwerpen die de Ondernemingsraad (OR) adviesrecht geven. Het komt in de praktijk dus al snel tot een adviesaanvraag. De wijze waarop het adviestraject wordt vorm gegeven , is van groot belang. Een zorgvuldig ingestoken adviestraject zal vaker leiden tot positief advies maar ook [...]</description>
         <guid isPermaLink="false">http://www.dirkzwagerarbeidsrecht.nl/?p=1340</guid>
         <pubDate>Tue, 24 Jan 2012 14:50:35 +0000</pubDate>
         <content:encoded><![CDATA[<p>Artikel 25 Wet op de Ondernemingsraden (WOR) geeft een ruime opsomming van onderwerpen die de Ondernemingsraad (OR) adviesrecht geven. Het komt in de praktijk dus al snel tot een adviesaanvraag. De wijze waarop het adviestraject wordt vorm gegeven , is van groot belang. Een zorgvuldig ingestoken adviestraject zal vaker leiden tot positief advies maar ook indien de ondernemer en de OR onverhoopt tegenover elkaar komen te staan in een procedure, zal een zorgvuldig traject in het voordeel van de ondernemer werken. <span id="more-1340"></span></p>
<p>Adviseert de OR negatief, dan kan de ondernemer na de maand opschortingstermijn uit artikel 25 lid 6 WOR, het besluit alsnog uitvoeren. De ondernemer kan een negatief advies dus laten voor wat het is en het voorgenomen besluit een definitieve status geven. Een volgende logische stap is dan het overgaan tot uitvoering van het besluit. De WOR biedt de OR het rechtsmiddel van de beroepsprocedure bij de Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam (artikel 26 WOR). De Ondernemingskamer toetst het besluit op ‘kennelijke onredelijkheid’ en kan onder meer de uitvoering van het besluit (doen) staken. Een procedure bij de Ondernemingskamer kan dus vergaande gevolgen hebben en moet mijns inziens niet worden onderschat. Denk bijvoorbeeld aan een reorganisatie die moet worden gestaakt of een overname die niet door kan gaan.</p>
<p>Overeenstemming bereiken met de OR is het beste ‘medicijn’ tegen procedures bij de Ondernemingskamer. De realiteit gebiedt echter ook te concluderen dat dit niet altijd haalbaar is. Een zorgvuldig adviestraject zal de kans op positief advies door de OR veelal vergroten, maar is ook van eminent belang bij een onverhoopt negatief advies. Gedacht moet worden aan het tijdig vragen van advies, onderbouwd met gedegen en voldoende informatie, een redelijke termijn waarbinnen advies moet worden uitgebracht en het meer in het algemeen serieus nemen van de rol die de OR vervult. Wat de informatieverstrekking betreft, wordt er in de jurisprudentie en literatuur al langere tijd vanuit gegaan dat het de OR is –en niet de ondernemer- die bepaalt of hij voldoende is geïnformeerd.</p>
<p>Wie de uitspraken van de Ondernemingskamer regelmatig leest, zal zien dat er veel meer op procedure en procesgang wordt getoetst, dan op de feitelijke inhoud van het omstreden besluit. Het aantal uitspraken waarin de Ondernemingskamer het besluit om zijn inhoud kennelijk onredelijk acht, blijft ver achter bij het aantal uitspraken waarin de gang van zaken in het adviestraject ter discussie staat.</p>
<p>De uitspraak van de Ondernemingskamer van 19 november 2011 (JAR 2012/8) illustreert maar weer eens dat een ondernemer veel te winnen heeft bij het zorgvuldig en netjes insteken van een adviesprocedure. Daar hoort volgens de Ondernemingskamer ook bij het gemotiveerd reageren op alternatieven die door de OR worden aangedragen. In dit specifieke geval ging het om een kinderopvangorganisatie die een stichting wilde omzetten in een B.V.. De Ondernemingskamer overwoog dat de omzetting in een B.V. wel een goede oplossing zou kunnen zijn, maar dat de ondernemer gelet op het advies van de OR, de keuze tussen mogelijke alternatieven niet behoorlijk had gemotiveerd. Het besluit moest worden ingetrokken. Ondanks het feit dat het besluit tot de omzetting van een stichting naar een B.V. op zichzelf niet onredelijk zou hoeven zijn.</p>
<p>Alhoewel ik niet op de hoogte ben van  de details van het voortraject, kan ik mij indenken dat indien de ondernemer gemotiveerd op de door de OR aangedragen alternatieven was ingegaan het mogelijk niet eens tot een negatief advies was gekomen. En ook al was de OR bij zijn negatieve advies gebleven, een zorgvuldiger adviestraject had veel goed gedaan in de procedure bij de Ondernemingskamer.</p>
<p>De ondernemer doet er mijns inziens verstandig aan om de medezeggenschap en daaraan verbonden positie en rechten van de OR serieus te nemen. Een dergelijke basishouding betekent zeker niet dat de OR het voor het zeggen heeft in de organisatie. De ondernemer bepaalt de koers, maar zal de ‘hobbel’ van medezeggenschap wel moeten nemen. Een goede relatie met de OR is daarbij goud waard. Zorgvuldig omgaan met advies- en instemmingstrajecten is een heel belangrijke eerste stap.</p><img src="http://feeds.feedburner.com/~r/dirkzwager_nl/~4/Do0HUIyaBFA" height="1" width="1"/>]]></content:encoded>
      <feedburner:origLink>http://dirkzwagerarbeidsrecht.nl/2012/01/24/het-belang-van-een-zorgvuldig-adviestraject-25-wor/</feedburner:origLink></item>
      <item>
         <title>Zijn zonnepanelen op het dak roerend of onroerend?</title>
         <link>http://feedproxy.google.com/~r/dirkzwager_nl/~3/F8DIVLF190E/</link>
         <description>Woningbouwcorporaties hebben ambitieuze doelstellingen om energie te besparen en dus CO2 reductie te realiseren. Corporaties kijken daarbij steeds vaker naar de mogelijkheid daken van huurwoningen te voorzien van zonnepanelen (PV-cellen). Dit heeft ook financiële voordelen voor de huurders. De corporatie kan deze investering naar ons oordeel echter alleen doorbelasten aan haar huurders indien de zonnepanelen [...]</description>
         <guid isPermaLink="false">http://dirkzwagervastgoed.nl/?p=1890</guid>
         <pubDate>Tue, 24 Jan 2012 10:47:42 +0000</pubDate>
         <content:encoded><![CDATA[<p>Woningbouwcorporaties hebben ambitieuze doelstellingen om energie te besparen en dus CO2 reductie te realiseren. Corporaties kijken daarbij steeds vaker naar de mogelijkheid daken van huurwoningen te voorzien van zonnepanelen (PV-cellen). Dit heeft ook financiële voordelen voor de huurders. De corporatie kan deze investering naar ons oordeel echter alleen doorbelasten aan haar huurders indien de zonnepanelen geen bestanddeel worden van de woningen. Het is dus belangrijk om te weten of de zonnepanelen op het dak roerend of onroerend zijn.<span id="more-1890"></span></p>
<p><strong>Het voordeel van de huurder</strong><br />
De huurder kan met behulp van de zonnepanelen zelf elektriciteit opwekken. De huurder beperkt daarmee het risico op prijsstijgingen van energie. Deze geproduceerde elektriciteit kan de huurder bovendien verrekenen met de elektriciteit die de huurder zelf van het elektriciteitsnet verbruikt (in ieder geval tot 5000 kWh per jaar, maar de Elektriciteitswet laat de optie open om meer te salderen). Alleen over het verbruik dat na verrekening resteert, is er energiebelasting verschuldigd.</p>
<p><strong>Investering doorbelasten</strong><br />
De corporatie zal in veel gevallen de investering van de zonnepanelen willen doorbelasten aan haar huurders. Indien de zonnepanelen echter een bestanddeel vormen van de woning, wordt de investering beheerst door het huurprijzenrecht. In dat geval geldt het <a rel="nofollow" target="_blank" href="http://dirkzwagervastgoed.nl/2011/03/09/kamer-akkoord-met-energielabels-in-woningwaarderingsstelsel/">‘huurprijzenplafond’</a> van het woningwaarderingsstelsel. Dat zou tot gevolg kunnen hebben dat slechts een zeer beperkt deel van de investering aan de huurders zou kunnen worden doorbelast. Indien de zonnepanelen geen bestanddeel vormen van de woning, geldt een dergelijke beperking niet. In dat geval kan de corporatie de zonnepanelen afzonderlijk van de woning verhuren en daarmee haar investering op termijn terugverdienen.</p>
<p><strong>Zonnepanelen bestanddeel woning?</strong><br />
Zonnepanelen vormen een bestanddeel van de woning indien deze duurzaam met de woning zijn verenigd. Twee criteria kunnen daarbij worden onderscheiden. 1) Wanneer de zonnepanelen volgens de verkeersopvatting onderdeel uitmaken van de woning, dan vormen ze een bestanddeel daarvan. Belangrijk hierbij is of de woning zonder de zonnepanelen incompleet is. 2) Indien zonnepalen dusdanig verbonden zijn met de woning, dat deze niet van elkaar kunnen worden gescheiden zonder dat er schade van betekenis ontstaat, vormen ze ook een bestanddeel daarvan.</p>
<p>Of zonnepanelen een bestanddeel vormen van de woning, is erg afhankelijk van de feiten. In algemene zin geldt echter dat zonnepanelen die ‘los op de daken gelegd worden’ en slechts met een aantal schroeven worden bevestigd, in de regel geen onderdeel gaan uitmaken van de woning waarop zij gelegd worden. Een woning zou zonder deze zonnepanelen niet incompleet zijn. Bovendien zijn de zonnepanelen eenvoudig te demonteren. Dergelijke zonnepanelen blijven aldus in dat geval roerend. Indien zonnepanelen echter worden geïntegreerd in het dak (de dakpannen) van de woning, zullen deze in veel gevallen wel een bestanddeel gaan vormen van de woning. Het dak vormt immers een wezenlijk onderdeel van de woning. Zonder het dak (en de dakpannen) is een woning incompleet. Datzelfde geldt voor een dak (de dakpannen) waarin zonnepanelen zijn verwerkt.</p>
<p><strong>Conclusie</strong><br />
Woningbouwcorporaties die zonnepanelen willen laten plaatsen, doen er verstandig aan na te gaan of bij de gekozen constructie de zonnepanelen roerend blijven dan wel een bestanddeel worden van de woning. Mocht de laatstgenoemde situatie aan de orde zijn, dan zal er een maatwerkoplossing moeten worden gezocht. Onder andere zou kunnen worden gekeken of het mogelijk is om bijvoorbeeld het dak waarin de zonnepanelen zijn geïntegreerd, in juridische zin te splitsen van de woningen.</p><img src="http://feeds.feedburner.com/~r/dirkzwager_nl/~4/F8DIVLF190E" height="1" width="1"/>]]></content:encoded>
      <feedburner:origLink>http://dirkzwagervastgoed.nl/2012/01/24/zijn-zonnepanelen-op-het-dak-roerend-of-onroerend/</feedburner:origLink></item>
      <item>
         <title>Help, mijn werknemer is te dik!</title>
         <link>http://feedproxy.google.com/~r/dirkzwager_nl/~3/0ON9FrbbJJQ/</link>
         <description>In Nederland lijden ongeveer tweehonderdvijftigduizend mensen aan morbide obesitas. Morbide obesitas is een vorm van zeer ernstig overgewicht. Werknemers die lijden aan morbide obesitas zijn soms niet meer in staat om hun functie naar behoren uit te oefenen. Kan een werkgever om die reden ontbinding van de arbeidsovereenkomst verzoeken?
Deze vraag deed zich recentelijk voor bij [...]</description>
         <guid isPermaLink="false">http://www.dirkzwagerarbeidsrecht.nl/?p=1336</guid>
         <pubDate>Mon, 23 Jan 2012 14:53:05 +0000</pubDate>
         <content:encoded><![CDATA[<p>In Nederland lijden ongeveer tweehonderdvijftigduizend mensen aan morbide obesitas. Morbide obesitas is een vorm van zeer ernstig overgewicht. Werknemers die lijden aan morbide obesitas zijn soms niet meer in staat om hun functie naar behoren uit te oefenen. Kan een werkgever om die reden ontbinding van de arbeidsovereenkomst verzoeken?<span id="more-1336"></span></p>
<p>Deze vraag deed zich recentelijk voor bij de kantonrechter Zwolle[1]. In deze zaak gaat het om een werknemer die in 1996 bij de werkgever in dienst is getreden en werkzaam is in de functie van vakman zware folie. De werknemer lijdt aan morbide obesitas. Als gevolg daarvan heeft hij problemen in de uitoefening van zijn functie en meldt hij zich de afgelopen jaren regelmatig ziek vanwege klachten gerelateerd aan zijn extreme overgewicht. De werkgever spreekt de werknemer meerdere keren aan op zijn verzuim, waarna de werknemer begint met afvallen. Zijn gewicht is in de zomer van 2010 echter weer aanzienlijk toegenomen, met nieuwe klachten tot gevolg. Dit is voor de werkgever aanleiding om de werknemer in november 2010 nadrukkelijk op zijn eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van zijn overgewicht te wijzen en hem voor te houden dat er mogelijk een conflict ontstaat indien hij deze verantwoordelijkheid niet neemt. Vervolgens laat werkgever werknemer in februari 2011 weten dat zijn arbeidsovereenkomst zal moeten eindigen, omdat hij zijn werk niet meer op een normale wijze kan uitoefenen en collega’s zijn werk steeds moeten opvangen. Werknemer erkent dat hij zijn werkzaamheden niet adequaat kan verrichten aangezien hij niet lang kan lopen of staan en zijn gewicht hem vertraagt in de uitvoering van zijn werkzaamheden. De werkgever vraagt tegen deze achtergrond de kantonrechter de arbeidsovereenkomst te ontbinden.</p>
<p>De kantonrechter neemt in zijn beoordeling tot uitgangspunt dat morbide obesitas een chronische ziekte is en de werknemer derhalve arbeidsongeschikt is in de zin van de wet. Dit noopt volgens de kantonrechter tot terughoudendheid bij de ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Gelet op de reflexwerking van het opzegverbod dient het ontbindingsverzoek in beginsel te worden afgewezen, tenzij zich bijzondere omstandigheden voordoen die een zodanige gewichtige reden vormen dat de arbeidovereenkomst billijkheidshalve toch behoort te eindigen. De kantonrechter is van oordeel dat in de onderhavige situatie van bijzondere omstandigheden (nog) geen sprake is. Hij acht de gevraagde ontbinding prematuur en wijst het verzoek dan ook af. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft de werkgever verzuimd om werknemer op ondubbelzinnige wijze kenbaar te maken dat hij moet afvallen om aan zijn verplichtingen als werknemer te kunnen voldoen. Weliswaar heeft de werkgever met werknemer over zijn overgewicht gesproken, maar die gesprekken zijn in eerste instantie ingestoken vanuit bezorgdheid over de gezondheid van werknemer en niet vanuit ontevredenheid over zijn functioneren of inzet. Omdat werknemer pas in november 2010 van de ernst van de situatie doordrongen is geraakt, had het volgens de kantonrechter op de weg van werkgever gelegen om werknemer een redelijke, laatste kans te bieden zijn gewicht te verminderen en werknemer te ondersteunen in zijn afvalpoging. Was werkgever van mening dat werknemer in deze afvalpoging tekortschoot, dan staat werkgever naar het oordeel van de kantonrechter minder vergaande sancties ter beschikking dan een ontbinding, zoals bijvoorbeeld een loonsanctie. Op die manier had werknemer derhalve een laatste kans moeten worden geboden.</p>
<p>Waar de kantonrechter in deze zaak van oordeel is dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden en werknemer nog een laatste kans had moeten worden geboden, oordeelt de kantonrechter Tilburg op 23 september 2011 in een geval van morbide obesitas dat van bijzondere omstandigheden wel voldoende sprake was [2]. In die zaak gaat het om een werkneemster met morbide obesitas die na een maagverkleiningsoperatie in oktober 2007 is uitgevallen en daarna nooit meer aan volledige werkhervatting is toegekomen. De kantonrechter oordeelt dat nu sprake is van een terugkerend verzuim over een periode van ruim vier jaar en vaststaat dat de komende jaren nog een aantal operaties moet plaatsvinden, van werkgever niet langer verlangd kan worden de arbeidsovereenkomst voort te zetten. De ontbinding wordt tegen die achtergrond toegewezen. Wel wordt werkneemster een vergoeding toegekend van € 12.000,&#8211; bruto vanwege een aantal zaken waarin werkgever een verwijt te maken valt. Zo heeft werkgever werkneemster op geen enkele wijze deelgenoot gemaakt van de problemen die zij in haar organisatie veroorzaakt, heeft werkgever de re-integratie van werkneemster in het tweede spoor onvoldoende onderzocht en is werkneemster zonder valide grond op non actief gesteld.</p>
<p>De les die we uit bovengenoemde uitspraken kunnen trekken is dat morbide obesitas ook in de civiele rechtspraak als chronische ziekte wordt beschouwd. Dit betekent dat terughoudendheid geboden is bij een verzoek tot ontbinding. Slechts ingeval van bijzondere omstandigheden zal de kantonrechter een verzoek tot ontbinding toewijzen. In dat verband is het van belang om in geval van functiebeperkingen ten gevolge van de extreme zwaarlijvigheid, de werknemer nadrukkelijk op zijn plichten als werknemer aan te spreken en hem er van te doordringen dat afvallen voor een goede uitoefening van zijn functie noodzakelijk is. Slaagt de werknemer daarin niet, dan is het verstandig de werknemer een laatste kans te geven zijn gewicht te verminderen onder de mededeling dat anders een ontslag zal volgen.</p>
<p>[1] Kantonrechter Zwolle, 4 november 2011, JAR 2011, 309<br />
[2] Kantonrechter Tilburg, 23 september 2011, JAR 2011, 289</p><img src="http://feeds.feedburner.com/~r/dirkzwager_nl/~4/0ON9FrbbJJQ" height="1" width="1"/>]]></content:encoded>
      <feedburner:origLink>http://dirkzwagerarbeidsrecht.nl/2012/01/23/help-mijn-werknemer-is-te-dik/</feedburner:origLink></item>
      <item>
         <title>Termijnen Wbp gaan ook lopen zonder expliciete verwijzing naar de wet</title>
         <link>http://feedproxy.google.com/~r/dirkzwager_nl/~3/TC9a3Z5U2uU/</link>
         <description>In een beschikking van 21 december 2011 [1] heeft de rechtbank Utrecht geoordeeld dat wie een verzoek doet zijn persoonsgegevens te verwijderen, daarvoor niet expliciet hoeft te verwijzen naar de Wet bescherming persoonsgegevens [2] (Wbp). De betrokkene dient er op bedacht te zijn dat de (relatief korte) termijn om naar de rechter te gaan na een weigering de persoonsgegevens te verwijderen, daardoor ongemerkt snel verstreken kan zijn.

Gegevens jongere opgenomen in incidentenregister

Een jongeman (in de uitspraak "A" genoemd) had een bankrekening bij de ING met bijbehorende bankpas. Deze bankrekening is door de ING op 28 januari 2011 geblokkeerd naar aanleiding van een verdachte transactie. Ook heeft de ING de betreffende jongen op of rond diezelfde datum opgenomen in zowel een intern als een extern incidentenregister. Het praktische gevolg daarvan is dat hij nauwelijks tot geen financiele producten meer kan afnemen bij de verschillende banken.

18 april 2011 eerste verzoek tot verwijdering gegevens

Namens de jongen wordt door een gemachtigde op 18 april 2011 een brief gestuurd aan de ING met het verzoek de gegevens van de jongen te verwijderen uit het incidentenregister. De brief bevat onder meer de volgende inhoud:
Daarnaast verzoek -en voor zover nog vereist sommeer- ik u cliënt binnen 14 dagen na heden te verwijderen uit het interne- en dan met name ook het externe verwijzingsregister.
15 juni 2011 afwijzing verzoek verwijdering

Na enige correspondentie laat ING uiteindelijk bij brief van 15 juni 2011 weten niet aan dit verzoek te zullen voldoen. ING wijst er ook op dat de  gegevens van de jongen de komende 4 jaar vermeld zullen blijven in het incidentenregister.

3 augustus 2011 herhaald verzoek tot verwijdering

Vervolgens stuurt de gemachtigde op 3 augustus 2011 nogmaals een brief met het verzoek om de persoonsgegevens te verwijderen. In deze brief wordt voor het eerst verwezen naar de Wbp.

23 september 2011 start procedure bij rechtbank

Op 23 september 2011 wordt namens de jongen een verzoekschrift ingediend bij de rechtbank op grond van artikel 46 Wbp [3]. Dit verzoekschrift strekt ertoe dat ING wordt veroordeeld de gegevens uit het incidentenregister te verwijderen.

Verzoekschrift moet binnen zes weken bij rechtbank zijn ingediend

Wanneer een verzoek tot het verwijderen van zijn persoonsgegevens (geheel of gedeeltelijk) door de voor die persoonsgegevensverwerking verantwoordelijke wordt geweigerd, kan de betrokkene naar de rechter middels een zogenaamde verzoekschriftprocedure. Op grond van artikel 46 Wbp moet dit verzoekschrift binnen een bepaalde termijn worden worden ingediend:

	binnen zes weken na ontvangst van het antwoord van de verantwoordelijke; of
	indien de verantwoordelijke niet binnen de gestelde termijn heeft geantwoord, binnen zes weken na afloop van die termijn.

De betrokkene kan dus in twee gevallen naar de rechter:

	wanneer hij het niet eens is met het besluit dat is genomen naar aanleiding van zijn verzoek gegevens te verwijderen; en
	wanneer in het geheel geen besluit is genomen naar aanleiding van zijn verzoek gegevens te verwijderen.

In beide gevallen moet het verzoekschrift tijdig bij de rechtbank zijn ingediend.

Verzoekschrift in dit geval (dus) te laat ingediend

De rechtbank overweegt dat het verzoekschrift in dit geval te laat is ingediend. Volgens de rechtbank is de termijn van zes weken gaan lopen vanaf 15 juni 2011, de datum waarop ING bij brief expliciet heeft gesteld niet aan het verzoek te zullen voldoen. De rechtbank overweegt als volgt:
In de brief van 15 juni 2011 heeft ING expliciet het verzoek tot verwijdering afgewezen. Alhoewel dit antwoord niet binnen de termijn van vier weken na ontvangst van het verzoek is gegeven, kan de laatste brief van 15 juni 2011 gezien worden als het moment waarop de termijn van zes weken als bedoeld in artikel 46 lid 2 Wbp is gaan lopen.
De rechtbank concludeert (en ik denk terecht [4]) dat het verzoekschrift daarmee voor 27 juli 2011 ingediend had moeten zijn. Nu dat niet is gebeurd, is de jongeman niet ontvankelijk in zijn verzoek. Zijn verzoek wordt dus niet in behandeling genomen en hij wordt veroordeeld in de kosten van de ING.

Beroep op brief met expliciete verwijzing naar Wbp faalt

Tijdens de zitting is namens de jongeman nog betoogd dat de termijn van zes weken niet is aangevangen op 15 juni 2011, maar pas later. Betoogd is dat voor het eerst in de brief van 3 augustus 2011 een beroep is gedaan op de Wbp. Daarmee zou het verzoekschrift op tijd [5] zijn ingediend (er van uitgaande dat in de brief van 3 augustus 2011 weer een termijn van twee weken aan de ING was gesteld).

De rechtbank volgt dit betoog niet:
De brief van 18 april 2011 kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden gezien dan een ondubbelzinnig verzoek tot verwijdering van de persoonsgegevens zoals bedoeld in artikel 36 Wbp. Dat de Wbp in de brief niet is genoemd maakt dit niet anders, aangezien artikel 36 Wbp dit niet als vereiste stelt.
Deze conclusie van de rechtbank lijkt mij juist en bovendien billijk. Een andersluidend oordeel zou hebben betekend dat van betrokkenen zou kunnen worden gevergd dat zij zich bij een inzage-, correctie of verwijderingsverzoek altijd op specifieke wetsartikelen uit de Wbp beroepen. Dat kan van een betrokkene m.i. niet worden gevergd. Het lijkt mij ook niet passen bij de ratio van de betreffende rechten van de betrokkene.

Aandacht voor termijnen door zowel betrokkene als verantwoordelijke 

Het betekent wel dat de betrokkene de relatief korte termijn van zes weken scherp in de gaten dient te houden, mocht hij zijn verzoek middels een gerechtelijke procedure willen kunnen afdwingen. Ook betrekkelijk informele verzoeken aan een verantwoordelijke (voor persoonsgegevensverwerkingen) kunnen er kennelijk toe leiden dat de termijn om een verzoekschrift in te dienen al gaat lopen.

Organisaties die persoonsgegevens verwerken dienen ook bedacht te zijn op de termijnen. Een verzoek van bijvoorbeeld een klant dat betrekking heeft op zijn persoonsgegevens (zoals correctie) kwalificeert waarschijnlijk al snel als een verzoek ex. artikel 36 Wbp [6], ook als de klant bij dat verzoek in het geheel niet verwijst naar de Wbp. Dat geldt te meer nu kennelijk volgens de rechtbank niet relevant is, zo wordt althans niet overwogen, dat de betrokkene niet voorafgaand aan het correctieverzoek een inzageverzoek ex. artikel 35 Wbp [7] heeft gedaan (zoals de letterlijke tekst van artikel 36 Wbp [6] wel eist). Dat betekent dus ook dat die klant het gegeven antwoord op relatief korte termijn middels een verzoekschrift ter toetsing aan de rechtbank kan voorleggen. De afdeling die de communicatie met klanten en andere betrokkenen verzorgt dient hierop bedacht te zijn.

[1] http://www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=BV1110
[2] http://wetten.overheid.nl/BWBR0011468/
[3] http://wetten.overheid.nl/BWBR0011468/Hoofdstuk8/Artikel46/
[4] http://timeanddate.com/date/dateadded.html?d1=15&amp;#38;m1=06&amp;#38;y1=2011&amp;#38;type=add&amp;#38;ay=&amp;#38;am=&amp;#38;ad=&amp;#38;aw=6
[5] http://timeanddate.com/date/dateadded.html?d1=3&amp;#38;m1=8&amp;#38;y1=2011&amp;#38;type=add&amp;#38;ay=&amp;#38;am=&amp;#38;ad=&amp;#38;aw=8
[6] http://wetten.overheid.nl/BWBR0011468/Hoofdstuk6/Artikel36/
[7] http://wetten.overheid.nl/BWBR0011468/Hoofdstuk6/Artikel35/
[8] http://wetten.overheid.nl/BWBR0011468/Hoofdstuk6/Artikel36/&lt;img src="http://feeds.feedburner.com/~r/DirkzwagerAdvocatenIntellectueleEigendomenIT-recht/~4/YJMDf3Oon0U" height="1" width="1"/&gt;&lt;img src="http://feeds.feedburner.com/~r/dirkzwager_nl/~4/TC9a3Z5U2uU" height="1" width="1"/&gt;</description>
         <guid isPermaLink="false">http://dirkzwagerieit.nl/?p=8885</guid>
         <pubDate>Mon, 23 Jan 2012 12:55:16 +0000</pubDate>
      <feedburner:origLink>http://feedproxy.google.com/~r/DirkzwagerAdvocatenIntellectueleEigendomenIT-recht/~3/YJMDf3Oon0U/</feedburner:origLink></item>
      <item>
         <title>Herziening aanbestedingsrichtlijnen zet invoering Aanbestedingswet onder druk</title>
         <link>http://feedproxy.google.com/~r/dirkzwager_nl/~3/Ix1SOGO_fI8/</link>
         <description>Op 20 december 2011 heeft de Europese Commissie haar voorstellen voor de nieuwe aanbestedingsrichtlijnen officieel bekendgemaakt. De voorgestelde wijzigingen kunnen echter de vaststelling en daarop volgende inwerktreding van de Aanbestedingswet in belangrijke mate frustreren.
De voorstellen van de Europese Commissie met betrekking tot de herziening van de aanbestedingsrichtlijnen (2004/18/EG en 2004/17/EG) hebben voornamelijk tot doel om [...]</description>
         <guid isPermaLink="false">http://dirkzwageroverheid.nl/?p=2841</guid>
         <pubDate>Fri, 20 Jan 2012 16:07:51 +0000</pubDate>
         <content:encoded><![CDATA[<p>Op 20 december 2011 heeft de Europese Commissie haar voorstellen voor de nieuwe aanbestedingsrichtlijnen officieel bekendgemaakt. De voorgestelde wijzigingen kunnen echter de vaststelling en daarop volgende inwerktreding van de Aanbestedingswet in belangrijke mate frustreren.<span id="more-2841"></span></p>
<p>De voorstellen van de Europese Commissie met betrekking tot de herziening van de aanbestedingsrichtlijnen (2004/18/EG en 2004/17/EG) hebben voornamelijk tot doel om aanbestedingsprocedures eenvoudiger en flexibeler te maken. Daarnaast spelen duurzaamheids &#8211; en sociale aspecten bij overheidsopdrachten een grote rol in de voorstellen voor de herzieningen. Hoewel deze ontwikkeling op zichzelf is toe te juichen kan het de invoering van de Aanbestedingswet in belangrijke mate frustreren en vertragen.</p>
<p>Op dinsdag 8 november 2011 schreven wij op <a rel="nofollow" target="_blank" href="http://dirkzwageroverheid.nl/2011/11/08/invoering-aanbestedingswet-wederom-vertraagd/">deze plek</a> dat de invoering van de Aanbestedingswet wederom is vertraagd. Reden hiervoor was dat de Aanbestedingswet volgens een meerderheid van de Tweede Kamer meer moest worden toegesneden op het MKB en er meer aandacht moest worden besteed aan de <a rel="nofollow" target="_blank" href="http://dirkzwageroverheid.nl/2011/09/16/gids-proportionaliteit-meer-duidelijkheid-of-adisproportioneela-2/">Gids Proportionaliteit</a>. Met de herzieningen van de Europese aanbestedingsrichtlijnen dient Nederland zich niet alleen te buigen over de nieuwe Aanbestedingswet maar dus ook over de voorgestelde herzieningen van de Europese aanbestedingsrichtlijnen.</p>
<p>De logische vraag is dan ook of het verstandig is om het wetsvoorstel van de Aanbestedingswet in zijn huidige vorm verder te behandelen en in te voeren. Er bestaat immers een kans dat Aanbestedingswet al snel achterhaald is wanneer na de inwerkingtreding van de Aanbestedingswet overeenstemming wordt bereikt over de voorgestelde herzieningen van de Europese aanbestedingsrichtlijnen waarin de Aanbestedingswet op dat moment dus niet voorziet.</p>
<p>De Nederlandse wetgever doet er verstandig aan om – anticiperend op de toekomstige Europese ontwikkelingen – de Aanbestedingswet alvast zoveel als mogelijk aan te passen. Dit zal het proces van vaststelling en de daarop volgende inwerktreding van de Aanbestedingswet zeer waarschijnlijk frustreren of toch in ieder geval weer vertragen.</p>
<p>Mr. Tom Oudenhoven aanbestedingsadvocaat, vakgroep aanbestedingsrecht</p><img src="http://feeds.feedburner.com/~r/dirkzwager_nl/~4/Ix1SOGO_fI8" height="1" width="1"/>]]></content:encoded>
      <feedburner:origLink>http://dirkzwageroverheid.nl/2012/01/20/herziening-aanbestedingsrichtlijnen-zet-invoering-aanbestedingswet-onder-druk/</feedburner:origLink></item>
      <item>
         <title>Regels voor tijdelijke verhuur van woningen worden versoepeld</title>
         <link>http://feedproxy.google.com/~r/dirkzwager_nl/~3/golzNhHcWvc/</link>
         <description>Het wordt voor huiseigenaren met twee woningen, die hun oude woning niet verkocht krijgen, gemakkelijker om deze woning tijdelijk te verhuren. Minister Spies van Binnenlandse Zaken heeft op 17 januari 2012 in een brief aan de Tweede Kamer aangegeven de regels voor tijdelijke verhuur onder de Leegstandswet te versoepelen.
Leegstandwet
De Leegstandwet biedt mogelijkheden om een te [...]</description>
         <guid isPermaLink="false">http://dirkzwagervastgoed.nl/?p=1886</guid>
         <pubDate>Thu, 19 Jan 2012 08:19:27 +0000</pubDate>
         <content:encoded><![CDATA[<p>Het wordt voor huiseigenaren met twee woningen, die hun oude woning niet verkocht krijgen, gemakkelijker om deze woning tijdelijk te verhuren. Minister Spies van Binnenlandse Zaken heeft op 17 januari 2012 in een <a rel="nofollow" target="_blank" href="http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/kamerstukken/2012/01/17/huur-op-maat-d66-nota-weg-met-de-wachtlijst-tijdelijk-huren-en-leegstandwet.html">brief</a> aan de Tweede Kamer aangegeven de regels voor tijdelijke verhuur onder de Leegstandswet te versoepelen.<span id="more-1886"></span></p>
<p><strong>Leegstandwet</strong><br />
De Leegstandwet biedt mogelijkheden om een te koop staande woning tijdelijk te verhuren. De leegstandwetvergunning is het wettelijke middel waarmee de huurbescherming wordt opgeheven. Deze vergunning moet worden aangevraagd bij de gemeente. Gemeenten dienen echter nu bij het afgeven van de vergunning de maximale huurprijs te vermelden zoals die op basis van het Woningwaarderingsstelsel kan worden bepaald. Minister Spies is voornemens om de procedure te vereenvoudigen, zodat deze categorie woningen geliberaliseerd kan worden verhuurd.</p>
<p>Daarnaast mogen de gemeenten geen extra voorwaarden meer stellen bij het verlenen van de leegstandwetvergunning en dienen zij enkel te controleren of de juiste woningen worden vrijgesteld van huurbescherming. Een en ander zal een aanpassing van de Leegstandwet vergen.</p>
<p>Ook zullen de banken hun medewerking moeten verlenen aan deze tijdelijke verhuur. De minister verwacht dat de banken positief zullen zijn, omdat tijdelijke verhuur op grond van de Leegstandwet hen de garantie geeft dat de woning niet in verhuurder staat verkocht hoeft te worden. Minister Spies heeft in haar brief laten weten op korte termijn met zowel de banken als met de minister van Financiën in overleg te gaan.</p><img src="http://feeds.feedburner.com/~r/dirkzwager_nl/~4/golzNhHcWvc" height="1" width="1"/>]]></content:encoded>
      <feedburner:origLink>http://dirkzwagervastgoed.nl/2012/01/19/regels-voor-tijdelijke-verhuur-van-woningen-worden-versoepeld/</feedburner:origLink></item>
      <item>
         <title>De loonsanctie en het UWV</title>
         <link>http://feedproxy.google.com/~r/dirkzwager_nl/~3/vuMcOwD97m0/</link>
         <description>In 2011 zijn ongeveer 50 uitspraken gewezen door de Centrale Raad van Beroep (CRvB) waarin door werkgevers hoger beroep is ingesteld tegen een door het UWV opgelegde loonsanctie. Bijna alle werkgevers hebben hierin bot gevangen. Bij nadere bestudering blijkt dat veel werkgevers zich zonder vrucht op eenzelfde grond beroepen. Deze grond zal ik, na een [...]</description>
         <guid isPermaLink="false">http://dirkzwagerarbeidsrecht.nl/?p=1334</guid>
         <pubDate>Wed, 18 Jan 2012 11:08:20 +0000</pubDate>
         <content:encoded><![CDATA[<p>In 2011 zijn ongeveer 50 uitspraken gewezen door de Centrale Raad van Beroep (CRvB) waarin door werkgevers hoger beroep is ingesteld tegen een door het UWV opgelegde loonsanctie. Bijna alle werkgevers hebben hierin bot gevangen. Bij nadere bestudering blijkt dat veel werkgevers zich zonder vrucht op eenzelfde grond beroepen. Deze grond zal ik, na een korte uiteenzetting over de loonsanctie, hier bespreken.<span id="more-1334"></span></p>
<p><strong>De loonsanctie</strong></p>
<p>De loonsanctie kan door het UWV worden opgelegd aan een werkgever op grond van de Wet WIA, indien er met de re-integratie van een werknemer geen bevredigend resultaat is behaald en de werkgever zonder deugdelijke grond te weinig re-integratie-inspanningen heeft verricht. De loonsanctie houdt in dat de werkgever verplicht wordt het loon van de werknemer maximaal 52 weken langer door te betalen. Omdat de werkgever al verplicht is de eerste 104 weken van ziekte het loon van de werknemer door te betalen, wordt door een loonsanctie de loondoorbetalingsperiode verlengd tot 156 weken. Indien de werkgever de door het UWV vastgestelde tekorten binnen die 52 weken herstelt, dan eindigt de loonsanctie zes weken nadat het UWV dit herstel heeft vastgesteld.</p>
<p>Na de aanvraag van een uitkering op grond van de Wet WIA door de werknemer, toetst het UWV of het re-integratieverslag compleet is. Indien het verslag compleet is, volgt daarna een inhoudelijke toetsing van de re-integratie-inspanningen. Deze toetsing begint met een beoordeling van het met de re-integratie bereikte resultaat. Wanneer dit resultaat bevredigend is, dan zal geen loonsanctie volgen. Een bevredigend resultaat is bereikt wanneer de werknemer gekomen is tot een werkhervatting die min of meer aansluit bij de resterende functionele mogelijkheden van de werknemer. Indien hier geen sprake van is, dan is er ook sprake van een bevredigend resultaat wanneer de werknemer werkzaamheden verricht waarmee hij tenminste 65% van zijn loon van vóór de arbeidsongeschiktheid verdient. De werkzaamheden moeten altijd een structureel karakter hebben.</p>
<p>Als geen bevredigend resultaat is behaald, dan toetst het UWV de re-integratie-inspanningen van de werkgever. Deze inspanningen worden mede getoetst op grond van de bestaande re-integratieverplichtingen die voortvloeien uit de wet en enkele regelingen, zoals de Regeling procesgang eerste en tweede ziektejaar en de Regeling beleidsregels beoordelingskader poortwachter. Hoofdcriterium voor het UWV is of werkgever en werknemer ‘in redelijkheid hebben kunnen komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht’. Indien geen sprake is van voldoende re-integratie-inspanningen, maar de werkgever daarvoor een deugdelijke grond had, dan volgt geen loonsanctie. Er is in ieder geval sprake van een deugdelijke grond indien de werknemer geen resterende arbeidsmogelijkheden meer heeft.</p>
<p><strong>Vaak voorkomende valkuil</strong></p>
<p>De loonsanctie is een zwaar middel. De financiële consequenties van een loonsanctie voor een werkgever zijn groot. Bovendien is het voor een werkgever moeilijk om gedurende de eerste 104 weken van arbeidsongeschiktheid zelfstandig te beoordelen of de re-integratie-inspanningen redelijk zijn.</p>
<p>In de jurisprudentie van 2011 valt op dat werkgevers zich vaak tegen een loonsanctie verweren door te stellen dat zij altijd zijn uitgegaan van (de juistheid van) het advies van de bedrijfsarts (of arbodienst). In die zaken heeft de verzekeringsarts van het UWV meestal méér resterende arbeidsmogelijkheden dan de bedrijfsarts vastgesteld bij de werknemer. Omdat de werkgever zijn re-integratie-inspanningen baseert op de resterende arbeidsmogelijkheden van de werknemer en daarbij afgaat op het oordeel van de bedrijfsarts, zal de werkgever als gevolg daarvan veelal te weinig re-integratie-inspanningen hebben verricht. Ook kan het zijn dat de bedrijfsarts volgens het UWV eerder had moeten concluderen dat re-integratie bij de eigen werkgever niet meer mogelijk was, zodat de werkgever te laat het tweede spoor heeft ingezet.</p>
<p>In dergelijke gevallen oordeelt de CRvB altijd dat de verantwoordelijkheid voor de re-integratie bij de werkgever ligt. Of de onvoldoende re-integratie-inspanningen feitelijk te wijten zijn aan de bedrijfsarts of aan een door de werkgever ingehuurd re-integratiebureau, doet daar niet aan af. Dat is wrang, omdat het niet onredelijk lijkt dat een werkgever mag afgaan op het oordeel van de bedrijfsarts. De bedrijfsarts is hiertoe immers de bevoegd deskundige; niet de werkgever.</p>
<p>Een goed voorbeeld is de uitspraak van de CRvB van 26 januari 2011 (LJN: BP2226). De werkneemster had een dienstverband van 32 uur per week. Vanwege haar arbeidsongeschiktheid hervatte zij de werkzaamheden in haar eigen werk in beginsel voor 16 uur per week. Omdat de re-integratie eerste spoor niet voldoende perspectief bood, werd het tweede spoor ingezet. Na een sollicitatietraining en een beroepskeuzeonderzoek is de werkneemster bij een andere werkgever werkzaamheden gaan verrichten. De werkgever heeft steeds geprobeerd de arbeidsongeschikte werkneemster meer uren te laten werken. De werkneemster gaf echter bij elke urenuitbreiding aan dat haar klachten toenamen, wat door de bedrijfsarts werd bevestigd. De werkneemster bleef daarom aan het einde van de wachttijd steken op 12 uur aan passende werkzaamheden per week bij de andere werkgever. De verzekeringsarts en later de bezwaarverzekeringsarts oordelen dat de werkneemster inzetbaar was in functies met een rugsparend karakter waarbij zij haar houding kon afwisselen. Een urenbeperking was voorts volgens de bezwaarverzekeringsarts niet nodig, indien rekening werd gehouden met de beperkingen die eerder door de arbodienst waren vastgesteld. Beide verzekeringartsen menen daarom dat de werkneemster zodoende 20 uur per week passende werkzaamheden had kunnen verrichten. De werkgever beriep zich er vervolgens op dat hij altijd de adviezen van de bedrijfsarts had opgevolgd, maar zonder resultaat. De werkgever had niet enkel uit mogen gaan van het oordeel van de bedrijfsarts, alsmede niet van de klachten van de werkneemster dat haar pijn toenam bij het werken van meer uren. Hij had, mede naar aanleiding van de rapportages van de arbodienst, meer re-integratie-inspanningen moeten verrichten.</p>
<p>Bedrijfsarts en werkgever moeten dus oppassen dat ze de arbeidsongeschikte werknemer – hoe goed bedoeld ook – niet teveel vrijheid geven in het bepalen van diens mogelijkheden tot het verrichten van arbeid. Ook moeten zij niet teveel de werkzaamheden afstemmen op de (vaak wisselende) klachten van de werknemer. Indien zij dat toch doen, is het mogelijk dat de werkgever uiteindelijk een loonsanctie krijgt opgelegd.</p>
<p><strong>Deskundigenoordeel UWV</strong></p>
<p>Wanneer er op enig moment geen volledige zekerheid bestaat over het voldoende zijn van de re-integratie-inspanningen, dan kan een werkgever het beste een deskundigenoordeel verzoeken bij het UWV. Dit oordeel kost thans € 50,00 en biedt een goede vooruitblik op de uiteindelijke beoordeling van de re-integratieactiviteiten. Het oordeel biedt een hoop voordelen en kan gedurende de re-integratie van de werknemer meer dan eens worden verzocht. Een voordeel is dat werkgever en werknemer weten hoe het UWV op dat moment oordeelt over de verrichte re-integratie-inspanningen. Zij weten dan of zij de re-integratie-inspanningen moeten aanpassen of ongewijzigd kunnen voortzetten. Een tweede voordeel is dat de werkgever daarmee richting het UWV toont dat hij zijn verantwoordelijkheid om de werknemer te laten re-integreren voldoende serieus neemt: hij laat de beoordeling immers niet enkel aan de bedrijfsarts over. Een derde voordeel komt voort uit de uitspraak van de CRvB van 20 juli 2011 (LJN: BR2382). De CRvB heeft hier geoordeeld dat een deskundigenoordeel als valide argument kan worden ingebracht tegen een opgelegde loonsanctie. Als uit het deskundigenoordeel volgt dat de re-integratie-inspanningen voldoende zijn, dan kan het UWV daar later niet op terugkomen. Het UWV kan dan enkel nog een loonsanctie opleggen omdat tussen het moment van het deskundigenoordeel en het moment van het eindoordeel de inspanningen alsnog onvoldoende zijn gebleken. Het zal echter niet altijd makkelijk zijn voor het UWV om dit aan te tonen.</p>
<p>Het deskundigenoordeel biedt zodoende een grote mate van zekerheid tegen een prijs die vele malen lager is dan die van een loonsanctie. Het verdient daarom aanbeveling om na het eerste ziektejaar en tijdens het tweede ziektejaar het UWV een deskundigenoordeel te verzoeken. Hiermee kan meer zekerheid worden verkregen over de verrichte re-integratie-inspanningen.</p><img src="http://feeds.feedburner.com/~r/dirkzwager_nl/~4/vuMcOwD97m0" height="1" width="1"/>]]></content:encoded>
      <feedburner:origLink>http://dirkzwagerarbeidsrecht.nl/2012/01/18/de-loonsanctie-en-het-uwv/</feedburner:origLink></item>
      <item>
         <title>Inhouse workshop: Tijdige projectrealisatie zonder meerkosten</title>
         <link>http://feedproxy.google.com/~r/dirkzwager_nl/~3/otzpTndjMsk/</link>
         <description>Het is een bekend probleem dat veel projecten niet op tijd gerealiseerd worden. Dat een project duurder uitvalt lijkt ook meer regel dan uitzondering. In een praktische en informele inhouse workshop worden (specifiek voor uw organisatie) tips gegeven voor een tijdige projectrealisatie zonder meerkosten.
Praktische onderwerpen
In een ochtend of middag worden onder andere de volgende onderwerpen [...]</description>
         <guid isPermaLink="false">http://dirkzwageroverheid.nl/?p=2835</guid>
         <pubDate>Mon, 16 Jan 2012 10:13:08 +0000</pubDate>
         <content:encoded><![CDATA[<p>Het is een bekend probleem dat veel projecten niet op tijd gerealiseerd worden. Dat een project duurder uitvalt lijkt ook meer regel dan uitzondering. In een praktische en informele inhouse workshop worden (specifiek voor uw organisatie) tips gegeven voor een tijdige projectrealisatie zonder meerkosten.<span id="more-2835"></span></p>
<p><strong>Praktische onderwerpen</strong><br />
In een ochtend of middag worden onder andere de volgende onderwerpen behandeld:<br />
• Maakt de eigen organisatiestructuur een degelijke en tijdige opdrachtverlening altijd mogelijk?<br />
• Is een eventuele eigen inkoopbeleid in de praktijk (nog steeds) goed toepasbaar?<br />
• Welke uitzonderingen op een (Europese) aanbestedingsplicht zijn er?<br />
• Moeten opdrachten aan (verschillende) projectmanagers worden opgeteld om te bepalen of er sprake is van een (Europese) aanbestedingsplicht?<br />
• Hoe voorkom je zo veel als mogelijk vertraging en geschillen bij een aanbestedingsprocedure?<br />
• Wat is de beste contractvorm?<br />
• Hoe voorkom je met een goed bestek meerwerk?<br />
• Hoe ga je bij aanbestedingen om met onredelijke (verreken)prijzen?<br />
• Moet meerwerk altijd schriftelijk worden opgedragen?<br />
• In hoeverre geeft onwerkbaar weer recht op bouwtijdverlenging?<br />
• Waar moet je bij de uitvoering (als directie) op letten?</p>
<p>De onderwerpen worden in een informele setting besproken waarbij volop gelegenheid is voor discussie. Uiteraard kan er dan ook worden ingegaan op concrete (overige) praktijkvragen.</p>
<p><strong>Voor wie?</strong><br />
De workshop is bedoeld voor eenieder binnen uw organisatie die met de voorbereiding en/of uitvoering van projecten te maken heeft. Aangezien de workshop bij de organisaties plaatsvindt (en slechts een dagdeel duurt), ligt het voor de hand om te veronderstellen dat veel medewerkers deel kunnen nemen.</p>
<p><strong>Ervaren specialist aan het woord</strong><br />
<em>Tony van Wijk</em><br />
De workshop wordt verzorgd door Tony van Wijk. Hij is als advocaat bij Dirkzwager gespecialiseerd in het aanbestedingsrecht, het bouwrecht en het staatssteunrecht. Hij begeleidt en adviseert diverse (semi-)overheden (gemeenten, waterschappen, ziekenhuizen, zorginstellingen en woningcorporaties) bij de aanbesteding en uitvoering van bouwprojecten. Ook heeft hij ruime ervaring met (spoed) aanbestedings- en bouwgeschillen bij de Raad van Arbitrage en de civiele (kort geding)rechter. In 2008 heeft Tony van Wijk de Grotius opleiding Europees en Nederlands aanbestedingsrecht afgerond (cum laude). Verder publiceert hij regelmatig in tijdschriften en op de kennispagina van Dirkzwager.</p>
<p><strong>Meer informatie</strong><br />
<em>Kosten?</em><br />
Voor het verzorgen van de inhouse workshop wordt een gereduceerd bedrag van € 850,- exclusief btw in rekening gebracht.<br />
<em>Meer informatie?</em><br />
Voor meer informatie of aanmelding kunt u contact opnemen met Tony van Wijk, e-mail: vanwijk@dirkzwager.nl of telefoon: 024 381 31 87</p><img src="http://feeds.feedburner.com/~r/dirkzwager_nl/~4/otzpTndjMsk" height="1" width="1"/>]]></content:encoded>
      <feedburner:origLink>http://dirkzwageroverheid.nl/2012/01/16/inhouse-workshop-tijdige-projectrealisatie-zonder-meerkosten/</feedburner:origLink></item>
      <item>
         <title>Auteursrecht op vuurkorf, verpakking en wikkel</title>
         <link>http://feedproxy.google.com/~r/dirkzwager_nl/~3/fo800j8cDrU/</link>
         <description>[1]Het Hof Leeuwarden heeft op 10 januari 2011 geoordeeld [2] dat de (links) afgebeelde vuurkorf auteursrechtelijk beschermd is, omdat daarbij 'verschillende vrije en creatieve keuzes zijn gemaakt'. Er zijn weliswaar enkele aspecten door hun technische functie bepaald, maar de vierhoekige vorm en de vierhoekige uitsparingen niet. Het ging hier om een door Esschert tegen S&amp;#38;S Import &amp;#38; Export aanhangig gemaakt geschil. De rechts afgebeelde vuurkorf van S&amp;#38;S is een auteursrechtinbreuk.

Dezelfde auteursrechtelijke bescherming wordt door het Hof aangenomen voor de bij de vuurkorven behorende verpakkingen en wikkels. Het Hof oordeelde dat alle drie deze werken los van elkaar moesten worden beoordeeld, en ieder voor zich op dezelfde beschermd zijn.

Auteursrechtinbreuk wordt aangenomen omdat het Hof de vuurkorven en verpakkingen "nagenoeg identiek" oordeelt, en er onvoldoende afstand is genomen met van die van Esschert.

S&amp;#38;S heeft onder meer nog het verweer opgeworpen dat Esschert geen auteursrechthebbende is omdat de vuurkorf door een ander (Roetenberg) is gemaakt. Het Hof oordeelt dat artikel 3.29 BVIE van toepassing is. Daaruit volgt, aldus het Hof, dat omdat Esschert opdracht heeft verstrekt aan Roetenberg de vuurkorf te maken (en er geen andersluidende afspraak is), Esschert automatisch auteursrechthebbende is geworden. Esschert heeft het opdrachtgeversauteursrecht. Het auteursrecht op de vuurkorf (en de verpakking) rust dus wel bij Esschert. Hieraan doet niet af dat de korf niet als model is gedeponeerd, want volgens het Hof is artikel 3.29 BVIE ook van toepassing op niet gedeponeerde modellen.

[1] http://dirkzwagerieit.nl/2012/01/16/auteursrecht-op-vuurkorf-verpakking-en-wikkel/vuurkorven-2/
[2] http://www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=BV0720&lt;img src="http://feeds.feedburner.com/~r/DirkzwagerAdvocatenIntellectueleEigendomenIT-recht/~4/nWxhV2F5RTo" height="1" width="1"/&gt;&lt;img src="http://feeds.feedburner.com/~r/dirkzwager_nl/~4/fo800j8cDrU" height="1" width="1"/&gt;</description>
         <guid isPermaLink="false">http://dirkzwagerieit.nl/?p=8857</guid>
         <pubDate>Mon, 16 Jan 2012 10:10:10 +0000</pubDate>
      <feedburner:origLink>http://feedproxy.google.com/~r/DirkzwagerAdvocatenIntellectueleEigendomenIT-recht/~3/nWxhV2F5RTo/</feedburner:origLink></item>
      <item>
         <title>Posters op canvas verboden</title>
         <link>http://feedproxy.google.com/~r/dirkzwager_nl/~3/WyDH9ub03gU/</link>
         <description>Allposters is in hoger beroep veroordeeld het aanbieden van 'canvas transfers' [1] van auteursrechtelijk beschermde werken te staken. Bij bestelling van een kunstreproductie (afbeelding op canvas) is haar werkwijze als volgt. Allposters neemt een papieren poster, brengt op die poster een kunststof laag laminaat aan, zet de afbeelding van het papier door gebruikmaking van een chemisch procedé over op een canvasdoek en spant het doek op een houten frame. Het procedé en het resultaat wordt 'canvas transfer' genoemd. Dit is een inbreuk op de auteursrechten van de rechthebbende op de werken die zo op canvas worden omgezet.

De rechtbank oordeelde eerder niet tot auteursrechtinbreuk, daar er geen sprake kan zijn van verveelvoudigen omdat sprake is en blijft van één afbeelding en voor 'canvas transfer' juist kenmerkend is dat de afbeelding niet wordt vermeerderd. Er is volgens de rechtbank ook geen sprake van een openbaarmaking, omdat de afbeelding niet wordt veranderd, geen nieuwe markt wordt aangesproken (posters en canvas transfers zijn allebei wanddecoratie), en een 'canvas tranfer' qua prijs dichtbij een ingelijste poster ligt.

Het Hof benadert de 'canvas transfers' beduidend anders. Het Hof oordeelt dat er een nieuwe openbaarmaking is indien het door de rechthebbende in het verkeer gebrachte exemplaar in een andere vorm onder het publiek wordt verspreid, leidend tot nieuwe exploitatiemogelijkheden. Het Hof oordeelt hierover het volgende.

Tijdens de 'canvas transfer' wordt de papieren poster vervangen door een afbeelding op een canvasdoek op een houten frame. De 'canvas transfer' heeft een wezenlijk andere toestand en krijgt ook een ander uiterlijk dan de poster, vanwege de zichtbare canvas achtergrond en het matte aanzien. De kleur van de 'canvas transfer' heeft ook een ander aanzien dan die van de poster.

Het Hof vergelijkt daarnaast de prijs van de poster (niet de ingelijste poster) met die van de 'canvas transfer'. Allposters kan met haar 'canvas transfers' een nieuw publiek bereiken, namelijk consumenten die meer geld willen uitgeven om een ander product aan de muur te hebben dan een poster (de 'canvas transfer' is duurder). Allposters verschaft zich dus een nieuwe exploitatiemogelijkheid.

Het beroep op het uitputtingsbeginsel is niet aan de orde. Dit beginsel houdt in dat wanneer een exempaar van het werk (de oorspronkelijke poster) door of met toestemming van de auteursrechthebbende in Europese Unie c.q. de Europese Economische Ruimte in het verkeer gebracht door eigendomsoverdracht, dan op grond van art. 12b van de Auteurswet de verdere verspreiding binnen de EU/EER vrij is. Echter, omdat reeds sprake is van auteursrechtinbreuk gaat dit beroep op uitputting niet op, aldus het Hof. Uitputting treedt niet op wanneer het gaat om verdere verspreiding van een exempaar van het werk dat een ingrijpende wijziging heeft ondergaan, zoals hier het geval is.

Kortom, de verhandeling van 'canvas transfers' levert een verboden openbaarmakingshandeling op. Allposters dient het aanbieden van 'canvas transfers' te staken, onder meer rekening en verantwoording af te leggen en moet de schade die de rechthebbende hebben geleden vergoeden.

[1] http://www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=BV0773&lt;img src="http://feeds.feedburner.com/~r/DirkzwagerAdvocatenIntellectueleEigendomenIT-recht/~4/7GCZi0GKc-w" height="1" width="1"/&gt;&lt;img src="http://feeds.feedburner.com/~r/dirkzwager_nl/~4/WyDH9ub03gU" height="1" width="1"/&gt;</description>
         <guid isPermaLink="false">http://dirkzwagerieit.nl/?p=8849</guid>
         <pubDate>Fri, 13 Jan 2012 14:46:19 +0000</pubDate>
      <feedburner:origLink>http://feedproxy.google.com/~r/DirkzwagerAdvocatenIntellectueleEigendomenIT-recht/~3/7GCZi0GKc-w/</feedburner:origLink></item>
      <item>
         <title>Milieu-effectrapport hoeft geen keuze te bevatten</title>
         <link>http://feedproxy.google.com/~r/dirkzwager_nl/~3/NEEWJcB1ihE/</link>
         <description>In zijn uitspraak over het tracébesluit Weguitbreiding Schiphol-Amsterdam-Almere heeft de Raad van State nog eens uitgelegd, wat precies de bedoeling is van een milieu-effectrapport (MER) voor latere keuzes. Onder verwijzing naar een eerdere uitspraak bevestigt de Raad van State nog eens, dat uiteindelijk best mag worden gekozen voor een variant die niet precies overeenstemt met [...]</description>
         <guid isPermaLink="false">http://dirkzwageroverheid.nl/?p=2831</guid>
         <pubDate>Fri, 13 Jan 2012 14:00:39 +0000</pubDate>
         <content:encoded><![CDATA[<p>In zijn uitspraak over het tracébesluit Weguitbreiding Schiphol-Amsterdam-Almere heeft de Raad van State nog eens uitgelegd, wat precies de bedoeling is van een milieu-effectrapport (MER) voor latere keuzes. Onder verwijzing naar een eerdere uitspraak bevestigt de Raad van State nog eens, dat uiteindelijk best mag worden gekozen voor een variant die niet precies overeenstemt met de uitvoeringen die in het MER zijn beschreven.<span id="more-2831"></span></p>
<p>Op 4 januari 2012 deed de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak over een groot aantal beroepen dat was ingesteld tegen het tracébesluit dat voorziet in de uitbreiding van ongeveer 63 kilometer autosnelweg op de A9, de A2, A10 Oost, de A1 en de A6 op het traject Schiphol-Amsterdam-Almere. Daarbij kwamen veel bestuursrechtelijke onderwerpen aan de orde, waaronder de rol en functie van het milieu-effectrapport in de besluitvorming.</p>
<p>Verscheidene appellanten verdedigden dat het MER dat was gemaakt niet aan het tracébesluit ten grondslag mocht worden gelegd, omdat het project waarop het tracébesluit zag na het opstellen daarvan nog ingrijpend was gewijzigd. De minister stelde daar tegenover, dat het tracé weliswaar op onderdelen was veranderd maar dat het geen wezenlijke wijzigingen betrof.</p>
<p>De Afdeling overwoog daarover:</p>
<p><em>Zoals de Afdeling in de uitspraak van 27 april 2011, in zaaknummer 201008134/1/M2 heeft overwogen houdt een milieu-effectrapport zelf niet een besluit over een bepaald project in.</em><br />
<em>Het rapport wordt opgesteld om voldoende milieu- informatie te verzamelen om tot besluitvorming over een project over te gaan. De in die besluitvorming gemaakte keuze (uitmondend in het tracébesluit) hoeft niet volledig overeen te stemmen met de in het milieu-effectrapport beschreven uitvoeringen van het project; zo’n eis zou betekenen dat het milieu-effectrapport zelf reeds een definitieve keuze over het project zou moeten inhouden. </em></p>
<p><em>Verder heeft de Afdeling in har uitspraak van 3 december 2008 in zaaknummer</em><br />
<em>200703693/1 overwogen dat het niet ongebruikelijk is en in beginsel is toegestaan, dat in procedures als hier aan de orde de beschikbare informatie wordt aangevuld gedurende de besluitvormingsprocedure. </em></p>
<p>Vervolgens onderzocht de Raad van State de wijzigingen die na het opstellen van het MER nog in het project waren doorgevoerd. Hij constateerde dat het daarbij niet ging om zodanige aanpassingen dat het MER niet meer kon worden gebruikt.</p>
<p>De Raad van State bevestigt hiermee nogmaals dat een MER niet meer is dan een hulpmiddel om tot besluitvorming te komen. Dat neemt naar mijn oordeel niet weg, dat in de uiteindelijke besluitvorming niet al te ver kan worden afgeweken van het project, zoals dat in het MER is onderzocht. De Wet milieubeheer eist immers dat het MER “de voorgenomen activiteit” beschrijft met daarnaast de alternatieven die redelijkerwijs in beschouwing dienen te worden genomen (art. 7.7 lid 1 Wet milieubeheer voor plannen, art. 7.23 lid 1 Wet milieubeheer voor besluiten). Wanneer het uiteindelijke besluit te veel afwijkt van het project zoals dat in het MER is beschreven kan met recht worden verdedigd dat “de voorgenomen activiteit” niet is onderzocht.</p>
<p>Met de uitspraak van 4 januari 2012 en de eerdere uitspraak heeft de Raad van State kennelijk willen benadrukken, dat bestuursorganen niet al te terughoudend hoeven te zijn om aanpassingen in het project door te voeren als dat na het verschijnen van het MER noodzakelijk wordt gevonden. Dit zal een vlotte besluitvorming ten goede komen.</p><img src="http://feeds.feedburner.com/~r/dirkzwager_nl/~4/NEEWJcB1ihE" height="1" width="1"/>]]></content:encoded>
      <feedburner:origLink>http://dirkzwageroverheid.nl/2012/01/13/milieueffectrapport-hoeft-geen-keuze-te-bevatten/</feedburner:origLink></item>
      <item>
         <title>De Noord-Zuidlijn: planschade of nadeelcompensatie; bindende dwarsprofielen en berekeningsmethode</title>
         <link>http://feedproxy.google.com/~r/dirkzwager_nl/~3/MjFyYjM3pIk/</link>
         <description>In zijn tussenuitspraak van 6 januari 2012 (LJN: BV0300) heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: ‘rechtbank’) zich uitgelaten over het vergoeden van planschade of nadeelcompensatie en over de rekenmethoden die de gemeente Amsterdam hanteert bij de vaststelling van nadeelcompensatie. Over de keuze tussen planschade en nadeelcompensatie en over de rekenles van de rechtbank kunt u hierna [...]</description>
         <guid isPermaLink="false">http://dirkzwageroverheid.nl/?p=2817</guid>
         <pubDate>Fri, 13 Jan 2012 11:15:34 +0000</pubDate>
         <content:encoded><![CDATA[<p>In zijn tussenuitspraak van 6 januari 2012 (<a rel="nofollow" target="_blank" href="http://www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=BV0300"><em>LJN</em>: BV0300</a>) heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: ‘rechtbank’) zich uitgelaten over het vergoeden van planschade of nadeelcompensatie en over de rekenmethoden die de gemeente Amsterdam hanteert bij de vaststelling van nadeelcompensatie. Over de keuze tussen planschade en nadeelcompensatie en over de rekenles van de rechtbank kunt u hierna meer lezen.<span id="more-2817"></span></p>
<p><strong>Feiten</strong><br />
De Noord-Zuidlijn kan met recht een hoofdpijndossier van de gemeente Amsterdam worden genoemd. De nieuwe metrolijn is zowel qua tijd als kosten al behoorlijk uitgelopen en de schade die panden aan de Vijzelgracht ondervonden van het boorwerk haalde uitgebreid het nieuws.<br />
In deze zaak gaat het ook om schade geleden ten gevolge van de Noord-Zuidlijn. Eiseres exploiteert twee tankstations langs de Nieuwe Leeuwarderweg in Amsterdam, waar in 2005 en 2006 werkzaamheden plaatsvinden voor het tot stand brengen van de Noord-Zuidlijn. Door de werkzaamheden is de bereikbaarheid van de tankstations verslechterd en is het verkeer ter plaatse afgenomen. Daardoor is het aantal bezoekers van de tankstations gedaald en lijdt eiseres schade. De vraag is echter hoe deze schade dient te worden gekwalificeerd en hoe de schade dient te worden berekend.</p>
<p><strong>Planschade of nadeelcompensatie</strong><br />
Eiseres is, conform het advies van de Schadecommissie Noord-Zuidlijn op grond van de Verordening Nadeelcompensatie en Planschade Noord-Zuidlijn (hierna: ‘Verordening’), een vergoeding van nadeelcompensatie toegekend van €45.178,- voor het jaar 2005 en €120.546,- voor het jaar 2006. Eiseres heeft in beroep gesteld dat ten onrechte geen planschade maar nadeelcompensatie is toegekend. Het vroegere planologische regime (uit 1961) bevatte een bindend wegprofiel en dat voorzag niet in verdiepte aanleg van de Noord-Zuidlijn. Door de artikel 19-vrijstelling zou dan een relevante planologische wijziging optreden, waardoor planschade dient te worden toegekend.</p>
<p>De gemeente stelde daartegenover dat het bewuste tracégedeelte voorafgaand aan het in werking treden van het nieuwe planologische regime al was opgenomen in het oude planologische regime. Het oude plan maakte de realisering mogelijk van wegen en tramlijnen met een tracébreedte van 54 meter. Het dwarsprofiel op de plankaart is volgens de gemeente niet bindend omdat het plan geen voorschriften bevatte die verwijzen naar het dwarsprofiel. Gemeente verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State (hierna: ‘Afdeling’) van 30 mei 1997 (AB 1997, 363), waarin de Afdeling een omslag heeft gemaakt. In die casus was de Afdeling van oordeel het dwarsprofiel geen bindend karakter heeft, omdat het plan geen voorschriften over het dwarsprofiel bevatte.</p>
<p>De Stab adviseert hierover dat de aanleg van de Noord-Zuidlijn op grond van het oude planologische regime <em>niet </em>mogelijk was, omdat het dwarsprofiel destijds volgens de (toen geldende) jurisprudentie bindende werking had. Deze jurisprudentie is pas in 1997, bij bovengenoemde uitspraak gewijzigd.</p>
<p>De rechtbank oordeelt anders dan de Stab. Namelijk dat gelet op bovengenoemde uitspraak van de Afdeling dat, nu het oude planologische regime geen voorschiften bevatte over het dwarsprofiel, dit geen bindend karakter heeft. Ook als hier sprake is van een omslag in de jurisprudentie, betekent dit rechtens dat dit altijd zo geacht moet worden te zijn geweest. Dit betekent dat het oude planologische regime zich niet verzette tegen verdiepte aanleg van de trambaan. Nu het oude plan verder al voorzag in een verkeerstracé van 50 meter breed kan bovendien niet worden gesteld dat door het nieuwe plan en door de artikel 19-vrijstelling een relevante planologische wijziging optreedt. De rechtbank ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat de gemeente planschade in plaats van nadeelcompensatie had moeten toekennen.</p>
<p><strong>Rekenen met de rechtbank</strong><br />
De rechtbank constateert een aantal gebreken bij het uitrekenen van de door de gemeente toe te kennen vergoeding.</p>
<p>Allereerst is de rechtbank van oordeel dat de gemeente een onjuiste referentieperiode voor het schadejaar 2005 heeft gehanteerd. Gemeente heeft de vijf voorgaande jaargangen, te weten 2000-2004 als referentiejaren gebruikt, maar had het jaar 2000 buiten beschouwing moeten laten. Door de langdurige afsluiting van de (nabijgelegen) IJ-tunnel in 2000, als gevolg waarvan sprake was van een bijzonder ongunstig jaar, had moeten worden uitgegaan van de omzet in de referentiejaren 2001 tot en met 2004.</p>
<p>Verder heeft de rechtbank zich uitgelaten over de brutowinstmarges op brandstofverkopen. Partijen zijn het erover eens dat de brutowinstmarges in de schadejaren 2005 en 2006 aanzienlijk lager zijn dan in de referentieperiode 2001-2004. Partijen verschillen echter van mening over de oorzaak van deze daling. Bij de omzetbenadering is het gebruikelijk dat het gemiddelde brutowinstpercentage over de referentieperiode beschouwd wordt als het te verwachten brutowinstpercentage in de schadejaren en daarom als uitgangspunt wordt genomen.<br />
De gemeente had betoogd dat de daling van de brutomarges op de behaalde omzet van eiseres gelijk is aan de daling bij concurrenten en daarom het gevolg is van een in groter verband optredende druk op de brutowinstmarges. De gemeente betwist dus het causaal verband tussen de omzetdaling en de werkzaamheden aan de Noord-Zuidlijn.<br />
De rechtbank is echter van oordeel dat de brutowinstmarges pas voor het eerst in de schadejaren zijn gedaald en dat de gemeetne niet aannemelijk heeft gemaakt dat dit ook in het concrete geval van eiseres is toe te schrijven aan een in groter verband optredende druk op de brutowinstmarges van benzinestations. Om die reden moet volgens de rechtbank het causaal verband tussen de daling van de brutowinstmarges en de aanleg van de Noord-Zuidlijn aannemelijk worden geacht.<br />
Een zelfde oordeel heeft de rechtbank ten aanzien van de gedaalde shopverkopen.</p>
<p>De rechtbank heeft zich ook nog uitgelaten over de kostenbesparingen. Bij de omzetbenadering is het gebruikelijk om op de berekende gederfde brutowinst kostenbesparingen in mindering te brengen. Hierbij worden de gemiddelde geïndexeerde kosten over de referentiejaren vergeleken met de kosten in de schadejaren. Minder bezoekers aan de tankstations leveren immers niet alleen een lagere omzet op, maar ook kostenbesparingen zoals bijvoorbeeld lagere personeelskosten. Door het mindere werk kan immers personeel verdwijnen. Om deze kostenbesparingen in mindering te kunnen brengen moeten ze echter wel het gevolg zijn geweest van de schadegebeurtenis.<br />
De personeelskosten, verkoopkosten en de exploitatievergoeding zijn in de schadejaren lager ten opzichte van de referentiejaren en de rechtbank acht het aannemelijk dat deze kostenbesparing samenhangt met de aanleg van de Noord-Zuidlijn. Bij de huisvestingskosten en de algemene kosten daarentegen, is er geen sprake geweest van een daling in de schadejaren, maar juist van een stijging. In navolging van de Stab is het de rechtbank dan ook niet duidelijk waarom de gemeente ter zake is uitgegaan van een besparing. Tevens geeft de rechtbank de gemeente mee dat zij bij een nieuwe schadeberekening moet onderzoeken of de variabele bedragen wel geïndexeerd moeten worden. Eiseres geeft hierover immers aan de variabele kosten rechtstreeks samenhangen met de omzet in liters en volgen uit haar contract met BP. Dit levert volgens eiseres een lagere besparing op dan door verweerder is berekend.</p>
<p>Tot slot laat de rechtbank zich nog uit over de kosten van juridische en deskundige bijstand. Eiseres heeft voor kosten een forfaitaire vergoeding van €1500 toegekend gekregen, maar dit bedrag valt in het niet bij de daadwerkelijke kosten. Eiseres heeft €70.663,12 aan kosten van deskundige rechtsbijstand gemaakt en €20.839,88 aan kosten van de accountant. Volgens eiseres zijn dit redelijke kosten gezien de gecompliceerdheid en financiële belang.<br />
De rechtbank ziet echter geen grond voor het oordeel dat het forfaitaire bedrag van €1500 voor de fase voorafgaande aan het primaire besluit niet redelijk is. De overgelegde jaarrekeningen had eiseres al tot haar beschikking en de uit één bladzijde bestaande eigen schadeberekening kan met het toegekende bedrag van €500, voor het ondersteunen bij het indienen van het verzoek, geacht worden te zijn vergoed.</p>
<p>Op basis van deze overwegingen heeft de rechtbank op grond van de bestuurlijke lus van artikel 8:51a Awb de gemeente in de gelegenheid gesteld die hierboven genoemde gebreken te herstellen. De gemeente is nu aan zet en moet de gebreken binnen drie maanden herstellen. Wordt vervolgd dus…(evenals de Noord-Zuidlijn).</p><img src="http://feeds.feedburner.com/~r/dirkzwager_nl/~4/MjFyYjM3pIk" height="1" width="1"/>]]></content:encoded>
      <feedburner:origLink>http://dirkzwageroverheid.nl/2012/01/13/de-noordzuidlijn-planschade-of-nadeelcompensatie-bindende-dwarsprofielen-en-berekeningsmethode/</feedburner:origLink></item>
      <item>
         <title>Ondanks weigeren renovatievoorstel geen einde huurovereenkomst winkelruimte</title>
         <link>http://feedproxy.google.com/~r/dirkzwager_nl/~3/WuFjdSaQtoI/</link>
         <description>Als een huurder van een winkelruimte een renovatievoorstel van de verhuurder weigert, dan brengt dit niet vanzelfsprekend met zich mee dat de verhuurder de huurovereenkomst kan opzeggen of laten ontbinden. Recentelijk heeft de kantonrechter van de rechtbank in ’s-Gravenhage (LJN: BT5855) dit nog eens bevestigd.
De zaak
Huurder huurt een kiosk in een winkelcentrum. Hierin exploiteert huurder [...]</description>
         <guid isPermaLink="false">http://dirkzwagervastgoed.nl/?p=1880</guid>
         <pubDate>Fri, 13 Jan 2012 09:31:50 +0000</pubDate>
         <content:encoded><![CDATA[<p>Als een huurder van een winkelruimte een renovatievoorstel van de verhuurder weigert, dan brengt dit niet vanzelfsprekend met zich mee dat de verhuurder de huurovereenkomst kan opzeggen of laten ontbinden. Recentelijk heeft de kantonrechter van de rechtbank in ’s-Gravenhage (<a rel="nofollow" target="_blank" href="http://www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=BT5855"><em>LJN</em>: BT5855</a>) dit nog eens bevestigd.<img title="Meer..." src="http://dirkzwageroverheid.nl/wp-includes/js/tinymce/plugins/wordpress/img/trans.gif" alt=""/><span id="more-1880"></span></p>
<p><strong>De zaak</strong><br />
Huurder huurt een kiosk in een winkelcentrum. Hierin exploiteert huurder een pizzeria. Verhuurder heeft besloten het winkelcentrum te renoveren en een gedeelte te slopen. De pizzeria van huurder zal gesloopt worden. Verhuurder heeft aan huurder gevraagd mee te werken aan de renovatie. In de huurovereenkomst is opgenomen dat de huurder de renovatie moet gedogen zonder recht te hebben op vermindering van de huurprijs of schadevergoeding. Ondanks deze bepaling heeft de huurder wel een vergoeding aangeboden gekregen. De huurder heeft echter tot vier maal toe geweigerd om mee te werken aan de renovatie. Andere huurders zijn reeds akkoord gegaan met de renovatieplannen.</p>
<p>Aangezien huurder weigert mee te werken aan de renovatieplannen vordert verhuurder ontbinding van de huurovereenkomst. Verhuurder voert aan dat hij het gehuurde persoonlijk in duurzaam gebruik wil nemen voor herontwikkeling en renovatie en het daartoe dringend nodig heeft. Daarnaast voert hij aan dat huurder toerekenbaar tekortschiet in de nakoming van zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst, doordat hij handelt in strijd met de algemene bepalingen waarin onder andere is bepaald dat huurder onderhoud en renovatie zal gedogen als hij van verhuurder een redelijk renovatievoorstel heeft gehad.</p>
<p><strong>De beoordeling</strong><br />
Huurder stelt dat de algemene voorwaarden een onredelijk beding bevatten en roept de kantonrechter op tot vernietiging hiervan. De kantonrechter oordeelt ook dat de bepaling in de algemene voorwaarden, waarin staat dat huurder renovatie moet gedogen zonder recht te hebben op vermindering van huurprijs en schadevergoeding, onredelijk bezwarend en vernietigbaar is. Echter omdat verhuurder wel een vergoeding heeft aangeboden, acht de kantonrechter deze bepaling in dit geval niet onredelijk bezwarend en ook niet vernietigbaar.</p>
<p>De kantonrechter heeft vervolgens beoordeeld of het weigeren van een redelijk renovatievoorstel een toerekenbare tekortkoming is van huurder in de nakoming van zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst of dat op grond daarvan verhuurder kan vorderen dat de huurovereenkomst wordt ontbonden. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat huurder in beginsel niet aan een redelijk bevonden voorstel gebonden is. Huurder behoort vrij te zijn een dergelijk voorstel niet te aanvaarden. Een weigering betekent dus niet vanzelfsprekend dat dit een toerekenbare tekortkoming oplevert die ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt.</p>
<p><strong>Commentaar</strong><br />
Zoals volgt uit deze uitspraak is het altijd van belang om na te gaan of de bepalingen in de huurovereenkomst een rechtelijke toets kunnen doorstaan. Zoals in dit geval is gebleken, kan bijvoorbeeld een vernietigbare bepaling hersteld worden door separaat een vergoeding aan te bieden of de huurder op een andere wijze tegemoet te komen.</p><img src="http://feeds.feedburner.com/~r/dirkzwager_nl/~4/WuFjdSaQtoI" height="1" width="1"/>]]></content:encoded>
      <feedburner:origLink>http://dirkzwagervastgoed.nl/2012/01/13/ondanks-weigeren-renovatievoorstel-geen-einde-huurovereenkomst-winkelruimte/</feedburner:origLink></item>
      <item>
         <title>Zwaarwegende belangen van verhuurder voor de opzegging van een huurovereenkomst van woonruimte</title>
         <link>http://feedproxy.google.com/~r/dirkzwager_nl/~3/5DFHs7wkbj4/</link>
         <description>Het gerechtshof te ’s-Gravenhage heeft onlangs in een arrest geoordeeld dat indien er sprake is van een structurele wanverhouding tussen exploitatiekosten en huuropbrengsten het gerechtvaardigd is dat verhuurder de huurovereenkomst opzegt voor renovatieplannen. Daarnaast heeft het hof (nogmaals) uitleg gegeven aan de opzeggingsgrond ‘dringend eigen gebruik’ in geval van een renovatie (LJN: BT2447).
De zaak
Huurder huurt [...]</description>
         <guid isPermaLink="false">http://dirkzwageroverheid.nl/?p=2826</guid>
         <pubDate>Fri, 13 Jan 2012 08:30:12 +0000</pubDate>
         <content:encoded><![CDATA[<p>Het gerechtshof te ’s-Gravenhage heeft onlangs in een arrest geoordeeld dat indien er sprake is van een structurele wanverhouding tussen exploitatiekosten en huuropbrengsten het gerechtvaardigd is dat verhuurder de huurovereenkomst opzegt voor renovatieplannen. Daarnaast heeft het hof (nogmaals) uitleg gegeven aan de opzeggingsgrond ‘dringend eigen gebruik’ in geval van een renovatie (<a rel="nofollow" target="_blank" href="http://www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=BT2447"><em>LJN</em>: BT2447</a>).<span id="more-2826"></span></p>
<p><strong>De zaak</strong><br />
Huurder huurt van een woningcorporatie een benedenwoning. Deze woning is onderdeel van een renovatieproject van 69 woningen. Begin 2000 stonden de woningen, gebouwd in 1920, nog op de nominatie om gesloopt te worden. In 2004 is echter besloten om over te gaan tot renovatie. In het uiteindelijke plan dat aan de huurders is voorgelegd, hebben alle bewoners een terugkeergarantie gekregen en is de nieuwe huurprijs vastgesteld op 80% van de maximale huurprijs die volgens het puntensysteem gevraagd zou kunnen worden. Ook is de totale huurprijs onder de bereikbaarheidsgrens gebleven.<br />
Omdat de renovatie volgens de corporatie niet mogelijk is zonder beëindiging van de huurovereenkomst, zegt zij de huurovereenkomst van de benedenwoning op. Huurder is het hier niet mee eens en stemt niet in met de huuropzegging. Hierop volgt een procedure bij de kantonrechter. De kantonrechter heeft de beëindiging van de huurovereenkomst vastgesteld en de huurder veroordeeld tot ontruiming van het gehuurde om de renovatie mogelijk te maken.</p>
<p><strong>Opzegging op grond van dringend eigen gebruik in verband met een renovatie</strong><br />
In hoger beroep betwist huurder dat de huurovereenkomst had mogen worden beëindigd op grond van dringend eigen gebruik. Uit de wet volgt dat de huur kan worden beëindigd indien de verhuurder aannemelijk maakt dat hij het verhuurde zo dringend nodig heeft voor eigen gebruik, dat van hem, de belangen van beide partijen naar billijkheid in aanmerking genomen, niet kan worden gevergd dat de huurovereenkomst wordt verlengd. Onder eigen gebruik wordt mede begrepen renovatie van de woonruimte die zonder beëindiging van de huur niet mogelijk is.<br />
Huurder stelt dat er geen sprake zou zijn van een renovatie, maar van het uitvoeren van achterstallig onderhoud. Van het uitvoeren van achterstallig onderhoud is volgens het hof echter geen sprake, omdat daarvoor onder meer een verzoek van huurder ontbreekt. Daarnaast stelt het hof dat het niet zozeer van belang is of de werkzaamheden als renovatie dan wel (groot) onderhoud worden gekwalificeerd, omdat de verhuurder zich ook in deze situatie kan beroepen op dringend eigen gebruik. Voor de vraag wat de reden is voor de opzegging van de huur is niet beslissend de letterlijke tekst van de opzeggingsbrief, maar de betekenis die de huurder in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs aan de inhoud van de opzeggingsbrief mocht toekennen.</p>
<p><strong>Geen voortzetting van de huurovereenkomst</strong><br />
Uiteraard blijft wel vereist dat de huurder aannemelijk maakt dat hij het verhuurde zo dringend nodig heeft voor eigen gebruik, dat van hem, de belangen van beide partijen naar billijkheid in aanmerking genomen, niet kan worden gevergd dat de huurovereenkomst wordt verlengd. Zoals uit eerdere rechtspraak blijkt, levert het enkele feit dat de verhuurder een verbouwing / renovatie wil uitvoeren geen grond op voor het aannemen van dringend eigen gebruik. Indien er sprake is van <span style="text-decoration:underline;">een structurele wanverhouding tussen de exploitatiekosten en de huuropbrengsten</span> kan dit anders liggen. In deze zaak heeft de woningcorporatie naast haar financiële belangen nog andere belangen aangevoerd. Het hof is daarom van oordeel dat: <em>“gelet op, samengevat, de vergaande negatieve financiële consequenties van de gedane investeringen in geval van voortzetting van de huur, het feit dat bij gebreke van renovatie de woningen gesloopt hadden moeten worden, het feit dat na uitgebreid overleg met (een deel van) de bewoners en aanpassing van de plannen aan hun wensen de meerderheid van de bewoners akkoord is gegaan en tot slot het feit dat in het aangepaste — veel duurdere — plan de bereikbaarheid van woningen is gewaarborgd, de keuze van de woningcorporatie voor opzegging van de huur gerechtvaardigd was en dat het belang van de corporatie bij opzegging zwaarder dient te wegen dan het individuele belang van huurder.”</em><br />
Het hoger beroep van huurder faalt.</p>
<p><strong>Conclusie</strong><br />
De afgelopen tijd zijn de rechters wat strenger gaan toetsen of voldaan is aan de eis dat een renovatie noodzakelijk is en de huurovereenkomst als gevolg daarvan niet in stand kan blijven. Een van die aanscherpingen is onder meer dat alleen bij een structurele wanverhouding tussen de exploitatiekosten en huuropbrengsten er grond kan zijn voor een huurbeëindiging. Een verhuurder doet er dus goed aan om zijn renovatieplan uitvoerig te motiveren en in een vroeg stadium het plan met de huurders te bespreken. Zonder deugdelijke onderbouwing van de renovatie, zal de rechter niet snel overgaan tot het beëindigen van een huurovereenkomst. De huurder van woonruimte geniet nu eenmaal vergaande huurbescherming, zodat de rechter een huuropzegging altijd strikt zal toetsen. Om goed beslagen ten ijs te komen is het voor een verhuurder zaak om vóór de huuropzegging en vóór het informeren van de huurders juridische bijstand in te roepen.</p><img src="http://feeds.feedburner.com/~r/dirkzwager_nl/~4/5DFHs7wkbj4" height="1" width="1"/>]]></content:encoded>
      <feedburner:origLink>http://dirkzwageroverheid.nl/2012/01/13/zwaarwegende-belangen-voor-verhuurder-voor-de-opzegging-van-een-huurovereenkomst-van-woonruimte/</feedburner:origLink></item>
      <item>
         <title>Raad van State: reikwijdte beschermd dorpsgezicht; parkeren en piekgeluiden</title>
         <link>http://feedproxy.google.com/~r/dirkzwager_nl/~3/0npu7eG15Mk/</link>
         <description>In haar uitspraak van 11 januari 2012 heeft de Raad van State meerdere beroepen tegen het bestemmingsplan “Kom Warmond 2009” gegrond verklaard en het raadsbesluit met betrekking tot meerdere plandelen vernietigd (LJN: BV0600). Hieronder vindt u een samenvatting van de belangrijkste overwegingen van de Raad van State over het beschermd dorpsgezicht, de verkeersveiligheid en het [...]</description>
         <guid isPermaLink="false">http://dirkzwageroverheid.nl/?p=2813</guid>
         <pubDate>Thu, 12 Jan 2012 15:20:25 +0000</pubDate>
         <content:encoded><![CDATA[<p>In haar uitspraak van 11 januari 2012 heeft de Raad van State meerdere beroepen tegen het bestemmingsplan “Kom Warmond 2009” gegrond verklaard en het raadsbesluit met betrekking tot meerdere plandelen vernietigd (<a rel="nofollow" target="_blank" href="http://www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=BV0600"><em>LJN</em>: BV0600</a>). Hieronder vindt u een samenvatting van de belangrijkste overwegingen van de Raad van State over het beschermd dorpsgezicht, de verkeersveiligheid en het parkeren, het vertrouwensbeginsel en piekgeluiden.<span id="more-2813"></span></p>
<p>Het bewuste bestemmingsplan voorziet onder meer in ruimere bouwmogelijkheden voor het bestaande zorgcomplex, en in de positieve bestemming van een aannemersbedrijf.</p>
<p><strong>Geen aantasting beschermd dorpsgezicht</strong><br />
Naar aanleiding van de beroepsgrond over de gevolgen van de verbouwing van het oorspronkelijke zorgcomplex tot koopappartementen voor het beschermde dorpsgezicht stelt de Afdeling voorop dat de reikwijdte van een aanwijzing tot beschermd dorpsgezicht niet zover gaat dat de bescherming die daarvan uitgaat van toepassing is op hetgeen niet in de aanwijzing is begrepen. Daarom is het van belang dat de begrenzing van het beschermde dorpsgezicht zodanig is gekozen als nodig is voor de handhaving van het te beschermen stadsbeeld, ook van buitenaf. De gevolgen van daarbuiten vallende bebouwing voor het beschermde dorpsgezicht kunnen slechts tezamen met alle andere belangen in het kader van een goede ruimtelijke ordening worden betrokken. Van een onevenredige aantasting van het beschermde dorpsgezicht was volgens de Afdeling geen sprake.</p>
<p><strong>Verkeersveiligheid en parkeren: plan onzorgvuldig vastgesteld</strong><br />
De Afdeling acht gegrond de beroepen gericht tegen het ontbreken van een onderzoek naar de gevolgen van het plan voor de verkeersveiligheid. Nu de raad in de reactie op de zienswijzen zelf te kennen geeft dat een dergelijk onderzoek noodzakelijk is, is het plan zonder een dergelijk onderzoek onzorgvuldig vastgesteld.</p>
<p>Ook op het punt van parkeren gaat de Afdeling mee appellanten. Met betrekking tot parkeren had de raad als uitgangspunt genomen dat bij nieuwe ontwikkelingen het daaraan gerelateerde parkeervraagstuk op de ontwikkelingslocatie zelf moet worden opgelost, waarbij het streven is om &#8211; als daar ruimte voor is &#8211; ook een oplossing te bieden voor mogelijke parkeervraagstukken in de directe omgeving. Het plan maakt binnen de bestemming &#8220;Maatschappelijk&#8221; parkeervoorzieningen mogelijk, maar sluit verwezenlijking voor andere doeleinden dan parkeren ook niet uit. Volgens de plantoelichting zullen ter plaatse daadwerkelijk parkeervoorzieningen worden verwezenlijkt. In de plantoelichting was echter niet vermeld hoeveel parkeerplaatsen ten behoeve van het woonzorgcomplex benodigd zijn en hoeveel parkeerplaatsen gerealiseerd zullen worden. Verder bleek nergens uit wat de norm is waar het aantal parkeerplaatsen voor het woonzorgcomplex aan dient te voldoen. Evenmin was inzichtelijk gemaakt dat met het plan wat betreft het woonzorgcomplex aan deze norm kan worden voldaan. Met het ter zitting ingenomen standpunt dat toetsing aan de parkeernorm in de procedure omtrent verlening van de bouwvergunning aan de orde zal komen gaat de raad er volgens de Afdeling ten onrechte aan voorbij dat reeds ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan inzichtelijk dient te zijn of met het bestemmingsplan aan de parkeerbehoefte vanwege het woonzorgcomplex voldaan kan worden. De Afdeling oordeelde dan ook dat de raad zich er onvoldoende van heeft vergewist of het plan voorziet in voldoende parkeerplaatsen voor het woonzorgcomplex.</p>
<p><strong>Geen schending vertrouwensbeginsel</strong><br />
De Woningstichting had in haar beroep tegen de naar haar oordeel ontoereikende bouwmogelijkheden betoogd dat het vertrouwensbeginsel was geschonden. De Afdeling overweegt daarover dat de Woonstichting niet aannemelijk heeft gemaakt dat door de raad verwachtingen zijn gewekt dat het plan in dezelfde bouwmogelijkheden zou voorzien als het ontwerpplan dat overeenstemde met het bouwplan. Aan de in wet vastgelegde procedure is inherent dat de raad het plan anders kan vaststellen dan het ontwerp.</p>
<p>Voor zover Woonstichting betoogde dat er sprake was van schriftelijke toezeggingen van het college van burgemeester en wethouders die aan de raad kunnen worden toegerekend, overweegt de Afdeling (met verwijzing naar zijn uitspraak van 2 september 2009 in zaak nr. 200808366/1/H1) dat voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel nodig dat aan het desbetreffende bestuursorgaan toe te rekenen, concrete ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegde derde, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend. Daargelaten de uitleg en strekking van de bewuste brief van het college van burgemeester en wethouders, is de raad niet aan het in deze brief gestelde gebonden en heeft hij in zoverre anders kunnen besluiten. Daarbij overweegt de Afdeling dat het aannemelijk is dat de raad wist van de brief van het college van burgemeester en wethouders van 25 mei 2007 en dat hij deze brief in zijn afwegingen heeft betrokken. De raad heeft het plan op dit punt derhalve niet in strijd met het vertrouwensbeginsel vastgesteld.</p>
<p><strong>Positieve bestemming voor aannemersbedrijf in woongebied niet zorgvuldig</strong><br />
Verder slaagden de beroepen tegen het positief bestemmen van een aannemersbedrijf in een woongebied. De raad had in het besluit omtrent de vaststelling van het plan betoogd dat hij naar aanleiding van de uitspraak van de voorzitter van de Afdeling van 3 mei 2011 (nr. 201002182/2/R1) alsnog in de komende wijziging van het bestemmingsplan gemotiveerd zou aangeven dat in de nabijheid van het aannemersbedrijf een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd.<br />
De Afdeling is van oordeel dat onvoldoende is gemotiveerd dat ter plaatse van de nabij het voorziene aannemersbedrijf gelegen woningen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd. Zij verwijst voor de motivering van dit oordeel naar rechtsoverweging 2.3.2 in de uitspraak van de voorzitter van 3 mei 2010, en neemt dus geen genoegen met de aankondiging van een nadere onderbouwing in de komende planwijziging.</p>
<p><strong>Piekgeluiden moeten worden betrokken bij belangenafweging</strong><br />
Maar ook in het kader van het beroep tegen de planwijziging oordeelt de Afdeling dat de aanzienlijke afwijking van de in de VNG-brochure opgenomen indicatieve afstanden niet gerechtvaardigd is. De omgeving van het perceel is door de raad ten onrechte als een gemengd gebied en niet als een rustige woonwijk aangemerkt. De raad had de afwijking van de afstanden in de VNG-brochure onderbouwd met de verwijzing naar een akoestisch onderzoek. De Afdeling overweegt (r.o. 2.23.8) dat in het Akoestisch onderzoek is vermeld dat ter plaatse van de achtergevels van de woningen Herenweg 19, 21, 23 en 27 en ter plaatse van de woning Sweilandstraat 20 ter hoogte van de begane grond piekgeluiden optreden van 71 dB. Dit betekent een overschrijding met 1 dB van het maximaal toegestane geluidniveau op grond van het Activiteitenbesluit voor piekgeluiden gedurende de dag van 70 dB. Verder was in het Akoestisch onderzoek vermeld dat ingevolge artikel 2.17, eerste lid en onder a, van het Activiteitenbesluit in de periode tussen zeven uur &#8216;s ochtends en zeven uur &#8216;s avonds op laad- en losactiviteiten het maximaal toegestane geluidniveau niet van toepassing is en dat het vallen en stoten van materialen het gevolg zijn van laad- en losactiviteiten, zodat deze overschrijding niet tot de conclusie kan leiden dat de geluidnormen worden overschreden. Hiermee gaat de raad er ten onrechte aan voorbij dat hij de piekgeluiden niettemin bij de vaststelling van een bestemmingsplan in het kader van de vereiste belangenafweging dient te betrekken. In aanmerking genomen dat het perceel onder het vorige plan geen bedrijfsbestemming had en de in het plan gelegde bestemming &#8220;Bedrijf&#8221; in planologisch opzicht derhalve de vestiging van het aannemersbedrijf voor het eerst mogelijk maak en nu volgens het Akoestisch onderzoek sprake is van piekgeluiden gedurende de dag van 71 dB, terwijl er tevens sprake is van een grote afwijking van de richtafstand die ingevolge de VNG-brochure aangehouden dient te worden en aan drie zijden van het perceel woningen zijn gelegen op korte afstand, oordeelt de Afdeling dat de raad niet in redelijkheid de positieve bestemming voor het aannemersbedrijf met een goede ruimtelijke ordening in overeenstemming heeft kunnen achten. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het timmerbedrijf zich ter plaatse in strijd met het geldende planologische regime heeft gevestigd en dus geen sprake is van verworven rechten.</p><img src="http://feeds.feedburner.com/~r/dirkzwager_nl/~4/0npu7eG15Mk" height="1" width="1"/>]]></content:encoded>
      <feedburner:origLink>http://dirkzwageroverheid.nl/2012/01/12/raad-van-state-reikwijdte-beschermd-dorpsgezicht-parkeren-en-piekgeluiden/</feedburner:origLink></item>
      <item>
         <title>Ondanks weigeren renovatievoorstel geen einde huurovereenkomst winkelruimte</title>
         <link>http://feedproxy.google.com/~r/dirkzwager_nl/~3/5Njd8cQPCTw/</link>
         <description>Als een huurder van een winkelruimte een renovatievoorstel van de verhuurder weigert, dan brengt dit niet vanzelfsprekend met zich mee dat de verhuurder de huurovereenkomst kan opzeggen of laten ontbinden. Recentelijk heeft de kantonrechter van de rechtbank in ’s-Gravenhage (LJN: BT5855) dit nog eens bevestigd.
De zaak
Huurder huurt een kiosk in een winkelcentrum. Hierin exploiteert huurder [...]</description>
         <guid isPermaLink="false">http://dirkzwageroverheid.nl/?p=2821</guid>
         <pubDate>Thu, 12 Jan 2012 14:31:24 +0000</pubDate>
         <content:encoded><![CDATA[<p>Als een huurder van een winkelruimte een renovatievoorstel van de verhuurder weigert, dan brengt dit niet vanzelfsprekend met zich mee dat de verhuurder de huurovereenkomst kan opzeggen of laten ontbinden. Recentelijk heeft de kantonrechter van de rechtbank in ’s-Gravenhage (<a rel="nofollow" target="_blank" href="http://www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=BT5855"><em>LJN</em>: BT5855</a>) dit nog eens bevestigd.<span id="more-2821"></span></p>
<p><strong>De zaak</strong><br />
Huurder huurt een kiosk in een winkelcentrum. Hierin exploiteert huurder een pizzeria. Verhuurder heeft besloten het winkelcentrum te renoveren en een gedeelte te slopen. De pizzeria van huurder zal gesloopt worden. Verhuurder heeft aan huurder gevraagd mee te werken aan de renovatie. In de huurovereenkomst is opgenomen dat de huurder de renovatie moet gedogen zonder recht te hebben op vermindering van de huurprijs of schadevergoeding. Ondanks deze bepaling heeft de huurder wel een vergoeding aangeboden gekregen. De huurder heeft echter tot vier maal toe geweigerd om mee te werken aan de renovatie. Andere huurders zijn reeds akkoord gegaan met de renovatieplannen.</p>
<p>Aangezien huurder weigert mee te werken aan de renovatieplannen vordert verhuurder ontbinding van de huurovereenkomst. Verhuurder voert aan dat hij het gehuurde persoonlijk in duurzaam gebruik wil nemen voor herontwikkeling en renovatie en het daartoe dringend nodig heeft. Daarnaast voert hij aan dat huurder toerekenbaar tekortschiet in de nakoming van zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst, doordat hij handelt in strijd met de algemene bepalingen waarin onder andere is bepaald dat huurder onderhoud en renovatie zal gedogen als hij van verhuurder een redelijk renovatievoorstel heeft gehad.</p>
<p><strong>De beoordeling</strong><br />
Huurder stelt dat de algemene voorwaarden een onredelijk beding bevatten en roept de kantonrechter op tot vernietiging hiervan. De kantonrechter oordeelt ook dat de bepaling in de algemene voorwaarden, waarin staat dat huurder renovatie moet gedogen zonder recht te hebben op vermindering van huurprijs en schadevergoeding, onredelijk bezwarend en vernietigbaar is. Echter omdat verhuurder wel een vergoeding heeft aangeboden, acht de kantonrechter deze bepaling in dit geval niet onredelijk bezwarend en ook niet vernietigbaar.</p>
<p>De kantonrechter heeft vervolgens beoordeeld of het weigeren van een redelijk renovatievoorstel een toerekenbare tekortkoming is van huurder in de nakoming van zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst of dat op grond daarvan verhuurder kan vorderen dat de huurovereenkomst wordt ontbonden. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat huurder in beginsel niet aan een redelijk bevonden voorstel gebonden is. Huurder behoort vrij te zijn een dergelijk voorstel niet te aanvaarden. Een weigering betekent dus niet vanzelfsprekend dat dit een toerekenbare tekortkoming oplevert die ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt.</p>
<p><strong>Commentaar</strong><br />
Zoals volgt uit deze uitspraak is het altijd van belang om na te gaan of de bepalingen in de huurovereenkomst een rechtelijke toets kunnen doorstaan. Zoals in dit geval is gebleken, kan bijvoorbeeld een vernietigbare bepaling hersteld worden door separaat een vergoeding aan te bieden of de huurder op een andere wijze tegemoet te komen.</p><img src="http://feeds.feedburner.com/~r/dirkzwager_nl/~4/5Njd8cQPCTw" height="1" width="1"/>]]></content:encoded>
      <feedburner:origLink>http://dirkzwageroverheid.nl/2012/01/12/ondanks-weigeren-renovatievoorstel-geen-einde-huurovereenkomst-winkelruimte/</feedburner:origLink></item>
      <item>
         <title>Zwaarwegende belangen van verhuurder voor de opzegging van een huurovereenkomst van woonruimte</title>
         <link>http://feedproxy.google.com/~r/dirkzwager_nl/~3/WpUIXP0jPbQ/</link>
         <description>Het gerechtshof te ’s-Gravenhage heeft onlangs in een arrest geoordeeld dat indien er sprake is van een structurele wanverhouding tussen exploitatiekosten en huuropbrengsten het gerechtvaardigd is dat verhuurder de huurovereenkomst opzegt voor renovatieplannen. Daarnaast heeft het hof (nogmaals) uitleg gegeven aan de opzeggingsgrond ‘dringend eigen gebruik’ in geval van een renovatie (LJN: BT2447).
De zaak
Huurder huurt [...]</description>
         <guid isPermaLink="false">http://dirkzwagervastgoed.nl/?p=1882</guid>
         <pubDate>Thu, 12 Jan 2012 14:00:05 +0000</pubDate>
         <content:encoded><![CDATA[<p>Het gerechtshof te ’s-Gravenhage heeft onlangs in een arrest geoordeeld dat indien er sprake is van een structurele wanverhouding tussen exploitatiekosten en huuropbrengsten het gerechtvaardigd is dat verhuurder de huurovereenkomst opzegt voor renovatieplannen. Daarnaast heeft het hof (nogmaals) uitleg gegeven aan de opzeggingsgrond ‘dringend eigen gebruik’ in geval van een renovatie (<a rel="nofollow" target="_blank" href="http://www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=BT2447"><em>LJN</em>: BT2447</a>).<img title="Meer..." src="http://dirkzwageroverheid.nl/wp-includes/js/tinymce/plugins/wordpress/img/trans.gif" alt=""/><span id="more-1882"></span></p>
<p><strong>De zaak</strong><br />
Huurder huurt van een woningcorporatie een benedenwoning. Deze woning is onderdeel van een renovatieproject van 69 woningen. Begin 2000 stonden de woningen, gebouwd in 1920, nog op de nominatie om gesloopt te worden. In 2004 is echter besloten om over te gaan tot renovatie. In het uiteindelijke plan dat aan de huurders is voorgelegd, hebben alle bewoners een terugkeergarantie gekregen en is de nieuwe huurprijs vastgesteld op 80% van de maximale huurprijs die volgens het puntensysteem gevraagd zou kunnen worden. Ook is de totale huurprijs onder de bereikbaarheidsgrens gebleven.<br />
Omdat de renovatie volgens de corporatie niet mogelijk is zonder beëindiging van de huurovereenkomst, zegt zij de huurovereenkomst van de benedenwoning op. Huurder is het hier niet mee eens en stemt niet in met de huuropzegging. Hierop volgt een procedure bij de kantonrechter. De kantonrechter heeft de beëindiging van de huurovereenkomst vastgesteld en de huurder veroordeeld tot ontruiming van het gehuurde om de renovatie mogelijk te maken.</p>
<p><strong>Opzegging op grond van dringend eigen gebruik in verband met een renovatie</strong><br />
In hoger beroep betwist huurder dat de huurovereenkomst had mogen worden beëindigd op grond van dringend eigen gebruik. Uit de wet volgt dat de huur kan worden beëindigd indien de verhuurder aannemelijk maakt dat hij het verhuurde zo dringend nodig heeft voor eigen gebruik, dat van hem, de belangen van beide partijen naar billijkheid in aanmerking genomen, niet kan worden gevergd dat de huurovereenkomst wordt verlengd. Onder eigen gebruik wordt mede begrepen renovatie van de woonruimte die zonder beëindiging van de huur niet mogelijk is.<br />
Huurder stelt dat er geen sprake zou zijn van een renovatie, maar van het uitvoeren van achterstallig onderhoud. Van het uitvoeren van achterstallig onderhoud is volgens het hof echter geen sprake, omdat daarvoor onder meer een verzoek van huurder ontbreekt. Daarnaast stelt het hof dat het niet zozeer van belang is of de werkzaamheden als renovatie dan wel (groot) onderhoud worden gekwalificeerd, omdat de verhuurder zich ook in deze situatie kan beroepen op dringend eigen gebruik. Voor de vraag wat de reden is voor de opzegging van de huur is niet beslissend de letterlijke tekst van de opzeggingsbrief, maar de betekenis die de huurder in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs aan de inhoud van de opzeggingsbrief mocht toekennen.</p>
<p><strong>Geen voortzetting van de huurovereenkomst</strong><br />
Uiteraard blijft wel vereist dat de huurder aannemelijk maakt dat hij het verhuurde zo dringend nodig heeft voor eigen gebruik, dat van hem, de belangen van beide partijen naar billijkheid in aanmerking genomen, niet kan worden gevergd dat de huurovereenkomst wordt verlengd. Zoals uit eerdere rechtspraak blijkt, levert het enkele feit dat de verhuurder een verbouwing / renovatie wil uitvoeren geen grond op voor het aannemen van dringend eigen gebruik. Indien er sprake is van een structurele wanverhouding tussen de exploitatiekosten en de huuropbrengsten kan dit anders liggen. In deze zaak heeft de woningcorporatie naast haar financiële belangen nog andere belangen aangevoerd. Het hof is daarom van oordeel dat: <em>“gelet op, samengevat, de vergaande negatieve financiële consequenties van de gedane investeringen in geval van voortzetting van de huur, het feit dat bij gebreke van renovatie de woningen gesloopt hadden moeten worden, het feit dat na uitgebreid overleg met (een deel van) de bewoners en aanpassing van de plannen aan hun wensen de meerderheid van de bewoners akkoord is gegaan en tot slot het feit dat in het aangepaste — veel duurdere — plan de bereikbaarheid van woningen is gewaarborgd, de keuze van de woningcorporatie voor opzegging van de huur gerechtvaardigd was en dat het belang van de corporatie bij opzegging zwaarder dient te wegen dan het individuele belang van huurder.”</em><br />
Het hoger beroep van huurder faalt.</p>
<p><strong>Conclusie</strong><br />
De afgelopen tijd zijn de rechters wat strenger gaan toetsen of voldaan is aan de eis dat een renovatie noodzakelijk is en de huurovereenkomst als gevolg daarvan niet in stand kan blijven. Een van die aanscherpingen is onder meer dat alleen bij een structurele wanverhouding tussen de exploitatiekosten en huuropbrengsten er grond kan zijn voor een huurbeëindiging. Een verhuurder doet er dus goed aan om zijn renovatieplan uitvoerig te motiveren en in een vroeg stadium het plan met de huurders te bespreken. Zonder deugdelijke onderbouwing van de renovatie, zal de rechter niet snel overgaan tot het beëindigen van een huurovereenkomst. De huurder van woonruimte geniet nu eenmaal vergaande huurbescherming, zodat de rechter een huuropzegging altijd strikt zal toetsen. Om goed beslagen ten ijs te komen is het voor een verhuurder zaak om vóór de huuropzegging en vóór het informeren van de huurders juridische bijstand in te roepen.</p><img src="http://feeds.feedburner.com/~r/dirkzwager_nl/~4/WpUIXP0jPbQ" height="1" width="1"/>]]></content:encoded>
      <feedburner:origLink>http://dirkzwagervastgoed.nl/2012/01/12/zwaarwegende-belangen-van-verhuurder-voor-de-opzegging-van-een-huurovereenkomst-van-woonruimte/</feedburner:origLink></item>
      <item>
         <title>Verhandeling gereviseerde waar: merkrecht met succes gehandhaafd tegen reparateur</title>
         <link>http://feedproxy.google.com/~r/dirkzwager_nl/~3/_K9fNvSW3f0/</link>
         <description>Het collectieve merk EPAL, ingeschreven voor pallets, is met succes ingeroepen tegen een onderneming (Wijnmalen) die de reparatie van pallets met daarop het EPAL-merk verzorgt. Deze onderneming verhandelende de pallets ook verder. De reden is dat de reparateur zich bij de revisie van de pallets niet aan de door de merkhouder voorgeschreven eisen hield, waardoor de merkhouder zich tegen het wederverkopen kon verzetten. De uitspraak van de Rechtbank 's-Gravenhage hierover [1] behandelt de vereisten van het verhandelen van gereviseerde waren in het licht van recente rechtspraak hierover. Het bijzondere is ook dat deze zaak een collectief merk betreft.

Een belangrijke eis is dat degene die gereviseerde waren verhandelt, bij die verhandeling alles doet wat redelijkerwijs mogelijk is om duidelijk te maken dat het niet gaat om onder controle van de merkhouder gereviseerde waren. Aan die eis werd niet voldaan door Wijnmalen, aldus de rechtbank:

'Wijnmaalen vermeldt niet bij of op de door haar gerepareerde pallets dat het niet om oorspronkelijke waren gaat maar om (door haar) gerepareerde waren noch brengt Wijnmalen op of bij de door haar gerepareerde pallets tekens aan die dit duidelijk maken.' 

Hoewel het voor Wijnmalen mogelijk is het merk weg te lakken, deed zij dit niet. De rechtbank overweegt dat onder deze omstandigheden bij afnemers de onjuiste indruk kan worden gewekt dat er een economische band bestaat tussen de merkhouder en Wijnmalen, meer in het bijzonder de indruk dat Wijnmalen tot het distributienet van de merkhouder behoort of daarbij als licentienemer/reparateur is aangesloten of dat er een andere bijzondere band is.

Daar komt bij dat gerepareerde pallets later bij anderen dan de afnemers van Wijnmalen terecht kunnen komen die niet kunnen weten dat het om (door Wijnmalen) gerepareerde pallets gaat, waardoor de reputatie van het EPAL-merk in het geding kan komen.

Kort gezegd is aldus sprake van merkinbreuk, in dit geval op het collectieve Gemeenschapsmerk EPAL. Wijnmalen wordt daarom met name veroordeeld de verhandeling van gerepareerde EPAL-pallets te staken en informatie bekend te maken over zijn handelwijze.

[1] http://www.ieforum.nl/index.php?//Geen+sprake+van+gedogen+van+een+jonger+merk////29591/&lt;img src="http://feeds.feedburner.com/~r/DirkzwagerAdvocatenIntellectueleEigendomenIT-recht/~4/NXSIUIAqhP0" height="1" width="1"/&gt;&lt;img src="http://feeds.feedburner.com/~r/dirkzwager_nl/~4/_K9fNvSW3f0" height="1" width="1"/&gt;</description>
         <guid isPermaLink="false">http://dirkzwagerieit.nl/?p=8845</guid>
         <pubDate>Thu, 12 Jan 2012 13:20:06 +0000</pubDate>
      <feedburner:origLink>http://feedproxy.google.com/~r/DirkzwagerAdvocatenIntellectueleEigendomenIT-recht/~3/NXSIUIAqhP0/</feedburner:origLink></item>
      <item>
         <title>Perceel kwalificeert als bouwterrein door voorzieningen in de omgeving</title>
         <link>http://feedproxy.google.com/~r/dirkzwager_nl/~3/6-ygZmOrcro/</link>
         <description>De wet op de Omzetbelasting gaat er als hoofdregel vanuit dat de levering van onroerende zaken vrijgesteld is van omzetbelasting. Dat is anders als er sprake is van een bouwterrein. Hiervan kan onder meer sprake zijn bij de levering van onbebouwde grond ten aanzien waarvan in de omgeving bewerkingen plaatsvinden of hebben plaatsgevonden met het [...]</description>
         <guid isPermaLink="false">http://dirkzwagervastgoed.nl/?p=1877</guid>
         <pubDate>Thu, 12 Jan 2012 09:34:43 +0000</pubDate>
         <content:encoded><![CDATA[<p>De wet op de Omzetbelasting gaat er als hoofdregel vanuit dat de levering van onroerende zaken vrijgesteld is van omzetbelasting. Dat is anders als er sprake is van een bouwterrein. Hiervan kan onder meer sprake zijn bij de levering van onbebouwde grond ten aanzien waarvan in de omgeving bewerkingen plaatsvinden of hebben plaatsgevonden met het oog op de bebouwing van de grond.<span id="more-1877"></span></p>
<p>In de casus die door het Hof Den Haag op 27 december 2011 is berecht (<a rel="nofollow" target="_blank" href="http://www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=BV0160"><em>LJN</em>: BV0160</a>) hebben drie ondernemers verschillende bij elkaar gelegen percelen aan een koper X geleverd. Aangezien twee van de ondernemers voor de levering bewerkingen aan hun onbebouwde terreinen hadden laten verrichten met het oog op de bebouwing van het terrein door X en het terrein van de derde eigenaar eveneens onbebouwd was heeft men bij de levering over de koopsom BTW geheven en is voor de overdrachtsbelasting een beroep gedaan op de vrijstelling van artikel 15 lid 1 letter a Wet op belastingen van rechtsverkeer (de samenloopvrijstelling).</p>
<p>De belastinginspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat terzake van de verkrijging van het perceel van de derde verkoper er geen sprake is van een op grond van de wet met omzetbelasting belaste levering, zodat er geen toepassing van de samenloopvrijstelling kon plaatsvinden en er sprake is van de verschuldigdheid van overdrachtsbelasting. Dit omdat de drie percelen fysiek zijn gescheiden en zich voor zelfstandig gebruik leenden en aan het derde perceel geen bewerkingen hadden plaatsgevonden.</p>
<p>Het Hof overweegt evenwel dat in de omgeving van het derde perceel een sloot en greppels zijn gedempt. Daarmee zijn voorzieningen in de omgeving van de percelen getroffen met het oog op de bebouwing van het derde perceel die ertoe leiden dat ook dit perceel als bouwterrein is aan te merken zodat omzetbelasting is verschuldigd en de samenloopvrijstelling van toepassing is.</p><img src="http://feeds.feedburner.com/~r/dirkzwager_nl/~4/6-ygZmOrcro" height="1" width="1"/>]]></content:encoded>
      <feedburner:origLink>http://dirkzwagervastgoed.nl/2012/01/12/perceel-kwalificeert-als-bouwterrein-door-voorzieningen-in-de-omgeving/</feedburner:origLink></item>
      <item>
         <title>Programma seminars eerste helft 2012</title>
         <link>http://feedproxy.google.com/~r/dirkzwager_nl/~3/EoerCrNgXjw/</link>
         <description>In de eerste helft 2012 zullen wij weer meerdere seminars organiseren over Intellectuele Eigendom en IT-recht. Hieronder treft u het programma voor de tweede helft van 2011 aan. 

Donderdag 16 februari 2012 - Seminar Adwords: wat mag wel en wat mag niet? Meer informatie [1]

Dinsdag 13 maart 2012 - Seminar IT-geschillen. Meer informatie [2]

Woensdag 4 april 2012 - De licentielunch: "tips &amp;#38; tricks" opgediend. Meer informatie [3]

Donderdag 10 mei 2012 - Seminar cloudcomputing. Meer informatie [4]

Donderdag 7 juni 2012 - Seminar Auteursrecht voor ondernemers. Meer informatie [5]

Woensdag 20 juni 2012 - SLA-Lunch. Meer informatie [6]

Tijd en locatie 
Tenzij anders aangegeven zijn de bijeenkomsten van 14.00 uur tot 17.00 uur en worden ze afgesloten met een borrel. De bijeenkomsten vinden allen plaats in ons kantoor Arnhem aan de Velperweg 1. Ze zijn gratis voor cliënten van Dirkzwager. De kosten voor niet-cliënten bedragen € 175,-- exclusief BTW.

Aanmelden
U kunt zich nu al vast aanmelden via onze website op de centrale aanmeldpagina [7] of telefonisch 026 - 353 83 77/23. Mocht u anderen willen uitnodigen of interesseren om ook naar één of meer van deze bijeenkomsten te komen dan stellen wij dat zeer op prijs.

Wij ontvangen u graag op één of meer van de bijeenkomsten.

Met vriendelijke groet,
Dirkzwager advocaten &amp;#38; notarissen N.V.

Advocaten van de sectie Intellectuele Eigendom en IT-Recht

Jaap Kronenberg [8]
Theo Bosboom [9]
Ernst-Jan van de Pas [10]
Joost Becker [11]
Mark Jansen [12]
Lot Nelissen [13]

[1] http://dirkzwagerieit.nl/2011/12/28/16022012-seminar-adwords/
[2] http://dirkzwagerieit.nl/2011/12/28/01032012-workshop-itgeschillen-20/
[3] http://dirkzwagerieit.nl/2011/12/28/04042012-de-licentielunch-atips-tricksa-opgediend/
[4] http://dirkzwagerieit.nl/2011/12/28/10052012-seminar-cloudcomputing/
[5] http://dirkzwagerieit.nl/2011/12/28/3-auteursrecht-voor-ondernemers-copyright-or-the-right-to-copy-762012/
[6] http://dirkzwagerieit.nl/2011/12/28/20062012-slalunch/
[7] http://dirkzwagerieit.nl/aanmelden-voor-workshops/
[8] http://dirkzwagerieit.nl/author/kronenberga/
[9] http://dirkzwagerieit.nl/author/bosboomt/
[10] http://dirkzwagerieit.nl/author/pase/
[11] http://dirkzwagerieit.nl/author/beckerj/
[12] http://dirkzwagerieit.nl/author/jansenm/
[13] http://dirkzwagerieit.nl/author/nelissenC/&lt;img src="http://feeds.feedburner.com/~r/DirkzwagerAdvocatenIntellectueleEigendomenIT-recht/~4/gArtPXOCbyo" height="1" width="1"/&gt;&lt;img src="http://feeds.feedburner.com/~r/dirkzwager_nl/~4/EoerCrNgXjw" height="1" width="1"/&gt;</description>
         <guid isPermaLink="false">http://dirkzwagerieit.nl/?p=8814</guid>
         <pubDate>Wed, 11 Jan 2012 13:00:47 +0000</pubDate>
         <category>Evenement</category>
      <feedburner:origLink>http://feedproxy.google.com/~r/DirkzwagerAdvocatenIntellectueleEigendomenIT-recht/~3/gArtPXOCbyo/</feedburner:origLink></item>
      <item>
         <title>Ziggo en XS4ALL moeten the Pirate Bay binnen twee weken blokkeren</title>
         <link>http://feedproxy.google.com/~r/dirkzwager_nl/~3/o5JYkvmJXj8/</link>
         <description>De rechtbank Den Haag heeft op 11 januari 2012 geoordeeld [1] dat de providers Ziggo en XS4ALL binnen 10 werkdagen (twee weken) na betekening van het vonnis de toegang tot the Pirate Bay voor hun abonnees onmogelijk moeten maken. Ook toekomstige (IP-)adressen van the Pirate Bay moeten op verzoek van Brein binnen twee weken worden geblokkeerd. 

De procedure loopt alweer enige tijd. Op 28 juni 2010 heeft Brein Ziggo en XS4ALL gedagvaard en (samengevat) gevorderd dat deze providers veroordeeld moeten worden om de toegang tot the Pirate Bay voor haar abonnees onmogelijk te maken. Na het wisselen van allerlei stukken heeft uiteindelijk op 11 november 2011 pleidooi in de zaak plaatsgevonden. Vervolgens is op 11 januari 2012 het vonnis gewezen.

Het vonnis van de rechtbank is uitvoerig gemotiveerd. Alle denkbare argumenten voor en verweren tegen het gevraagde verbod lijken aan de orde te zijn geweest. Deze zal ik in dit bericht niet allemaal behandelen, hiervoor verwijs ik graag naar de uitspraak [2].

Portal voor downloaden torrents

De uitspraak komt in de kern op het volgende neer. Op de website the Pirate Bay staan zogenaamde torrents gepubliceerd. Dit zijn (kleine) bestanden die (technische) informatie bevatten waarmee computergebruiker die beschikken over een BitTorrent-programma bestanden kunnen downloaden (zoals films, muziek en software). De bestanden die worden gedownload staan op de computer van andere BitTorrent-gebruikers. Iedere BitTorrent-gebruiker biedt, in beginsel, de bestanden die hij downloadt zelf ook weer (ter upload) aan andere BitTorrent-gebruikers aan.

Rechtbank: providers tussenpersoon bij inbreuk rechten door abonnees

Tussen partijen is niet in geschil dat uploaden van illegaal materiaal door gebruikers van The Pirate Bay naar Nederlands recht inbreuk maakt op de auteursrechten en naburige rechten van de rechthebbenden. De vraag is vervolgens of Ziggo en XS4ALL als provider zijn aan te merken als "tussenpersoon" bij die inbreuk op die rechten (als bedoeld in de artikelen 26d Auteurswet [3] en 15e Wet op de naburige rechten [4]). De rechtbank oordeelt dat dit het geval is.

Gevorderde gebod voldoet aan eisen van subsidiariteit

Vervolgens is de vraag of het door Brein gevorderde gebod voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Er moet met andere woorden een weging gemaakt worden tussen de belangen van de providers (en hun abonnees) en Brein (en de daarbij aangesloten rechthebbenden). Een vordering die disproportioneel is of niet voldoet aan eisen van subsidiariteit mag namelijk niet worden toegewezen (zie in dat kader onder meer het arrest Scarlet/Sabam [5]).

De rechtbank toetst eerst aan de eisen van subsidiariteit ("kan hetzelfde doel ook op minder ingrijpende wijze worden bereikt?"). In het kader van die belangenafweging komen allerlei argumenten naar voren. Brein wijst er op dat al op andere manieren is geprobeerd the Pirate Bay tot stoppen te dwingen. The Pirate Bay negeert echter diverse rechterlijke uitspraken, vandaar dat Brein zich genoodzaakt ziet zich tot de providers te wenden. Ook het aanpakken van de uploaders zelf blijkt erg lastig, nu providers weigeren de NAW-gegevens af te geven. Bovendien wijst Brein er op dat op the Pirate Bay nauwelijks legaal aanbod is te vinden.

Naar mijn idee is de volgende overweging van de rechtbank, voor wat betreft de subsidiariteit, een van de kernoverwegingen bij deze belangenafweging:
4.28.  Onder de gegeven omstandigheden dient de belangenafweging naar het oordeel van de rechtbank in het voordeel van de rechthebbenden uit te vallen. Dat het merendeel van de abonnees van Ziggo en XS4ALL (thans) niet filesharen via The Pirate Bay en dus geen inbreuk maken op de rechten van de rechthebbenden terwijl zij toch worden getroffen door een blokkade, zoals Ziggo en XS4ALL op zich terecht stellen, leidt niet tot een ander oordeel. Voor zover die abonnees van plan waren om via The Pirate Bay illegaal materiaal te gaan uitwisselen en daarbij inbreuk te maken, is dat geen rechtens te respecteren belang. Voor zover zij voornemens waren om The Pirate Bay te bezoeken zonder inbreuk te maken, is hun belang beperkt, gegeven het marginale legale aanbod en de mogelijkheid om via andere websites kennis te nemen van dat legale aanbod. Dat beperkte belang weegt niet op tegen de bescherming van de partijen die bij Brein zijn aangesloten tegen de in aantal omvangrijke inbreuken op hun rechten via The Pirate Bay die door toewijzing van de blokkade kunnen worden voorkomen. Daarbij neemt de rechtbank voorts in aanmerking dat het gaat om het blokkeren van de toegang naar een website waarvan de beheerders door de rechtbank Amsterdam reeds zijn veroordeeld om die website - derhalve met inbegrip van de daarop aangeboden legale content - ontoegankelijk te maken (zie het vonnis van 16 juni 2010).
Gevorderde gebod voldoet aan eisen van proportionaliteit

De rechtbank toetst ook of het gevorderde gebod voldoet aan de eisen van proportionaliteit. De providers voeren in dat kader aan dat het doorvoeren van de gevorderde maatregelen grote technische risico's met zich brengt. Brein stelt daar, onderbouwd met bewijs, echter tegenover dat in het buitenland al succesvol blokkades zijn toegepast. Daaruit blijkt bovendien dat dit hooguit tot hele kortstondige uitval van de dienstverlening hoeft te leiden. De rechter gaat mee in die stellingen van Brein.

De providers voeren verder aan dat de maatregelen niet proportioneel zijn omdat ze zullen worden omzeild. De rechtbank overweegt dat er ongetwijfeld abonnees zijn die de blokkade weten te omzeilen, maar dat dit op zichzelf het gevraagde gebod nog niet disproportioneel maakt. Daarbij telt ook mee dat in het buitenland is gebleken dat een blokkade wel degelijk een effectieve maatregel blijkt te zijn.

Het gevraagde gebod stuit dus niet af op de eisen van proportionaliteit.

Abonnees Ziggo en XS4ALL kunnen the Pirate Bay straks niet meer bezoeken

Na behandeling van nog enkele andere verweren (die ik in dit bericht onbesproken laat), komt de rechtbank dan ook tot het oordeel dat het gevraagde verbod toegewezen kan worden. Ziggo en XS4ALL worden bevolen om, binnen 10 werkdagen na betekening van het vonnis, enkele specifieke domeinnamen en IP-adressen van The Pirate Bay te blokkeren. Ook worden de providers bevolen om, mocht the Pirate Bay vanaf andere (IP-)adressen gaan opereren, steeds binnen 10 werkdagen nadat Brein de providers hiervan op de hoogte heeft gesteld ook die andere (IP-)adressen van the Pirate Bay te blokkeren.

Met andere woorden: binnen twee weken na betekening van het vonnis zal the Pirate Bay in beginsel niet meer te bezoeken zijn voor abonnees van Ziggo en XS4ALL (behoudens toepassing van technische truukjes). Brein heeft bovendien een heel effectief middel in handen om ieder nieuw (IP-)adres van the Pirate Bay binnen twee weken ontoegankelijk te maken voor abonnees van deze providers.

Wordt ongetwijfeld vervolgd....

Het roept wel de vraag op wat er gebeurt wanneer the Pirate Bay haar site van naam verandert of wanneer de mensen achter de huidige site een nieuwe site beginnen voor de uitwisseling van torrents. Het huidige gebod ziet specifiek op the Pirate Bay. Het lijkt er dus op dat Brein niet naar believen (IP-)adressen ter blokkade aan de providers kan aanleveren. Steeds zal getoetst moeten worden of het door Brein aangeleverde (IP-)adres wel een adres van the Pirate Bay is. Zo niet, dan zal opnieuw de gang naar de rechter moeten worden gemaakt. Dit zal ongetwijfeld nog wel de nodige discussie tussen partijen opleveren.

Ook om andere redenen zou het me niets verbazen wanneer deze uitspraak zal leiden tot vervolgprocedures (hoger beroep en executiegeschillen). Deze uitspraak raakt de kern van de dienstverlening van providers. Ik kan me goed voorstellen dat dit voor hen (sterk) meeweegt bij de afweging om in hoger beroep te gaan.

Voor Brein is een mogelijk belang van hoger beroep gelegen in de proceskosten. De rechtbank overweegt dat het wetsartikel op grond waarvan Brein in beginsel recht heeft op vergoeding van haar volledige kosten (€ 148.262,44) van toepassing is. Vervolgens matigt de rechtbank deze kosten echter tot het normale liquidatietarief (€ 2.218,78) omdat Ziggo en XS4ALL geen verwijt treft van de inbreuk door haar abonnees. Mogelijk dat Brein die matiging in hoger beroep aan de orde wil stellen.

[1] http://www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=BV0549
[2] http://www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=BV0549
[3] http://wetten.overheid.nl/BWBR0001886/HoofdstukII/Artikel26d/
[4] http://wetten.overheid.nl/BWBR0005921/Hoofdstuk3/Artikel15e/
[5] http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=CELEX:62010CJ0070:NL:NOT&lt;img src="http://feeds.feedburner.com/~r/DirkzwagerAdvocatenIntellectueleEigendomenIT-recht/~4/VaTp3HFMPQ8" height="1" width="1"/&gt;&lt;img src="http://feeds.feedburner.com/~r/dirkzwager_nl/~4/o5JYkvmJXj8" height="1" width="1"/&gt;</description>
         <guid isPermaLink="false">http://dirkzwagerieit.nl/?p=8834</guid>
         <pubDate>Wed, 11 Jan 2012 12:58:06 +0000</pubDate>
      <feedburner:origLink>http://feedproxy.google.com/~r/DirkzwagerAdvocatenIntellectueleEigendomenIT-recht/~3/VaTp3HFMPQ8/</feedburner:origLink></item>
      <item>
         <title>Reactieve aanwijzing moet duidelijk zijn</title>
         <link>http://feedproxy.google.com/~r/dirkzwager_nl/~3/9ttq-V-WE60/</link>
         <description>In zijn uitspraak van 27 december 2011 heeft de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder verwijzing naar een eerdere uitspraak, uitdrukkelijk uitgemaakt dat het dictum van een reactieve aanwijzing van Gedeputeerde Staten doorslaggevend is voor de inhoud. Als dat dictum in strijd is met de voorgaande overwegingen, sneuvelt de aanwijzing. [...]</description>
         <guid isPermaLink="false">http://dirkzwageroverheid.nl/?p=2810</guid>
         <pubDate>Wed, 11 Jan 2012 12:17:02 +0000</pubDate>
         <content:encoded><![CDATA[<p>In zijn uitspraak van 27 december 2011 heeft de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder verwijzing naar een eerdere uitspraak, uitdrukkelijk uitgemaakt dat het dictum van een reactieve aanwijzing van Gedeputeerde Staten doorslaggevend is voor de inhoud. Als dat dictum in strijd is met de voorgaande overwegingen, sneuvelt de aanwijzing. Een reactieve aanwijzing moet voldoende duidelijk zijn.<span id="more-2810"></span></p>
<p>Op 27 december 2011 oordeelde de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over een verzoek tot voorlopige voorziening dat de Raad van de gemeente Oisterwijk had ingediend met betrekking tot een reactieve aanwijzing van Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant. G.S. hadden voor het bestemmingsplan Buitengebied een aantal reactieve aanwijzingen gegeven als bedoeld in art. 3.8 lid 6 van de Wet ruimtelijke ordening. Daarbij was onder meer art. 1.75 van de regels bij het bestemmingsplan buiten toepassing gesteld. Althans: zo stond het in het dictum. Uit de overwegingen voorafgaand aan het dictum bleek echter, dat G.S. bedoelden dat slechts een deel van die regel buiten toepassing moest worden gelaten. G.S. verdedigden zich door te stellen dat de bedoeling toch wel duidelijk was. De Voorzitter overwoog echter:</p>
<p><em>“Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in overweging 2.10.3.2 van de uitspraak van 15 april 2011 in zaaknummer 200902874/1/R3 is uit een oogpunt van rechtszekerheid vereist dat de strekking van een besluit inhoudende het geven van een reactieve aanwijzing duidelijk is. De strekking van een dergelijk besluit dient dan ook niet behoeven te worden afgeleid uit de overwegingen die daarin zijn opgenomen of uit hetgeen het college met het geven van de reactieve aanwijzing heeft beoogd; alleen het dictum van het aanwijzingsbesluit is hiervoor bepalend”</em></p>
<p>Nu blijkens de overwegingen G.S. niet bedoelden het gehele art. 1.75 buiten werking te stellen, maar zij dat in werkelijkheid, door de formulering van het dictum, wel hadden gedaan, oordeelde de Voorzitter dat het besluit in de hoofdprocedure waarschijnlijk in strijd zou worden geacht met art. 3.8 lid 6 Wro (waarin de bevoegdheid tot het geven van reactieve aanwijzingen staat) en art. 4.2 lid 1 van de Wro (waarin de algemene bevoegdheid tot het geven van aanwijzingen staat).</p>
<p>Enigszins opmerkelijk is dat de Voorzitter een voorlopige voorziening trof waarin hij, kort gezegd, bepaalde dat art. 1.75 van de regels uitsluitend buiten werking werd gesteld, voor het gedeelte zoals dat door G.S. was bedoeld. De Afdeling schorste dus niet de gehele reactieve aanwijzing, maar wijzigde die inhoudelijk. Uiteraard gebeurde dat alleen bij wege van voorlopige voorziening.</p>
<p>De les is duidelijk: het dictum van een besluit moet in overeenstemming zijn met de overwegingen bij het besluit en moet voldoende helderheid bieden over wat er wordt bedoeld.</p><img src="http://feeds.feedburner.com/~r/dirkzwager_nl/~4/9ttq-V-WE60" height="1" width="1"/>]]></content:encoded>
      <feedburner:origLink>http://dirkzwageroverheid.nl/2012/01/11/reactieve-aanwijzing-moet-duidelijk-zijn/</feedburner:origLink></item>
      <item>
         <title>Onzekerheid bij tijdelijke verhuur woonruimte</title>
         <link>http://feedproxy.google.com/~r/dirkzwager_nl/~3/AuIx62ZwZCM/</link>
         <description>Een huurovereenkomst die naar zijn aard slechts van korte duur is, geeft de huurder niet de wettelijke huurbescherming. Een verhuurder van tijdelijke woonruimte aan een promovendus vorderde ontruiming en stelde dat huurder geen beroep kon doen op de huurbescherming omdat het zou gaan om een huurovereenkomst die naar zijn aard van korte duur is. De [...]</description>
         <guid isPermaLink="false">http://dirkzwagervastgoed.nl/?p=1874</guid>
         <pubDate>Wed, 11 Jan 2012 10:01:12 +0000</pubDate>
         <content:encoded><![CDATA[<p>Een huurovereenkomst die naar zijn aard slechts van korte duur is, geeft de huurder niet de wettelijke huurbescherming. Een verhuurder van tijdelijke woonruimte aan een promovendus vorderde ontruiming en stelde dat huurder geen beroep kon doen op de huurbescherming omdat het zou gaan om een huurovereenkomst die naar zijn aard van korte duur is. De kantonrechter te Amsterdam stelde haar ten dele in het gelijk, maar bepaalde dat het tijdelijk verhuren van woonruimte niet zonder meer als kort te bestempelen is (<a rel="nofollow" target="_blank" href="http://www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=BU5334"><em>LJN</em>: BU5334</a>).<img title="Meer..." src="http://dirkzwageroverheid.nl/wp-includes/js/tinymce/plugins/wordpress/img/trans.gif" alt=""/><span id="more-1874"></span></p>
<p><strong>De casus</strong><br />
Huurder is als promovendus in dienst bij een universiteit. Hij is sinds zijn komst met verhuurder drie tijdelijke huurovereenkomsten aangegaan. De eerste twee huurovereenkomsten waren gesloten voor de duur van één jaar. Het gehuurde betrof in beide gevallen een éénkamerappartement. Gedurende het laatste jaar is huurder doorgeschoven naar een driekamerappartement voor de restantduur van het contract (151 dagen). In die laatste huurovereenkomst is een boeteclausule opgenomen voor het geval de huurder de woning niet tijdig ontruimt. Twee maanden vóór de einddatum van het huurcontract verzoekt huurder aan verhuurder om het contract met hem te verlengen. Verhuurder weigert dit, omdat het appartement inmiddels aan een ander gezin is toegezegd.</p>
<p><strong>Huurovereenkomst naar zijn aard van korte duur</strong><br />
Huurder weigert uiteindelijk het driekamerappartement te ontruimen en verhuurder vordert ontruiming bij de kantonrechter. Huurder stelt dat er sprake is van een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd en dat hij wettelijke huurbescherming geniet. Verhuurder voert aan dat er een huurcontract is gesloten dat <em>naar zijn aard van korte duur is</em> en dat huurder daarom geen aanspraak kan maken op de wettelijke huurbescherming.</p>
<p>De kantonrechter bepaalt dat de huurovereenkomst van het driekamerappartement inderdaad gezien moet worden als een huurovereenkomst die naar zijn aard van korte duur is. Het driekamerappartement waar huurder verblijft, was tijdelijk niet verhuurd waardoor het <em>tijdelijk </em>aan hem kon worden aangeboden. Voor het eerst is er ook een boeteclausule in het contract opgenomen. Op basis hiervan oordeelt de kantonrechter dat huurder geen huurbescherming geniet. De gevorderde ontruiming wordt dan ook toegewezen.</p>
<p>De door partijen gesloten huurovereenkomst van het éénkamerappartement kan echter niet gezien worden als een overeenkomst die naar zijn aard van korte duur is. Omdat een overeenkomst die als <em>kort </em>wordt bestempeld wettelijke huurbescherming uitsluit, moet worden nagegaan of deze bepaling niet misbruikt wordt in gevallen waarvoor zij niet bedoeld is. De beperkingen die gelden bij korte huurovereenkomsten mogen niet zonder meer van toepassing worden verklaard op tijdelijke huisvesting voor bijvoorbeeld studenten, omdat het feit dat tijdelijke huisvesting wordt aangeboden (deels) in de risicosfeer van de verhuurder behoort te blijven. Omdat verhuurder ook heeft aangegeven dat promovendi voor de duur van hun onderzoek woonruimte kunnen huren (en dus niet voor korte duur), bepaalt de kantonrechter dat huurder wel aanspraak heeft om van verhuurder een éénkamerappartement te huren.</p>
<p><strong>Conclusie</strong><br />
Indien de verhuurder overgaat tot verhuur van tijdelijke woonruimte, bestaat voor hem altijd het risico dat een huurder achteraf gezien gewoon huurbescherming geniet. De huurder kan in dat geval niet zomaar op straat worden gezet. Om dit risico zoveel mogelijk te beperken zal in ieder geval in de huurovereenkomst duidelijk moeten worden vastgelegd wat precies de bedoeling van partijen is. Hieruit zal onder meer moeten blijken dat het gaat om een uitzonderlijke situatie waarvoor de tijdelijke verhuur nodig is. Het risico dat de huurder huurbescherming geniet wordt in ieder geval groter als de huurovereenkomsten worden verlengd. Van belang is dus om vooraf de nodige risico’s zoveel mogelijk te beperken.</p><img src="http://feeds.feedburner.com/~r/dirkzwager_nl/~4/AuIx62ZwZCM" height="1" width="1"/>]]></content:encoded>
      <feedburner:origLink>http://dirkzwagervastgoed.nl/2012/01/11/onzekerheid-bij-tijdelijke-verhuur-woonruimte/</feedburner:origLink></item>
      <item>
         <title>16-02-2012: Seminar Adwords: wat mag wel en wat mag niet?</title>
         <link>http://feedproxy.google.com/~r/dirkzwager_nl/~3/eMdNx-htJPY/</link>
         <description>Adwords: wat mag wel en wat mag niet? De juridische kansen en risico’s!

Adwords-reclame is niet meer weg te denken van het internet. Sinds de opkomst van zoekmachines is aan nagenoeg elke zoekterm online reclame gekoppeld. Deze wijze van adverteren is in beginsel toegestaan, maar niet indien daardoor inbreuk wordt gemaakt op een merk- of handelsnaamrecht. Waar ligt precies de grens? Wat mag wel en wat mag niet?

De opmars van Adwords

Over adwords verscheen in korte tijd zeer veel rechtspraak uit Europa. Daarin worden nieuwe regels gesteld voor het gebruik van merken in de verhouding tussen concurrenten, leveranciers en wederverkopers. Wij maken de regels voor u inzichtelijk en leggen deze uit. Wij gaan daarbij in op rechtspraak over Adwords-reclame uit binnen- en buitenland.

Mag de concurrent uw naam gebruiken?

Aan de hand van concrete praktijkvoorbeelden geven wij aan of en zo ja wanneer de concurrent uw naam mag gebruiken, en -omgekeerd- of en zo ja wanneer u de naam van uw concurrent mag gebruiken. Daarbij wordt de in de Adwords-reclame gestelde tekst en lay-out, en overige informatie uit de reclame geanalyseerd. Wij behandelen daarbij de Adwords-reclames die volgens de rechtspraak wel en niet door de beugel kunnen.

Gevolgen

De nieuwe regels omtrent Adwords hebben gevolgen voor de inrichting van Adwords campagnes voor merk- en handelsnaamhouders, hun concurrenten en wederverkopers van bepaalde producten en diensten. Deze regels hebben ook gevolgen voor andere vormen van reclame, bijvoorbeeld reclame voor producten op online marktplaatsen, en voor wederverkoopcontracten. Wij behandelen de belangrijkste gevolgen.

Praktische tips

Tijdens het seminar ontvangt u van Dirkzwager praktische tips over de inrichting van uw Adwords-reclame, en de bestrijding van Adwords-reclame van derden.

Voor wie?

Alle ondernemers die producten en/of diensten in de breedste zin des woords verkopen en daarvoor reclame maken op internet, in het bijzonder via zoekmachines. Het seminar is ook bestemd voor merkhouders, handelsnaamhouders, online distributeurs, webshops en wederverkopers van (merk-)producten.

Programma

14.00 uur: Ontvangst met koffie en thee

14.30 uur: 1e deel: Inleiding Adwords: hoe werkt het en wat zegt de rechtspraak?

15.15 uur: Pauze

15.30 uur: 2e deel: Adwords tips: waar liggen de juridische kansen en risico's en wat zijn de gevolgen?

16.15 uur: Aangeklede borrel

Kijk op de centrale aanmeldpagina [1] u aan te melden.

De kosten voor deze workshop bedragen € 175,= exclusief BTW voor niet-cliënten van Dirkzwager. Voor cliënten van Dirkzwager is deelname aan dit seminar is geheel kosteloos.

Neem voor vragen of inlichtingen met betrekking tot dit seminar contact op met Marlies Seubring: telefoon: 026-353 83 77 / ieit@dirkzwager.nl [2].

[1] http://dirkzwagerieit.nl/aanmelden-voor-workshops/
[2] http://dirkzwagerieit.nlmailto:ieit@dirkzwager.nl&lt;img src="http://feeds.feedburner.com/~r/DirkzwagerAdvocatenIntellectueleEigendomenIT-recht/~4/-E1EMiFLiqw" height="1" width="1"/&gt;&lt;img src="http://feeds.feedburner.com/~r/dirkzwager_nl/~4/eMdNx-htJPY" height="1" width="1"/&gt;</description>
         <guid isPermaLink="false">http://dirkzwagerieit.nl/?p=8724</guid>
         <pubDate>Wed, 11 Jan 2012 09:55:56 +0000</pubDate>
      <feedburner:origLink>http://feedproxy.google.com/~r/DirkzwagerAdvocatenIntellectueleEigendomenIT-recht/~3/-E1EMiFLiqw/</feedburner:origLink></item>
      <item>
         <title>Verplicht energieprestatiecertificaat bij levering van gebouwen</title>
         <link>http://feedproxy.google.com/~r/dirkzwager_nl/~3/eYWVjjMpnTk/</link>
         <description>De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft onlangs een wetsvoorstel ingediend bij de Tweede Kamer waarin wordt bepaald dat een leveringsakte van gebouwen zonder energieprestatiecertificaat niet door de notaris mag worden gepasseerd.
Sinds 1 januari 2008 moeten eigenaren bij verkoop of (nieuwe) verhuur van een gebouw een energielabel overhandigen aan de koper of huurder. Het [...]</description>
         <guid isPermaLink="false">http://dirkzwagervastgoed.nl/?p=1866</guid>
         <pubDate>Wed, 11 Jan 2012 09:17:46 +0000</pubDate>
         <content:encoded><![CDATA[<p>De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft onlangs een wetsvoorstel ingediend bij de Tweede Kamer waarin wordt bepaald dat een leveringsakte van gebouwen zonder energieprestatiecertificaat niet door de notaris mag worden gepasseerd.<span id="more-1866"></span></p>
<p>Sinds 1 januari 2008 moeten eigenaren bij verkoop of (nieuwe) verhuur van een gebouw een energielabel overhandigen aan de koper of huurder. Het energielabel geeft aan hoe energiezuinig het gebouw is en is bedoeld om energiebesparende maatregelen te nemen. Momenteel staat er geen sanctie op het niet naleven van deze verplichting en kan de notaris de eigendomsoverdracht niet tegenhouden als er geen energieprestatiecertificaat is overhandigd.</p>
<p>Indien het wetsvoorstel wordt goedgekeurd moet bij de verkoop een energieprestatiecertificaat aanwezig zijn. Is er geen energieprestatiecertificaat, dan is de eigendomsoverdracht bij de notaris niet mogelijk.</p>
<p>Bij nieuwe huurcontracten (die ingaan na invoering van het wetsvoorstel) hoeven huurders maandelijks 10% minder huur te betalen zolang de verhuurder geen energieprestatiecertificaat overhandigt. In niet alle gevallen is een energieprestatiecertificaat verplicht (zoals bij een beschermd monument of bij sociale huurwoningen). Ook kan een collectief label (bij appartementsrechten) voldoende zijn.</p>
<p>De verwachte inwerkingtreding van het wetsvoorstel is 1 januari 2013, maar is afhankelijk van goedkeuring van de Eerste en Tweede Kamer .</p>
<p>Wij zullen u op de hoogte houden van de ontwikkeling omtrent het energieprestatiecertificaat.</p><img src="http://feeds.feedburner.com/~r/dirkzwager_nl/~4/eYWVjjMpnTk" height="1" width="1"/>]]></content:encoded>
      <feedburner:origLink>http://dirkzwagervastgoed.nl/2012/01/11/verplicht-energieprestatiecertificaat-bij-levering-van-gebouwen/</feedburner:origLink></item>
      <item>
         <title>De verkoop van een recreatiewoning op verhuurde grond</title>
         <link>http://feedproxy.google.com/~r/dirkzwager_nl/~3/AKlAzpoCgb8/</link>
         <description>Recentelijk heeft het Hof Leeuwarden een arrest gewezen over een opstalrecht op een recreatiewoning gelegen op gehuurde grond (LJN: BU1889). Een opstalrecht splitst het eigendom van de grond van de eigendom van het onroerend goed dat erop staat. Normaal gesproken is de eigenaar van de grond tevens eigenaar van al het onroerend goed dat daarop [...]</description>
         <guid isPermaLink="false">http://dirkzwagervastgoed.nl/?p=1870</guid>
         <pubDate>Tue, 10 Jan 2012 13:00:17 +0000</pubDate>
         <content:encoded><![CDATA[<p>Recentelijk heeft het Hof Leeuwarden een arrest gewezen over een opstalrecht op een recreatiewoning gelegen op gehuurde grond (<a rel="nofollow" target="_blank" href="http://www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=BU1889"><em>LJN</em>: BU1889</a>). Een opstalrecht splitst het eigendom van de grond van de eigendom van het onroerend goed dat erop staat. Normaal gesproken is de eigenaar van de grond tevens eigenaar van al het onroerend goed dat daarop staat, een opstalrecht doorbreekt dit.<span id="more-1870"></span></p>
<p><strong>Twee kernvragen</strong><br />
Het hof diende in dit arrest twee vragen te beantwoorden. De eerste vraag betrof of er sprake was van een huurafhankelijk opstalrecht of van een zelfstandig opstalrecht. Dit verschil is van belang. Een huurafhankelijk opstalrecht eindigt namelijk wanneer de huurovereenkomst ten einde komt. In geval van een zelfstandig opstalrecht blijft het opstalrecht bestaan en kan worden doorverkocht. De tweede vraag was of er door verjaring een opstalrecht is ontstaan. De omstandigheden van dit geval brachten mee dat H door verjaring een zelfstandig opstalrecht had verkregen.</p>
<p><strong>Casus</strong><br />
Wat was het geval. H heeft met V een huurovereenkomst gesloten met betrekking tot een perceel grond. Op dit perceel grond staat een recreatiewoning. Deze woning heeft H van de vorige huurder van het perceel gekocht. Er was geen opstalrecht gevestigd bij notariële akte.</p>
<p>Of een opstalrecht zelfstandig dan wel afhankelijk is hangt af van de mate van verbondenheid van het opstalrecht aan de huurovereenkomst. Essentieel is of na het einde van de huurverhouding het opstalrecht kan blijven voortbestaan en of het opstalrecht zelfstandig kan worden verkocht. Uit de huurovereenkomst bleek dat ook na beëindiging van de huur het opstalrecht bleef bestaan en verkocht mocht worden aan een derde. Volgens het hof was er daarom sprake van een zelfstandig opstalrecht.</p>
<p>Vervolgens diende het hof te beoordelen of H dit opstalrecht door verjaring heeft verkregen, er was immers geen opstalrecht bij notariële akte gevestigd. Hiervoor is nodig dat H op zodanige wijze de feitelijke macht over de recreatiewoning uitoefent dat hij als bezitter ervan dient te worden beschouwd. Volgens het hof was hiervan sprake, mede doordat H de woning van de vorige huurder had gekocht en op grond van de huurovereenkomst ook zelf weer mocht verkopen aan een derde.</p>
<p><strong>Commentaar</strong><br />
De huurder in bovenstaande casus verkreeg een zelfstandig opstalrecht. De verhuurder werd hierdoor met de situatie geconfronteerd dat het einde van de huurovereenkomst niet het einde van het opstalrecht meebrengt. Dit had mogelijk kunnen worden voorkomen door in de huurovereenkomst verkoop aan een derde uit te sluiten. De verhuurder dient de recreatiewoning dan wel tegen vergoeding van zijn voormalig huurder over te nemen.</p><img src="http://feeds.feedburner.com/~r/dirkzwager_nl/~4/AKlAzpoCgb8" height="1" width="1"/>]]></content:encoded>
      <feedburner:origLink>http://dirkzwagervastgoed.nl/2012/01/10/de-verkoop-van-een-recreatiewoning-op-verhuurde-grond/</feedburner:origLink></item>
      <item>
         <title>Een recht of legitiem belang bij een domeinnaam waar het merk van een ander in voorkomt</title>
         <link>http://feedproxy.google.com/~r/dirkzwager_nl/~3/gBH55nEK6wo/</link>
         <description>Via een zogenoemde UDRP (Uniform Dispute Resolution Policy) procedure [1] kan een vordering tot overdracht van een domeinnaam worden ingesteld. Dit is een arbitrage procedure voor het oplossen van geschillen over .com, .org en .net domeinnamen. Het voordeel van de UDRP procedure is dat deze redelijk goedkoop is, de procedure relatief snel tot resultaat leidt en het resultaat wereldwijd toepasbaar is. Een dergelijke procedure heeft Lego tegen de houder van de domeinnaam legoverhuur.com [2] aangespannen. 

De regels op grond waarvan overdracht van de domeinnaam in de UDRP procedure bevolen kan worden zijn:
1. De domeinnaam is identiek of lijkt verwarrend veel op een merk of naam van de klager; en
2. De domeinnaam houder heeft geen rechten of legitieme belangen met betrekking tot de domeinnaam; en
3. De domeinnaam is te kwader trouw geregistreerd en wordt te kwader trouw gebruikt.

Casus
Het welbekende Lego (van de bouwsteentjes) kwam in deze UDRP procedure op tegen de registratie en het gebruik van de domeinnaam legoverhuur.com door een Nederlandse partij (hierna te noemen 'verweerder'). De domeinnaam is al sinds 2003 in gebruik bij verweerder. Sinds 2008 linkt de domeinnaam legoverhuur.com door naar de eigen website van de verweerder blokxs.nl. Op de website onder de domeinnaam legoverhuur.com worden legoblokjes te huur aangeboden.

Het panel oordeelt [3] ten aanzien van de hiervoor genoemde punten als volgt:

Ad 1: Domeinnaam lijkt verwarrend veel op de merken van Lego
Lego heeft voldoende aangetoond dat het merkrechten bezit en dat de omstreden domeinnaam verwarrend veel lijkt op deze rechten. Het woord LEGO is in de domeinnaam het meest onderscheidende gedeelte. ﻿﻿﻿﻿Bovendien is dit een zeer bekend en beroemd merk, aldus het panel. De toevoeging van de beschrijvende term 'verhuur' neemt niet de mogelijkheid van associatie tussen de domeinnaam en het LEGO-merk weg. Integendeel, het versterkt de associatie alleen maar, aldus het panel. 

Ad 2: De domeinnaamhouder heeft legitieme belangen met betrekking tot de domeinnaam
Op het tweede punt gaat het voor Lego mis. Lego stelt dat zij geen licentie of anderszins toestemming heeft gegeven om de domeinnaam te registreren. De verhuurder van Lego blokjes is geen erkende dealer van Lego producten en heeft nooit een zakelijke relatie met Lego gehad. Dat is al voldoende volgens Lego om geen legitiem gebruik van de domeinnaam te kunnen maken.

Verweerder heeft gewezen op de voorgeschiedenis van partijen. Partijen hebben al in 2003 en 2008 met elkaar over het gebruik van de domeinnaam gecorrespondeerd. Verweerder heeft destijds het gebruik van het logo van Lego gestaakt en de website doorgelinkt naar haar eigen website blokxs.nl.

Vervolgens merkt het Panel op dat een reseller of distributeur onder omstandigheden gerechtvaardigd bepaalde producten en diensten kan aanbieden waarbij zij ook een legitiem belang kan hebben bij de domeinnaam waarin een merk van een ander voorkomt. Een dergelijke omstandigheid kan zich voordoen wanneer een reseller of distributeur een actueel aanbod van goederen en diensten doet, gebruik maakt van de domeinnaam om alleen de onder het merk gevoerde producten te verkopen en op de site nauwkeurig en prominent de precieze relatie met de merkhouder openbaar maakt (dus ook als er geen relatie bestaat).

Ondanks dat niet duidelijk is of op de website van verweerder in casu een uitdrukkelijke disclaimer van enige verband tussen Lego en haarzelf bestaat, wordt geoordeeld dat verweerder voldoet aan voorgenoemde omstandigheden en daardoor legitiem gebruik maakt van de domeinnaam. Het panel beslist namelijk dat een redelijke kijker van de website niet zal denken dat het met de officiële website van Lego te maken heeft. Daarbij is onder meer van belang dat verweerder op haar website geen gebruik maakt van het LEGO-logo of anderszins onterecht suggereert een band met de merkhouder te hebben, of suggereert dat de website een officiële website is.

Lego heeft daarom gefaald vast te stellen dat verweerder geen recht of legitiem belang heeft bij de betwiste domeinnaam.

Ad 3: Geen sprake van kwader trouw gebruik van de domeinnaam
Gezien het voorstaande is er ook geen sprake van gebruik te kwader trouw van de domeinnaam door verweerder.

De vordering tot overdracht van de domeinnaam wordt afgewezen.

[1] http://www.wipo.int/amc/en/domains/
[2] http://www.legoverhuur.com/
[3] http://www.wipo.int/amc/en/domains/search/text.jsp?case=D2011-1559&lt;img src="http://feeds.feedburner.com/~r/DirkzwagerAdvocatenIntellectueleEigendomenIT-recht/~4/c5iQRSLvxtE" height="1" width="1"/&gt;&lt;img src="http://feeds.feedburner.com/~r/dirkzwager_nl/~4/gBH55nEK6wo" height="1" width="1"/&gt;</description>
         <guid isPermaLink="false">http://dirkzwagerieit.nl/?p=8811</guid>
         <pubDate>Mon, 09 Jan 2012 14:45:07 +0000</pubDate>
      <feedburner:origLink>http://feedproxy.google.com/~r/DirkzwagerAdvocatenIntellectueleEigendomenIT-recht/~3/c5iQRSLvxtE/</feedburner:origLink></item>
      <item>
         <title>Aanvraag nieuwe TLDs (zoals .apple) per 12 januari 2012: “Next big.thing” of “big.deal”?</title>
         <link>http://feedproxy.google.com/~r/dirkzwager_nl/~3/HCHO8sX9rBE/</link>
         <description>Eerder berichtten [1] wij al over de mogelijkheden om nieuwe “generieke top level domeinnamen” (gTLD’s) te registreren. Vanaf 12 januari 2012 tot waarschijnlijk 12 april 2012 kunnen de aanvragen worden ingediend. 

Volgens de ICANN  [2](de overkoepelende instantie die gaat over alle gTLDs) biedt deze nieuwe structuur allerlei nieuwe mogelijkheden en kansen. Zo kunnen merkhouders bijvoorbeeld hun merk als top level domain registeren, denk bijvoorbeeld aan "www.iphone.apple" of  "www.windows.microsoft". Ook andere woorden kunnen hiervoor worden gebruikt, zoals .uitgevers.

De vraag is evenwel of merkhouders hier op zitten te wachten. Worden ze hierdoor niet weer (net als in het verleden) op kosten gejaagd om te voorkomen dat anderen er met hun merk aan de haal [3] gaat, zoals wordt gevreesd? En wat is eigenlijk het voordeel hiervan ten opzichte van de bestaande .com domeinnamen? Toch is niet iedereen sceptisch. Zo heeft de Vlaamse regering kennelijk al laten weten geïnteresseerd te zijn in de registratie van .vlaanderen [4]. De Schotse overheid wil .scot [5] invoeren. Ook ons eigen Friesland denkt na over een eigen domeinnaamextensie [6].

De vraag is of het erg hard zal gaan met deze procedure. De aanvraagprocedure komt er namelijk op neer dat organisaties zelf als domain name registry zullen gaan fungeren, oftewel als uitgever van lagere domeinnamen te vergelijken met bijvoorbeeld de SIDN [7], de registry van de .nl domeinnaam. Apple zou na het verkrijgen van .apple bijvoorbeeld kunnen beslissen wie allemaal de TLD .apple mogen gaan gebruiken. Daarvoor zullen dergelijke organisaties wel moeten voldoen aan allerlei technische eisen zodat de desbetreffende domeinen operationeel zijn en blijven. Dit is dus totaal andere kost dan eerdere lanceringen van nieuwe gTLDs zoals de .info en .biz TLD’s. Daar werd door de ICANN de meeste aandacht gegeven aan de mogelijkheid voor bedrijven en instellingen om zogenaamde second level domeinnamen te registeren (zoals apple.info of microsoft.biz), nadat zij eerder al een registry had aangewezen.

Goedkoop is het ook niet: $185.000 voor alleen de validatie van de aanvraag. Dit bedrag kan nog hoger worden afhankelijk van de specifieke procedures, nog los van alle investeringen in techniek, organisatie en beveiliging. Hoe de procedure precies verloopt, is terug te lezen op de website van ICANN [8].

Ik ben benieuwd of dit inderdaad de next big.thing wordt, zoals de ICANN meent, of dat mensen hun schouders gaan ophalen en denken: "Nieuwe domeinnaamextensies? Big.deal..." We zullen het zien.

[1] http://dirkzwagerieit.nl/2011/06/20/wwwappleiphone-binnenkort-een-geldige-domeinnaam/#more-7546
[2] http://icann.org
[3] http://www.automatiseringgids.nl/nieuws/2012/01/icann-klaar-voor-golf-nieuwe-topleveldomeinen
[4] http://tweakers.net/nieuws/79032/vlaamse-overheid-wil-vlaanderen-tld.html
[5] http://www.bbc.co.uk/news/uk-scotland-scotland-business-13903243
[6] http://www.nu.nl/internet/2706608/domeinextensie-frl-kost-friesland-2-miljoen-euro.html
[7] http://www.sidn.nl
[8] http://newgtlds.icann.org/en/&lt;img src="http://feeds.feedburner.com/~r/DirkzwagerAdvocatenIntellectueleEigendomenIT-recht/~4/p9myM_QMBnw" height="1" width="1"/&gt;&lt;img src="http://feeds.feedburner.com/~r/dirkzwager_nl/~4/HCHO8sX9rBE" height="1" width="1"/&gt;</description>
         <guid isPermaLink="false">http://dirkzwagerieit.nl/?p=8817</guid>
         <pubDate>Mon, 09 Jan 2012 10:53:09 +0000</pubDate>
      <feedburner:origLink>http://feedproxy.google.com/~r/DirkzwagerAdvocatenIntellectueleEigendomenIT-recht/~3/p9myM_QMBnw/</feedburner:origLink></item>
      <item>
         <title>Staatssteunregels gelden niet meer voor zorgwoningen</title>
         <link>http://feedproxy.google.com/~r/dirkzwager_nl/~3/mDq-rYdtVEc/</link>
         <description>Met ingang van 1 januari 2012 is de Tijdelijke regeling diensten van algemeen economisch belang toegelaten instellingen volkshuisvesting (Tijdelijke regeling) aangepast bij Regeling van de Minister van BZK van 20 december 2011. Er zijn drie wezenlijke wijzigingen (i) indexatie van de inkomensgrens, (ii) het schrappen van de inkomensgrens voor zorgwoningen en (iii) het aanscherpen van [...]</description>
         <guid isPermaLink="false">http://dirkzwagervastgoed.nl/?p=1860</guid>
         <pubDate>Fri, 06 Jan 2012 13:49:50 +0000</pubDate>
         <content:encoded><![CDATA[<p>Met ingang van 1 januari 2012 is de Tijdelijke regeling diensten van algemeen economisch belang toegelaten instellingen volkshuisvesting (Tijdelijke regeling) aangepast bij <a rel="nofollow" target="_blank" href="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2011-23674.html">Regeling van de Minister van BZK van 20 december 2011</a>. Er zijn drie wezenlijke wijzigingen (i) indexatie van de inkomensgrens, (ii) het schrappen van de inkomensgrens voor zorgwoningen en (iii) het aanscherpen van de regels voor de verhuur van maatschappelijk vastgoed.<span id="more-1860"></span> <strong></strong></p>
<p><strong>Indexering inkomensgrens</strong><br />
Op grond van de Tijdelijke regeling zijn woningcorporaties vanaf 1 januari 2011 verplicht 90% van de vrijgekomen sociale huurwoningen toe te wijzen aan huishoudens met een inkomen tot € 33.614,–. Dit bedrag is nu verhoogd tot € 34.085,&#8211;.  Overigens wordt in de Tijdelijke regeling gepubliceerd op <a rel="nofollow" target="_blank" href="http://wetten.overheid.nl/BWBR0028918/geldigheidsdatum_06-01-2012">www.overheid.nl</a> (geldend op 6 januari 2012) in artikel 4 lid 3 ten onrechte nog het oude bedrag genoemd. De toelichting op de Regeling van 20 december 2011 maakt echter duidelijk dat ook in het derde lid van artikel 4 het bedrag verhoogd had moeten worden tot € 34.085,&#8211;.</p>
<p><strong>Zorgwoningen<br />
</strong>In de Tijdelijke regeling was al opgenomen dat de inkomensgrens niet geldt in het geval dat woningen of woongelegenheden worden toegewezen op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (Awbz) en waar sprake is van een integrale levering van wonen en zorg op basis van een inkomensafhankelijke bijdrage. In dat geval is er immers geen sprake van een huurcontract.</p>
<p>Daarnaast zijn er echter situaties waarbij een huishouden is aangewezen op een woning met zorg of zorg in de nabijheid. Het gaat dan om situaties waarbij een persoon (uit het huishouden) een indicatie heeft dat de levering van (thuis)zorg noodzakelijk is maar waarbij er (nog) geen behoefte is aan verblijf (in een intramurale zorginstelling). Voor deze huishoudens is de mogelijkheid om een woning te betrekken waarbij de (thuis)zorg ook daadwerkelijk geleverd kan worden essentieel. In verband hiermee is de Tijdelijke regeling aldus gewijzigd dat zorgwoningen mogen worden toegewezen aan een huishouden met een inkomen van meer dan € 34.085,&#8211;. Voorwaarde is wel dat ten minste één bewoner een indicatie heeft van het <a rel="nofollow" target="_blank" href="http://www.ciz.nl/">Centrum Indicatiestelling Zorg </a>voor persoonlijke verzorging (PV), verpleging (VP) dan wel individuele begeleiding (BGI) met specifieke leveringsvoorwaarde “v<em>olgens afspraak en direct oproepbaar</em>” (B1, B2), “<em>voortdurend in de nabijheid</em>” (C) en “<em>24 uur per dag aanwezig</em>” (D)1.</p>
<p><strong>Voorwaarden verhuur maatschappelijk vastgoed<br />
</strong>In het <a rel="nofollow" target="_blank" href="http://dirkzwagerondernemingsrecht.nl/2010/01/22/staatssteun-an-woningcorporaties-wat-mag-wel-en-wat-mag-niet-meer/">besluit van de Europese Commissie </a>inzake staatssteun aan woningcorporaties is aangegeven, dat het maatschappelijk vastgoed verhuurd moet worden aan niet-gouvernementele organisaties of aan openbare instellingen, die daadwerkelijk een maatschappelijk doel beogen. In de Tijdelijke regeling was dit abusievelijk niet expliciet verwoord. Met de huidige wijziging wordt deze omissie verholpen. De Tijdelijke regeling bepaalt nu duidelijk dat woningcorporaties bij de verhuur van maatschappelijk vastgoed slechts huurovereenkomsten kunnen aangaan met verenigingen of stichtingen die zijn gericht op het maatschappelijk belang dan wel met overheidsinstellingen.</p><img src="http://feeds.feedburner.com/~r/dirkzwager_nl/~4/mDq-rYdtVEc" height="1" width="1"/>]]></content:encoded>
      <feedburner:origLink>http://dirkzwagervastgoed.nl/2012/01/06/staatssteunregels-gelden-niet-meer-voor-zorgwoningen/</feedburner:origLink></item>
      <item>
         <title>De Vitaliteitsregeling</title>
         <link>http://feedproxy.google.com/~r/dirkzwager_nl/~3/ATk76Kf-CzY/</link>
         <description>Het kabinet wil dat mensen langer doorwerken. Om dit te stimuleren zal per 1 januari 2013 de Vitaliteitsregeling ingevoerd worden.
Alhoewel de regeling nog verder uitgewerkt moet worden, zullen werkgevers worden beloond (de zogenaamde mobiliteitsbonus) voor het in dienst nemen van oudere werknemers (55+)  en medewerkers krijgen een doorwerkbonus in geval wordt besloten om na het [...]</description>
         <guid isPermaLink="false">http://dirkzwagerarbeidsrecht.nl/?p=1424</guid>
         <pubDate>Thu, 05 Jan 2012 15:38:25 +0000</pubDate>
         <content:encoded><![CDATA[<p>Het kabinet wil dat mensen langer doorwerken. Om dit te stimuleren zal per 1 januari 2013 de Vitaliteitsregeling ingevoerd worden.<span id="more-1424"></span></p>
<p>Alhoewel de regeling nog verder uitgewerkt moet worden, zullen werkgevers worden beloond (de zogenaamde mobiliteitsbonus) voor het in dienst nemen van oudere werknemers (55+)  en medewerkers krijgen een doorwerkbonus in geval wordt besloten om na het bereiken van de 61-jarige leeftijd door te werken.</p>
<p>Daarnaast bevat de Viltaliteitsregeling (aanvullende) mogelijkheden voor opleiding en scholing en wil men een zogenaamd “van-werk-naar-werk-budget” in het leven roepen. Medewerkers die met ontslag worden bedreigd kunnen dit budget inzetten om de overgang naar een nieuwe baan te versoepelen.</p>
<p>Tot slot komt er een nieuwe spaarregeling. Ook dit tegoed kan gebruikt worden om een periode van werkloosheid te overbruggen. Het kabinet acht het, zoals gezegd, niet wenselijk dat mensen ‘sparen’ om eerder te kunnen stoppen met werken (met vroegpensioen te gaan). De huidige levensloopregeling is daarom met ingang van 1 januari jl. afgeschaft. Behalve ingeval je op 31 december 2011 een saldo van € 3.000,&#8211; euro of meer je levenslooprekening had, blijft de regeling behouden en kun je ook blijven storten. Ook het doel waarvoor wordt gespaard blijft ongemoeid. Wel wordt de levensloopkorting vanaf 1 januari 2012 afgeschaft.</p><img src="http://feeds.feedburner.com/~r/dirkzwager_nl/~4/ATk76Kf-CzY" height="1" width="1"/>]]></content:encoded>
      <feedburner:origLink>http://dirkzwagerarbeidsrecht.nl/2012/01/05/de-vitaliteitsregeling/</feedburner:origLink></item>
      <item>
         <title>Belangrijk arrest Hof van Justitie voor internetondernemers</title>
         <link>http://feedproxy.google.com/~r/dirkzwager_nl/~3/xRktlThehyM/</link>
         <description>Het Europese Hof van Justitie heeft op 25 oktober 2011 een arrest gewezen [1] dat belangrijk is voor internetondernemers. In dit arrest worden regels gegeven over welke rechter bevoegd is te oordelen over (mogelijk) onrechtmatige online publicaties. Praktisch gevolg daarvan is dat een buitenlands slachtoffer van een onrechtmatige internetpublicatie de verantwoordelijk ondernemer eenvoudiger voor de gehele schade voor de rechter in het buitenland kan dagvaarden. Tegelijk lijkt uit dit arrest te volgen dat een internetondernemer door een buitenlandse rechter niet aan strengere regels mag worden onderwerpen dan de regels in zijn land van vestiging. 

Dagvaarden van een interpublicist in ander land

Het arrest  [2]van het Hof van Justitie betreft twee zaken die samengevoegd zijn: (1) een zaak van ene X uit Duitsland tegen eDate Advertising GmbH uit Oostenrijk en (2) een zaak van Olivier en Robert Martinez uit Frankrijk tegen MGN Limited uit Engeland. Beide zaken komen in de kern op hetzelfde neer. Zowel eDate Advertising als MGN, gedaagden in de twee procedures, exploiteren een website, respectievelijk www.rainbow.at [3] en www.sundaymirror.co.uk [4]. Op die websites heeft een artikel gestaan dat volgens de eisers in de respectievelijke procedures onrechtmatig was.

Zowel X als de heren Martinez hebben de rechtszaak aanhangig gemaakt in hun eigen land (respectievelijk Duitsland en Frankrijk), terwijl de gedaagde partij in een ander land gevestigd is (respectievelijk Oostenrijk en Engeland). In zowel de Duitse als de Franse procedure komt daarbij de vraag aan de orde of de rechters wel bevoegd zijn te oordelen over deze kwestie. De publicatie is immers in een ander land uitgegeven. Deze vraag komt voor bij het Hof van Justitie.

Bestaande regels over grensoverschrijdende onrechtmatige publicaties 

Grensoverschrijdende geschillen doen zich natuurlijk al jaren voor. Er bestaan dan ook in EU-verband afspraken over welke rechter bevoegd is om over het geschil te oordelen. Op grond van artikel 5 lid 3 van de Brussel I verordening [5] kan iemand in het geval van een onrechtmatige daad (zoals een onrechtmatige publicatie) worden gedagvaard "voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen". In het Shevill-arrest uit 1995 [6] heeft het Hof van Justitie al geoordeeld dat onder die plaats zowel de plaats waar de schade is veroorzaakt als waar de schade is ingetreden mag worden verstaan.  Dat maakt bij grensoverschrijdende publicaties dus twee (of nog meer) rechters bevoegd om over de zaak te oordelen. Vandaar dat ook toen ook is geoordeeld dat niet overal dezelfde schadevergoeding kan worden gevorderd:

	bij de rechter in het land van vestiging van de uitgever van de onrechtmatige publicatie kan vergoeding van de gehele schade worden gevorderd; of
	bij de rechter in alle andere landen (van de EU) kan vergoeding van de in dat land door de onrechtmatige publicatie geleden schade worden gevorderd.

Bestaande regels sluiten niet goed aan bij internetpublicaties 

Deze regels werken redelijk goed en overzichtelijk bij papieren publicaties. Daarbij is immers (in de regel) redelijk goed in beeld in welke landen de betreffende publicatie is uitgegeven. Bij internetpublicaties is van uitgifte in bepaalde landen echter geen sprake, daar zijn artikelen (behoudens maatregelen als IP-blokkering) in beginsel overal tegelijk en voor iedereen toegankelijk. Ook is het bij internetpublicaties lastig vast te stellen wat de impact van een bepaalde publicatie is. In de papieren wereld kan bij de berekening van de schadevergoeding nog worden gewerkt met een bepaald bedrag maal de oplage, maar dergelijke (onafhankelijke en betrouwbare) cijfers zijn bij internetpublicaties vaak niet voorhanden.

Bij internetpublicaties volledige schadevergoeding eisen bij eigen lokale rechter

Vandaar dat het Hof van Justitie met een nieuwe, aanvullende, regel komt voor de rechterlijke bevoegdheid bij internetpublicaties. Die regel komt hier op neer: de rechter in de woonplaats van het slachtoffer van de publicaties is bevoegd om te oordelen over de gehele schade. Volledigheidshalve de (iets meer genuanceerde) woorden van het Hof van Justitie:
48. De in punt 42 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte aanknopingscriteria moeten dan ook worden aangepast in die zin dat het slachtoffer van de schending van een persoonlijkheidsrecht via internet zich, afhankelijk van de plaats waar de in de Europese Unie door die schending berokkende schade intreedt, voor de volledige schade tot een gerecht kan wenden. Aangezien de gevolgen van een op internet geplaatste content voor de persoonlijkheidsrechten van een persoon het best kunnen worden beoordeeld door het gerecht van de plaats waar het beweerde slachtoffer het centrum van zijn belangen heeft, beantwoordt het aan het in punt 40 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte doel van een goede rechtsbedeling, aan dat gerecht bevoegdheid toe te kennen.

49. De plaats waar een persoon het centrum van zijn belangen heeft is meestal zijn gewone verblijfplaats. Een persoon kan het centrum van zijn belangen echter ook hebben in een andere lidstaat waar hij niet gewoonlijk verblijft, voor zover uit andere aanwijzingen, zoals de uitoefening van een beroepsactiviteit, kan blijken dat hij een bijzonder nauwe band met die staat heeft.
Het Hof van Justitie draait hiermee de bestaande regels voor sommige gevallen zelfs helemaal om. Voorheen kon bij vanuit het buitenland op het internet gepubliceerde publicaties alleen vergoeding van de in het eigen land geleden schade voor de eigen rechter worden gevorderd (zie hiervoor). Nu is die eigen lokale rechter bevoegd om te oordelen over de vergoeding van de gehele schade.

Overigens gelden de oude regels ook nog steeds, de nieuwe regel werkt aanvullend. Dus nu geldt het volgende bij vergoeding van schade bij internetpublicaties:

	vergoeding van de gehele schade kan worden gevorderd

	bij de rechter in het land van vestiging van de uitgever van de onrechtmatige publicatie;
	bij de rechter in het land waar het slachtoffer zijn centrum van belangen heeft (normaliter: zijn woonplaats);


	bij de rechter in alle andere landen (van de EU) kan vergoeding van de in dat land door de onrechtmatige publicatie geleden schade worden gevorderd.

Internetondernemer echter niet gebonden aan strengere regels dan in vestigingsland 

Het meest opmerkelijke (voor juristen althans) uit het arrest is wellicht nog wel het antwoord van het Hof dat op de derde vraag van de Duitse rechter wordt gegeven. In die derde vraag komt de eCommerce-richtlijn [7] aan de orde. Dat is de richtlijn die, kort samengevat, de regels heeft geharmoniseerd die gelden voor aanbieders van online diensten in de Europese Unie.

De Duitse rechter wilde van het Hof van Justitie weten of die richtlijn ook regels geeft over het toepasselijke recht. De Duitse rechter stond immers niet alleen voor de vraag of hij wel bevoegd was (zie hiervoor), maar ook welk recht (Duits of Oostenrijks) hij dan vervolgens moest toepassen bij de vraag of de betreffende publicatie onrechtmatig was.

Het Hof van Justitie gaat uitvoerig in op deze vraag. In de beantwoording wordt benadrukt dat het doel van de eCommerce-richtlijn is dat allerlei belemmeringen voor aanbieders van online diensten worden weggenomen, zodat de interne markt goed functioneert. Onder die interne markt wordt de gehele Europese Unie verstaan (nationale grenzen moeten als het ware worden weggedacht). Volgens het Hof van Justitie is er met de eCommerce-richtlijn binnen die interne markt voor wat betreft eCommerce een "gecoordineerd gebied" ontstaan. Dat wil zoveel zeggen dat online dienstverleners in alle landen aan dezelfde regels moeten voldoen en dat lidstaten buitenlandse dienstverleners, die aan die regels voldoen, niet mogen weigeren.

Daar volgt volgens het Hof van Justitie uit dat een online aanbieder die in zijn thuisland aan de regels uit de eCommerce-richtlijn voldoet, niet in het buitenland opeens aan strengere eisen kan worden onderworpen. Of in de woorden van het Hof (de 2e zin):
68. Gelet op het voorgaande moet op de derde vraag in zaak C‑509/09 worden geantwoord dat artikel 3 van de richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat het geen omzetting in de vorm van een specifieke conflictregel verlangt. De lidstaten moeten echter, behoudens de volgens de voorwaarden van artikel 3, lid 4, van de richtlijn toegestane afwijkingen, op het gecoördineerde gebied waarborgen dat de verlener van een dienst van de elektronische handel niet wordt onderworpen aan strengere eisen dan die voorzien in het in de lidstaat van vestiging van die dienstverlener toepasselijke materiële recht.
Welke consequenties dit oordeel precies heeft, is nog niet helemaal te overzien. Het lijkt er echter sterk op dat dit zo moet worden gelezen als dat een internetondernemer niet door een rechter in een ander EU-land aan strengere eisen mag worden onderworpen dan die gelden in zijn thuisland.

Toegepast op de rechtszaken die tot dit arrest hebben geleid lijkt het er op dat de rechter het volgende stappenplan moet aflopen bij (beweerdelijk) onrechtmatige internetpublicaties, voordat de rechter uberhaupt toekomt aan de inhoudelijke vraag of de betreffende publicatie onrechtmatig is:

	Rechter bevoegd? Ja, en wel voor de gehele schade of juist alleen de in het vestigingsland van de rechter geleden schade (zie hiervoor);
	Welk recht toepasselijk? Toetsen aan de hand van de zogenaamde Rome II verordening [8] (hetgeen overigens bij grensoverschrijdende publicaties nog niet zo eenvoudig is);
	Aanvullende eis: criteria van dat toepasselijke recht eventueel "afzwakken" tot criteria uit het recht van vestiging van internetondernemer.

Dat vergt in praktische zin bij grensoverschrijdende kwesties over internetpublicaties dat altijd vooraf wordt onderzocht of het recht van de plaats van vestiging van de internetondernemer andere eisen stelt aan onrechtmatige publicaties dan het recht dat op grond van de Rome II verordening van toepassing is op de betreffende publicatie. Zolang de verschillende rechtstelsels voor wat betreft het leerstuk van onrechtmatige daad nog niet geharmonsieerd zijn, is immers denkbaar dat er (grote) verschillen hieromtrent bestaan. Het is afwachten hoe toepassing van deze regel zich in de praktijk zal ontwikkelen.

[1] http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=CELEX:62009CJ0509:NL:NOT
[2] http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=CELEX:62009CJ0509:NL:NOT
[3] http://www.rainbow.at/
[4] http://www.sundaymirror.co.uk/
[5] http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=CELEX:32001R0044:NL:NOT
[6] http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=CELEX:61993CJ0068:NL:NOT
[7] http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=CELEX:32000L0031:NL:NOT
[8] http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=CELEX:32007R0864:NL:NOT&lt;img src="http://feeds.feedburner.com/~r/DirkzwagerAdvocatenIntellectueleEigendomenIT-recht/~4/Jgh_r8dkTpA" height="1" width="1"/&gt;&lt;img src="http://feeds.feedburner.com/~r/dirkzwager_nl/~4/xRktlThehyM" height="1" width="1"/&gt;</description>
         <guid isPermaLink="false">http://dirkzwagerieit.nl/?p=8798</guid>
         <pubDate>Wed, 04 Jan 2012 11:12:12 +0000</pubDate>
      <feedburner:origLink>http://feedproxy.google.com/~r/DirkzwagerAdvocatenIntellectueleEigendomenIT-recht/~3/Jgh_r8dkTpA/</feedburner:origLink></item>
      <item>
         <title>Van oude “Heerlijcke” rechten</title>
         <link>http://feedproxy.google.com/~r/dirkzwager_nl/~3/TIOhsfjYiHw/</link>
         <description>Nog steeds bestaan er zakelijke rechten die niet in de limitatieve opsomming van het huidige Burgerlijk Wetboek zijn opgenomen. Hieronder vallen bijvoorbeeld visrechten, alsmede het kooirecht en het afpalingsrecht ten behoeve van eendenkooien. Volgens de Nederlandse Kooikersvereniging zijn ongeveer 3000 locaties bekend waar ooit een eendenkooi heeft gelegen, thans zijn er nog ruim 100 van [...]</description>
         <guid isPermaLink="false">http://dirkzwagervastgoed.nl/?p=1853</guid>
         <pubDate>Tue, 03 Jan 2012 08:34:59 +0000</pubDate>
         <content:encoded><![CDATA[<p>Nog steeds bestaan er zakelijke rechten die niet in de limitatieve opsomming van het huidige Burgerlijk Wetboek zijn opgenomen. Hieronder vallen bijvoorbeeld visrechten, alsmede het kooirecht en het afpalingsrecht ten behoeve van eendenkooien. Volgens de Nederlandse Kooikersvereniging zijn ongeveer 3000 locaties bekend waar ooit een eendenkooi heeft gelegen, thans zijn er nog ruim 100 van over. Om conflicten te vermijden, is het belangrijk om deze rechten alsnog te registreren.<span id="more-1853"></span></p>
<p>Onder het kooirecht kan men verstaan “het zakelijk recht om op een bepaald stuk grond (en water) vogels, in het bijzonder eenden, te vangen met behulp van een daartoe ingericht toestel.”<br />
Het afpalingsrecht kan men omschrijven als “de zakelijke last waarmee de rondom de eendenkooi gelegen gronden zijn bezwaard, inhoudende de verplichting voor een ieder zich op die gronden te onthouden van handelingen waardoor vogels in de eendenkooi zouden kunnen worden verstoord”.<br />
Uiteraard kan de eendenkooi zich ook bevinden op eigen grond.</p>
<p>Het afpalingsrecht, alsook het visrecht, is volgens artikel 150 van de Overgangswet NBW registergoed geworden en derhalve inschrijfbaar in de openbare registers.<br />
De “heerlijcke rechten” rusten gewoonlijk op een (groot) aantal aan elkaar grenzende percelen; van hun ontstaan is veelal geen akte opgemaakt. Pas op het moment dat een recht werd overgedragen, vond de eerste vermelding in de openbare registers plaats. Welke kadastrale percelen daarmee werden belast wordt meestal niet vermeld; in een oude akte werd een met name genoemd visrecht alsvolgt omschreven: “het visrecht op de Rijn vanaf de kop van de Malburgse haven tot kilometerpaal 880.” Bij het afpalingsrecht werd in een geval de afstand vanuit het midden van de kooi bepaald op “200 Rijnlandse Roeden”, wat neerkomt op ongeveer 753 meter.</p>
<p>Omdat het Kadaster in het verleden heeft nagelaten om de rechten aan een kadastraal perceel te relateren, is het Kadaster bereid om kosteloos uit te zoeken welke kadastrale percelen er belast zijn met oude heerlijcke rechten. Feitelijk komt het er op neer, dat aan de hand van de aangeleverde stukken zoals oude akten, kaarten, contracten en dergelijke door het Kadaster een kaart wordt geproduceerd, waarop de onder de rechten liggende percelen zijn weergegeven; bij het afpalingsrecht bijvoorbeeld de kring. Aan de hand van de door de rechthebbende en het Kadaster aangeleverde stukken, kan de notaris een zogenaamde registerverklaring opmaken en inschrijven in de openbare registers, zodat het Kadaster de rechten bij de kadastrale percelen kan aantekenen.<br />
De akte dient onder meer de omschrijving van het recht, zo mogelijk de gangbare benaming ervan en de rechthebbende in te houden.</p>
<p>Registratie van deze rechten werkt conflictvermijdend, omdat onomstotelijk komt vast te staan en aan derden bekend wordt, wie de rechthebbende is en op welke kadastrale percelen het recht geheel of gedeeltelijk rust. Dirkzwager heeft ervaring met het inschrijven van deze rechten en deelt deze kennis graag met u.</p><img src="http://feeds.feedburner.com/~r/dirkzwager_nl/~4/TIOhsfjYiHw" height="1" width="1"/>]]></content:encoded>
      <feedburner:origLink>http://dirkzwagervastgoed.nl/2012/01/03/van-oude-aoeheerlijckea-rechten/</feedburner:origLink></item>
      <item>
         <title>Het is oppassen geblazen</title>
         <link>http://feedproxy.google.com/~r/dirkzwager_nl/~3/dZOXCmvwB_8/</link>
         <description>Met ingang van 1 januari 2012 is de vakantiewetgeving veranderd.  Er gelden nu andere regels voor de opbouw, geldigheid en opname van de wettelijke vakantiedagen. Voor de bovenwettelijke vakantiedagen blijft het mogelijk om contractueel een en ander af te spreken. Het onderscheid tussen wettelijke en bovenwettelijke vakantiedagen is nu nog belangrijker dan voorheen. Melanie Breedveld [...]</description>
         <guid isPermaLink="false">http://dirkzwagerarbeidsrecht.nl/?p=1331</guid>
         <pubDate>Tue, 03 Jan 2012 08:22:58 +0000</pubDate>
         <content:encoded><![CDATA[<p>Met ingang van 1 januari 2012 is de vakantiewetgeving veranderd.  Er gelden nu andere regels voor de opbouw, geldigheid en opname van de wettelijke vakantiedagen. Voor de bovenwettelijke vakantiedagen blijft het mogelijk om contractueel een en ander af te spreken. Het onderscheid tussen wettelijke en bovenwettelijke vakantiedagen is nu nog belangrijker dan voorheen. Melanie Breedveld schreef hierover een artikel &#8216;<em>Het is oppassen geblazen&#8217; </em>voor HR Rendement. Lees het artikel <a rel="nofollow" target="_blank" href="http://www.dirkzwager.nl/pdf/HR Rendement december 2011 Vakantiewetgeving.pdf">hier</a> na.</p><img src="http://feeds.feedburner.com/~r/dirkzwager_nl/~4/dZOXCmvwB_8" height="1" width="1"/>]]></content:encoded>
         <category>Geen categorie</category>
      <feedburner:origLink>http://dirkzwagerarbeidsrecht.nl/2012/01/03/het-is-oppassen-geblazen/</feedburner:origLink></item>
   </channel>
</rss><!-- fe4.yql.bf1.yahoo.com compressed/chunked Mon Feb 27 10:14:44 UTC 2012 -->

